Tag: Willem de Boer

  • 14 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    ONLEE
    Ik zag je gister mit een doekien vor je moend. Ei je onlee?
    Och, ik eaw zo’n last van m’n aorentanen. Ze mozzen d’r nodig eut, maar ik zien d’r arg tugen an. Koem er effien in, maar strukel niet over m’n ouwe stroffelmatte, in kiek maar niet nor de rommel. Je zullen wel dinken dat ik de eek in de surep lot lopen, want ik moet de kamer nog opredderen. Wat aol je dan eut?
    Mins, ik eaw wat lekkers! Flerik kwam mit een smerig katjen in eus, in daor bin ik mitien maar an begonnen. Er komt zo juur of, in er was gien groend in te kregen. IJ legt vor de walle in ij adde de poorten van de metor skoon emaakt, dat je kunen dinken. Ik eaw erop moeten buuken, op ’t goed bedoel ik, dat ik ad een koud eppien. In drogen dut ’t niet, dat ik ad een lintjen eskeuren van ’t skot nor ’t raam in terogge. Lot nou de leen after de kachelpeep bleven zitten, in die kwam omleages mit een bult smeerlapperije.
    In kiek m’n love, in ik eaw eerst een duuntjen ekrieten. In ik adde Marretjen ok niet in eus, die is nou flarkien bij m’n zuster die in de kraam legt. Ik eaw de es in ’t roet al weg ewarkt, maar ’t is nog een zeutjen. M’n gerdintjes ongen nog op de nijerdom. Z’ adden nog gien zunde edoon, in kiek nou er’s. Ik moet de kamer nou maar eutaolen.

    onlee – onheil, moeite.
    aorentanen – verstandskiezen.
    strukelen – struikelen.
    stroffelmatte – deurmat.
    eek – azijn.
    surep – stroop.
    de eek in de surep lotten lopen – er een janboel van maken.
    ik eaw wat lekkers! – dat is ook wat moois!
    een smerig katjen – erg vuile kleren.
    juur – erg vies waswater.
    er was gien groend in te kregen – het vuil wou er maar niet uit.
    de poorten van de metor – de cilinders van de motor.
    buuken – zwaar wassen, o.m. met een stamper.
    een koud eppien – een koud karweitje (hapje).
    een lintjen eskeuren – een waslijn gespannen.
    omleages – naar beneden.
    love – moe.
    een duuntjen kreten – een huilbui hebben.
    een flarkien – een jong, nog ongeoefend hulpje in de huishouding.
    de es – de as.
    een zeutjen – een troep, een zootje.
    ’t ad nog gien zunde edoon – er mankeerde nog niets aan.
    eut aolen – schoonmaken (in het najaar).

    Bij een oude foto

    De oprichting van de visafslag in 1905 getuigde van durf en doorzettingsvermogen. Niet alleen de viskopers van buiten Urk, maar ook de vissers zelf hadden op de vestiging van de afslag aangedrongen. Gerrit Westerneng, de bekende poolvaarder en -vorser, afkomstig uit Durgerdam maar met een Urker getrouwd, had 47 vissers voor zijn request pro-afslag weten te strikken. Dat gaf uiteindelijk de doorslag. In de zouterij van Jacob ten Napel (uiterst rechts op de foto) kreeg de eerste Urker visafslag een onderkomen. Op de nok van de zuidgevel werd een bel gehangen in een miniem torentje. Een kwestie van durf, schreven we. Vijftien jaar eerder, in 1890, was er een recordvangst van ansjovis geweest, maar sindsdien was het kwakkelen geblazen. Veel vissers hadden hun heil ergens gezocht: Den Helder, IJmuiden, de Zaanstreek, waar Urker kolonies ontstonden. Anderen, soms bedroeg hun aantal meer dan honderd, monsterden op de loggervloot. Er waren in het jaar van oprichting weer ,,onderscheidende vaartuigen naar elders verkocht.” Links van het afslaggebouw zien we de ‘hange’ van vishandel Bakker en Gerssen. Daarboven zien we het oude torentje van de Bethelkerk (die toen nog niet zo heette). Dat torentje vormt een mooi ijkpunt voor het dateren van oude foto’s, want het werd in 1910 vervangen door de huidige spits. Deze foto dateert waarschijnlijk van het jaar 1900. Aan de overkant van het ‘glop’ dat toegang gaf tot het gebouw ‘Hulp en Steun’ bevond zich het logement ‘Zeezicht’ met daarnaast de visserswoning Wijk 1-42. Daar woonde Inte van Trui en dus niet in ‘Zeezicht’, zoals we vorige keer abusievelijk vermeldden. Rechts op de foto zien we de werf van Roos met enkele vletten. In de daarnaast gelegen werfboet werden botters gebouwd. Aan de kade ligt een schuit gemeerd, te herkennen aan de rechte afhellende voorsteven. De schuiten hebben lange tijd het havenbeeld gedomineerd totdat ze door de botters werden verdrongen. Van het oude havenfront bleef vrijwel niets bewaard. De afslag verhuisde via via uiteindelijk naar een locatie onder de zeespiegel, iets wat de bewoners anno 1900 met ongeloof zou hebben vervuld, om nog maar te zwijgen van de turbulente ontwikkeling van de techniek. De houtwerf verdween om plaats te maken voor een parkeerterrein. Daarnaast verrees het bedrijfspand (eigenlijk moeten we meervoud gebruiken) en de woning van Piet Brouwer elektro. Wij hopen u terug te zien bij ‘Hulp en Steun’. Tot volgende week!

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (slot)
    Ik kreeg de gelegenheid om te vertellen wat of er was voorgevallen, maar de commandant zag geen reden om clementie te verlenen. ,,Met uw verlof, commandant”, zei Kroon, ,,ik zeg ook niet dat soldaat de Boer geen schuld heeft, maar de manier waarop de man van boord is gehaald is tegen de grondregels van het recht. Het moet u toch bekend zijn, dat ik als kapitein van de postboot tevens hulpofficier van justitie ben en alle passagiers dus onder mijn jurisprudentie vallen. Vandaar dat uw luitenant een onrechtmatige daad deed door een van mijn passagiers van boord te halen.”
    De commandant lachte fijntjes. ,,U komt wel voor uw passagiers op.” ,,Een oud-marineman, tevens commandant, draagt de verantwoording voor zijn ondergeschikten”, antwoordde Kroon. ,,Marineman?” vroeg de commandant. ,,Ja kapitein”, en Kroon wees op het wapen van mijn witte pet. ,,Ziet u dit wapen, dit sierde mijn pet als schipper bij de Koninklijke Marine tijdens de mobilisatie van 1914-1918.” ,,Zo zo, dus u bent een oud-marineman, wij zijn dus collega’s.” De kapitein werd vriendelijker. Kroon benutte de gelegenheid en zei: ,,U weet dat tijd geld is en daarom wou ik u voorstellen om soldaat de Boer weer onder mijn gezag te stellen en dit incident als geëindigd te beschouwen.” Het was even stil. De commandant vroeg: ,,En als wij dat nu eens niet doen?” ,,Dan zou ik mij zeer in u vergissen, terwijl u toch in de gelegenheid bent om de Boer via zijn commandant van de kunstwacht in Den Helder ter verantwoording te roepen.” De kapitein ging staan en zei, terwijl hij de groet bracht: ,,Schipper, wat moet uw commandant trots geweest zijn om zulke mannen onder zijn bevel te hebben, uw man komt vrij.” Het gezicht van Willen Kroon klaarde helemaal op en plooide zich tot een lach. Ook hij salueerde en zei: ,,Commandant, hartelijk bedankt voor uw oordeel.”
    Wij weer naar boord. Even later kwam Willem de Boer, een van de dertien kinderen van Meindert de Boer, terug aan boord. ,,Touwen los, we gaan!” Even later stoomde de Insula in het Krabbersgat, met uit de stoomuitlaat, zo noemden we dat, de witte vlag, omdat de ketel op de rooie stond. Later vroeg ik aan Willem Kroon waarom of hij zo’n drukte gemaakt had om Willem de Boer. ,,Hoor eens Janneman, Urkers moeten ’nkanger niet in de steek loaten in een voegel as Willem kuun je niet in een kooitjen ouwen. Ei-je em vroeger wel d’rs zien skoasen, toe was ie ok niet te ouwen op de korte boon.” In gedachten sprak ik op zijn Fries: ,,Willem et keliek.”

    JtN

  • 7 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Een visserman èt altees wat
    Eawen je jonges nog wat verdiend van de week? Nou, ze eawen d’rluiers part, maar maar ok niet. Eawen ze ok op de legge evist? Daor binnen mooie skolletjes evongen, oor ik daor. Nee ze eawen de iele week in de steanen eklaawd. Daor wil nog wel d’rs wat tonge zitten, maar je kunen d’rs ok gemakkelik je teug weg bringen. Ze adden gelokkig niet vuul averije. Maar d’rluiers maot, die bij ’rlui in de buurt viste, verspuulde nog een nije ongerzede, dat beabe Jan kan wier een paor poendjes gaoren verbreien. Ja, as er niet eskeurd worde kon Klaos van Tuus wel op z’n rogge goon leggen, in z’n bruur Indrik erbij. In zo et ’t altees al ewest: d’ îene z’n dood is d’ anger z’n brood. De zealemakers moeten ok leven. Een visserman trekt angers altesen an ’t kortste eande. Kiek maar nor de koeboeren. Klagen gien gebrek, maar ze goon je maar doen ene. Ei je ’t duur? Een visserman is altoos vor een anger in de weer. Een kellefien wort een koetjen, maar een zeltjen wort een dweltjen. Zou je dan mit je neve Flerik realen willen? Vor gien goud! Die zit onger de plak van z’n vrouwe, in ik eaw een vrij leven. Fim is blede as ik teus koem in blede as ik wier voort goon. In al is ’t dan gien vetpot, we eawen de vrede. Nou, wat kuun je nog maar begeren?

    jonges – zoons (die op het schip van vader varen)
    maar – 1. maar, 2. meer
    de legge – een zekere visplek
    in de stienen – een steenachtige visplaats
    klaawen – modderen; moeizaam werken
    ’t teug weg bringen – ’t viswant verspelen
    ongerzede – onderkant van kor of kuil
    op z’n rogge goon leggen – geen werk meer hebben met alle gevolgen van dien
    eande – eind
    ei je ’t duur? – snap je ’t?
    een zeltjen wort een dweltjen – een zeil wordt al gauw een ‘dweil’ (dus waardeloos)
    realen – ruilen

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (3)
    ,,Wacht effen Jan, ik loop mit je mie nor de boot.” ,,Da’s goed Willem” zei ik, “jie eawen wel gaauw verlof.” ,,Dat komt”, zei Willem, ,,de kapitein zeen, goon jie maar zo lange nor eus tot we beter goed vor je eawen. Zo kan een mins z’n vaderland toch niet dienen.” Wij liepen gezamenlijk het perron af op weg naar de boot. Ineens, buiten gekomen, sloeg Willem met zijn rechterhand naar zijn hoofddeksel en bracht de militaire groet. Er passeerde ons een met goudgalon versierde persoon, die ons geen blik waardig keurde. Willem zei: ,,barst vint!” toen hij niet terug gegroet werd. ,,Maar Willem, dat was geen marineman, maar de kapitein van de Staverse boot, die heeft ook drie gouwen banden met een krul om zijn mouwen.” We liepen langs de haven en onder de ,,Dromedaris” door naar de boot. In het straatje net voor het cafe van Moleman kwam ons een Sandeman sherry-figuur tegen, we liepen hem gewoon voorbij. Even later hoorden we een stem die riep: ,,Hee soldaat, kun je niet groeten?” Ons omdraaiende zagen we dat de cape opengeslagen was en daaronder een marine-uniform. ,,Als je me niet kent, zeg je maar u tegen me”, riep Willem terug. ,,Kom aan, we gaan naar de boot, ik wil naar Urk.” We versnelden de pas, maar de cape met de man er in kwam ons achterna en ging op het marineschip om even later terug te keren met twee gewapende matrozen. Die liepen dwars over naar de ‘Insula’, gingen de salon binnen en zochten Willem. Even later werd Willem tussen de gewapende matrozen afgevoerd naar de oorlogsbodem. Het gaf natuurlijk een ontzettende consternatie aan boord, een Urker soldaat opgebracht door de marine. Willem Kroon, de kapitein, kwam boven en zei: ,,Alles klaar mensen? dan gaan we.” ,,As we nog effien wachten dan oalen ze alle passagiers van de boot of”, zei Lub van Mina. ,,Wat is er loos dan”, zei Kroon, ,,ik wiet niks”. Ik vertelde Willem Kroon mijn ervaringen met Willem de Boer en over het groeten van de kapitein van de Staverse boot en het niet groeten van het jonge luitenantje en de toestand er na. Willem keek langs mij heen in de verte en dacht diep na. ,,Janneman”, dat zei Kroon altijd als we heel vertrouwelijk met elkaar waren, ,,Janneman, we laten onze passagiers niet van boord halen, haal je witte pet met het marinewapen er op, dan gaan we onze passagier ophalen.” Even later gingen we op weg naar de oorlogsbodem. Tegen de schildwacht zei Willem Kroon: ,,De kapitein van de postboot meldt zich voor een gesprek met uw commandant.” Na veel vieren en vijven stonden we tegenover de commandant van de oorlogsbodem. Drie gouden banden met een krul om zijn mouwen, dus de rang van kapitein ter zee. Kroon kende de rangen, want hij was zelf in de vorige oorlog, 1914-1918, schipper bij de marine geweest. ,,Mag ik weten”, vroeg de commandant, ,,wat de reden is dat u mij wilt spreken?” ,,De reden is nogal ernstig”, antwoordde Kroon, “door twee miliciens is in opdracht van een van uw luitenants ene passagier van de postboot, die onder mijn commando staat, gehaald, en hiertegen moet ik fel protesteren.” ,,Toch geloof ik dat uw protest niet op zijn plaats is, want die passagier van u, een soldaat, heeft niet aan de groetplicht voldaan en een order van een meerdere niet opgevolgd.” ,,Misschien”, antwoordde Kroon, ,,kan mijn hofmeester beter de toedracht vertellen die tot het incident heeft geleid.”

    Slot volgt, JtN

    Bij een oude foto

    Het lijkt wel, beste lezers, of de havenkant uitgekamd wordt. Een soort vreedzame razzia op zoek naar het verleden van gebouwen en huizen. En in zekere zin is dat ook zo, de komende weken blijven we op en rond de haven ronddolen, bij leven en gezondheid. Wat zien we op deze foto? We zien een viertal panden op de Westhaven. We beginnen bij het pand links op de foto. Dat was de schuur van Klaas Romkes, op Wijk 1-33. Het markante pand daarnaast behoorde aan de op Urk welbekende vishandelaar Albert Hakvoort (Albert van Inte). Let op de gemetselde sierbogen, die, voorzover onze herinnering reikt, bekroond werden door chromaattegels. Nu wonen op dit adres, Wijk 1-34, Lub en Marieke Kramer. Die vreemde uitbouw was het portaal, dat toegang gaf tot de bovenwoning. Vijf stenen pinakels bekronen de eindgevel, heel ongewoon op het eiland Urk. Dan krijgen we het bedrijfsgebouw van de vishandelaar Jan Brouwer met de zogenaamde ‘kraak’, hier nog van hout. De woning op en onder de kraak werden ooit bewoond onder andere door Jacob van Slooten (UK 26), Jakke Ras, de vishandelaar, Willem Kramer (UK 84) en Jan Brouwer (UK 134). De lijst is niet volledig. Later werd de schuur een opslagplaats van oliehandel de Boer en nog weer later had Andries Hakvoort, de scheepstimmerman, er zijn bedrijf. In het verbouwde pand zijn de vier leeuwtjes uit de oorspronkelijke gevel weer ingemetseld, tezamen met (vermoedelijk) een jaartalsteen. De schuur is nu in gebruik bij sleepbedrijf Kapitein en Auke en Co Kapitein wonen nu in de riante bovenwoning met een schitterend uitzicht over zee en havens. Over de ‘Urker Stores’ van Douwe Gnodde schreven we reeds eerder. Als aanvulling mogen dienen dat de winkel ooit gedreven werd door Jan Brouwer, in scheepsbehoeften.
    Op de voorgrond zien we de houten beschoeiing van de Westhaven, die naar het oosten en westen doorliep tot de werven van Metz en Hakvoort met een onderbreking door de werf van Roos. De haven was toen een rijkshaven en is dat nog lang gebleven. En, o ja, we weten nu hoe de hoogte vanaf de Bethelkerk naar de Westhaven in de volksmond genoemd werd. Volgens Alie Post-Romkes was dit het ‘Wagenpad’. En dat sluit dan weer mooi aan op wat we daar eerder over schreven. Tot ziens op de haven!

  • 10 januari 2002

    De gouwen ketting (vervolg)

    ,,Et lik et veraoltjen van et vrouwtjen van Stavoren wel,” riep Tiemen triomfantelijk, ,,nou eaw ik ok ’rs een gelukkien.” Garret z’n ogen worden zo skotteltjes. Z’n moend vul eupen van verbaozing. De angeren mozzen muuite doen om niet in de lach te skieten want Garret kiek zo verbaosd. ,,Dat is een mooie! Oe is et muugeluk, een ketting in een gullebuk. Dat eaw ik nog nooit mie emaakt. Ik goon een zaoterdag gelik nor Ansien van de Klokkewinkel om te vragen wat of ie waard is. Dan lot ik gelik et slutjen maken, want dat zal wel stokked wezen’ ging Tiemen duur. Opiens stotterde Garret ,,Et is ’r net zo’n iene as menen. Die et zuvenoenderd gulden ekost in die eaw ik nog van m’n mimme ad vor m’n visserijskoeldiploma. Lot ’rs effen zien.” Tiemen ul de ketting vor Garret z’n neuze in opiens zeen Garret; ,,Et likt meen ketting wel.” Gelik voelde ie in z’n aals. ,,Oe kan dat nou, meen gouwen ketting is weg.” IJ griep nor et vor z’n ogen bungelende sieraod. ,,Dat zou je wel willen,” riep Tiemen, ,,ik eaw em aarlijk evoenden. IJ is vor mij in ik gief em an oenze Gaartjen. Oe moet joen ketting trouwes in een gulle terecht koemen. Lot je nao kieken.”,,In toch is ie van mij. Ik wiet ok niet oe ie in die gulle ekeumen is. Miskien is ie wel overboord evullen of in de boks in et dat biest em toen op egeten,” riep Garret kwaod. Opiens begonnen ze allemaol te lachen want ze konnen et eurlui niet maar goed ouwen. Ze kwammen niet mar bij om die kwaoie snuut van Garret. Tiemen gaf de ketting terogge. ,,Voel effen in je euliebroek of je plaotien ’r nog is, want dat eawen we niet evoenden. Algers bin je dat wel kweet.” Z’n plaotjen was gelokkig in z’n laars evullen in dat was z’n twiede gelukkien.

    Rein

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron

    Al weer een tijdje geleden hebben we een afvalcontainer gekegen. Het zijn van die grote bakken met twee wieltjes eronder. In de ene gaat groen en keukenafval en in de andere het normale afval dat verbrand wordt. Het blijkt dat de groene container meer afval krijgt te verstouwen dan de grijze container. Een container per week, die door een moderne vuilniswagen wordt opgehaald. Met grijparmpjes worden de containers opgepakt en door de mannen op de goede plaats gezet. De bak wordt geledigd in de buik van de vuilniswagen die bijna een half miljoen kost.
    Op dat moment verwijlden mijn gedachten naar de dagen van weleer, ze gingen jaren terug en op mijn netvlies verschenen Jan en de baron.
    Door de Urker straten rijdt een wagen. Het is een grote rechthoekige bak op een wielenstel. Voorop is een plankie wear de menner op zit en aan de achterkant kan de palfrenier staan als alles is opgeladen en de kar richting losplaats vertrekt. Met deze wagen wordt eenmaal per week het vuil opgehaald. Nu waren we toen maar met z’n vierduizend Urkers onder elkaar en we maakten niet zo veel vuil. Het waren de vaste en urinale stoffen die tijdens het voeten bedekken, ook wel de stoelgang genoemd, onze body verlieten en in de emmer terecht kwamen. Ja, wat wil je, we waren toen nog niet zo modern. De nachtspiegel (de pot) was nog in grote ere onder ons en deze werd op de put geledigd. Bij de nieuwe huisjes die toen gebouwd werden kwam ook een gemetseld ‘huisien’, waar aan de straatzijde, onderaan, een deurtje of luikje was gemaakt waardoor de emmer naar buiten kon worden gehaald ter lediging in de kar. Waar dit niet zo was en er maar een eenvoudig optrekje van hout tegen het huis was aangebouwd, kon de roep gehoord worden: “Aole, ei je de immer al beuten e-zet, de karre komt er an !” Nou nou Jan, zo kan ie wel weer. Nee, laten we de zaken eens op zijn merites bekiiken, zou Teunis Visser zeggen. Als ik zo terugdenk kan ik niet dankbaar genoeg zijn dat we nu in andere omstandigheden leven.
    Toen ons huis in 1936 op dezelfde plaats gebouwd werd, verdween het ‘huisien’ van buiten en werd er een toilet in huis geplaatst, een watertoilet. Dat wil zeggen: na de grote boodschap moest je er zelf een emmer water doorheen gooien. Dit alles ging via een beerput op of naar de al aanwezige riolering. Het was nog niet zo, zoals onze buurman Piet Ras ons zijn relaas vertelde, nadat hij op bezoek in de Zaanstreek geweest was: “Ik ging nor et uisien, gaf een trek an et touwtjen in et iele spul was toe zo in Amsterdam.”
    Nu we bij Piet beland zijn, komen we ook bii de baron. Deze was daar ter woning als broeder van de vrouw van Piet, Lebe. Er was ook nog een Jan thuis, ook weer een broeder. De naam van de baron was Klaas. In de volksmond was dit Klaas de baon. Hoe of hij aan deze naam gekomen is weet ik niet, maar ik geloof dat hij ook geparenteerd was aan het ‘vorstelijk huis’ dat wij toen op Urk bezaten. Ze woonden bij het eerste gat, waar de basaltwateverdediging overging in het paalscherm. Er is nu een parkeerterein gemaakt. Een groot hek sloot de binnenplaats af waar de familie woonde. Ook Jaaie en Marie woonden daar Jaaie Stokebrand was erkend jager, met een roeibootje zette hij zijn botnetjes uit. Willem de Boer woonde daar met twee zusters. Willem was losvaste werker in de turf, in het steenlossen en hij was bij Jan Woord op gezette tijden in het hooi en ’s winters was hij betrokken bij het legen van de groep achter de koeien. Hij minde de lekkere warmte van de stal en praatte met de koeien welke hij, volgens overlevering ook in zijn avondgebed gedacht.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Volgens de ons verstrekte gegevens zou deze foto omstreeks 1946 genomen zijn. Op de ‘Kamperdijk’ lagen nog tonnen en tonnen puin van Rotterdam. Dat puin werd al snel na het bombardement van die stad in de meidagen van 1940 gestort op de beide meerdijken nabij Urk en op de Rotterdamse Hoek halverwege Lemmer. Jan de Wit, nu in Canada, vond tussen dat puin een beeld, dat hij naar Urk probeerde te sjouwen. Het was natuurlijk geen doen voor de jonge Jan en hij moest het na enkele kilometers opgeven, dumpen dus. Later zagen we het beeld terug in museum Schokland met het onderschrift: ‘Romeins beeldhouwwerk, gevonden ten Oosten van Urk’. “Ze kunnen alles wel beweren”, zei Jan toen, “maar dat is meen bield in et is zeuver Rotterdams.” Op de foto is het hoogzomer, veel jeugdige badgasten zijn er op het strand te zien. In die tijd lag er een scheepswrak voor het ‘kleine strandje’, ook al een oorlogssouvenir. Naar ik meen was de naam van de klipper ‘Spes Salutis’. De kop van het schip werd als duikplank gebruikt. Het leverde Koos van Wijk later een gewonde voet op. Een sleepboot verlaat de haven met een ‘bak’ van de Zuiderzeewerken. Woonarken van opzichters en ingenieurs liggen nog in de haven, van waaruit enkele bottertjes vertrekken om hun geluk te beproeven in de hoop op enkele ‘wichies’ van die kostelijke lJsselmeerpaling. Een ‘wichien’ was meen ik honderd pond. Als je, zoals ik, de zoon was van een IJsselmeervisser, mocht je in de vakantie wel eens met vader mee, zee op. Een hele belevenis, vooral als je op ontdekkingereis zo’n mooie Staverse boot tegenkwam, sierlijke zwanen met eerste, tweede en derde klas en met een schoorsteen in dat onbestemde geel met aan de bovenkant een brede zwarte rand. Ach, die laatsten der Mohicanen. ‘C. Bosman, W.F. van der Wijck, R. van Hasselt, zo heetten ze. Prachtige boten waren dat. In de nadagen van het spoorwegveer heeft onze eigen ‘Insula’ de dienst nog gevaren, Enkhuizen – Stavoren vice versa. Dat ouwe Rijnstomertje was natuurlijk geen partij op die illustere lijn.