Tag: Urker boeren

  • 7 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Ai!
    Ongerlestet krieg ik een tillefoontjen van Henk Bode, Urker in de verstrooiing, woenachtig in Leeuwarden.
    In zoas miestal et geval is mit tillefoontjes van ‘lnkien’ was et niet kort in add’t een aangenaam karakter. Over et algemien binnen we et ok nogal iens (,,wij verstoon eenkanger”, zegt Ink dan) in dat bevordert de goeie verstandouding ok natuurlijk.
    Mar disse reaze add’ie een klacht. Over de skreefweze van et Urkers. In wat ik daorvan voen, wou ie van m’n wieten.
    Z’n klacht ging over et vervagen van de eldere Urker ‘ij’. ,,Vroeger”, zeen Ink, ,,worden wij op skoel duur oenze Urker ongerwezers daor op ewiezen. Je zenen niet ,,Ai et m’n esloegen” maar ,,íj et m’n esloegen”. In niet ‘wai’ maar,,wij”. Et is dus niks nijs, dit verskeensel. Maar oud nijs. ,,Et likt wel of we et poldernederlands as vuurbield goon gebrukken.”
    Henk Bode wies m’n ok op de koppen in kraanten die et eawen over ,,Nais op Urk”. Verskrikkelijk vint ie dat. IJ ad Meester De Vries er op nao esloegen in z’n boekien over taol in leven van et eiland Urk in die an z’n zede evoenden.
    ,,Doen jie d’r ok wat an”, gafie opdracht. Maar wat kan ik maar doen dan een stukkien skreven. As zelfs oenze eagen Urker kraant an dit soort verskeensel miedut in ‘nais’ skrift. Et likt narges nor. Trouwes ik bin er wel een artelijk vuurstaander van dat we een uniforme skreefweze gebrukken. Ik eaw dat al maar ezegd in eskrieven.
    De Redactie van et Urkerlaand eaw ik al d’rs anebeun om alle Urker teksten in de Urker kraant in overienstimming te bringen mit de spelling, die de Urker dialectkring gebrukt. Mar we leven in de teed van de richteren, want iederiene dut wat goed is in eagen ogen. In ok daor gonen ze eurluiers eagen gank.
    Zoas in elke taol, eaw je ok in dialect verskillen bij de sprekers. In geskrieven taol is toch wat angers dan gespruken taol. Dat geldt ok vor et Urkers. Et gat niet an om maar te skeven wat ie dinken, dat je oren.
    De geinteressierde lezer wees ik mit genugen nog op oenze vernijde home-pagina van de dialectkring: www.dialectkring.opurk.nl Daor binnen alle Urker klinkers mit skreefweze op te venen. Ln je kunen et ok nog oren as je willen. De nije digitale techniek stot narges vor.
    Marriap ku’je ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’ oren vuurlezen in we eawen ’r ok een paor omroepies van de Urker omroepers op stoon. Van jaoren gelien. Je wieten niet wat je oren! Eutgestald Aardewark Bij Jaauwekien Van EaIt. Echo’s eut et verlieden. In van nog langer gelien dan de veefintwietig jaor gelien waor Henk Bode mie biezig is in disse kraant.

    K.J. Romkes

    Bij een oude foto

    In 1878 werd de bestaande haven naar het westen uitgelegd. Toen werd ook de scheepswerf van Hakvoort uitgegraven. De vissersvloot groeide gestaag. In 1887 werden 262 scheepjes geteld, tezamen metende 5609 ton. Over de groei van de nevenbedrijven zijn minder exacte gegevens bekend. Vast staat dat in de loop van de tijd bedrijfsgebouwen aan de Westhaven verrezen. De eerste visafslag kreeg er een onderkomen naast de werf van Roos, met aan de andere kant de grote schuur van Bakker en Gerssen. Uit onze jeugd herinneren wij ons de winkel van Douwe Gnodde, de ‘hange’ van Albert Hakvoort, de smederij van Klaas Romkes, de zeilmakerij van Jelle Hakvoort en de machinewerkplaats van de Hoekmannen. Kortom, de Westhaven was een plaats van grote maritieme bedrijvigheid. Vroeger was de locatie van deze foto niet bebouwd. Er is een oude foto bekend waar op deze plek in de openlucht ansjovis werd verwerkt. Dat gebeurde door vrouwen en meisjes. Eind jaren ’40 werden er de zogenaamde ‘knalpotten’ gedumpt. Wat dat precies waren weten we nu niet zo goed meer, maar het had iets te maken met de gasgeneratoren die in de oorlog werden gebruikt. De zeilmakerij van Hakvoort had toen nog vrij uitzicht over de haven en de zee. Daaraan kwam een einde toen enige vissers omstreeks 1950 besloten hier een boxgebouw te plaatsen. De meeste vissers woonden toen nog in de oude dorpskern, waar geen ruimte meer was om een schuur of werkplaats neer te zetten. De nieuwbouw was nog maar nauwelijks op gang gekomen. Het eerste boxgebouw op Urk, want zo mogen we dit gebouw toch wel noemen, telde acht compartimenten van 4 x 4 meter met een bovenverdieping. Vergelijk dat eens met de omvang van de huidige vissersboxen op de diverse industrieterreinen! De vissersschepen en de vistuigen werden groter en dat vroeg ook om betere faciliteiten aan de wal. De boxen, op de foto nog in bedrijf, werden te klein en kregen na verloop van tijd een andere bestemming. Inmiddels had zich een nieuw fenomeen aangediend, de watersport en -recreatie. De visserszoon Albert Post zag wel wat in deze ontwikkeling en stichtte het eerste Urker watersportbedrijf dat nu op deze plek gevestigd is met nevenliggende panden. De rechterkant van het pand is nu het onderkomen van de ‘Porceleinkast’, de cadeauwinkel van Henny van der Meer-Bos, dochter van Rein en Grietje Bos.

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (5)
    Eerst nog even een kleine sfeertekening uit die tijd. Urk, een klein eiland midden in de Zuiderzee die nog niet was afgesloten. Eb en vloed overheersten nog. Het hoge gedeelte van het eiland was bebouwd, het lage gedeelte was grasland, dat steevast een of twee keer per jaar onderwater liep bij een noordwesterstorm. De Urker boeren werden toen met een deftige naam veehouders genoemd. Net als nu was er toen al een mestprobleem op Urk. De mest van het gestalde vee moest vervoerd worden en daar had Jan een aandeel in. Verder moest hij met zijn hulp het karrepaard verzorgen. Als gemeente-ambtenaar was hem de zorg voor de gemeentestier op zijn rug gelegd. Voor het vermenigvuldigen en het op peil houden van ons melkvee had de gemeente Urk een dekstier. De veehouders moesten dus met Jan in contact treden om de dekkingsriten met hun tochtige koe te laten volbrengen. Vorstverlet en regenverlet waren er voor de mannen van de gemeentereiniging toen nog niet bij. Het waren lange dagen die zij toen moesten maken. Het was een drukke tijd in de winter, mest van de stalkoeren en het afval van de burgers moesten ondanks sneeuw of gladheid worden opgehaald en gelost. Ook op de zondag was Jan in de weer, want de stier (‘bul’) en het paard moesten dan ook eten en drinken. Dan was er nog een taak voor Jan. Hij was assistent van de dokter. We gaan even terug naar de droge tijd in de zomer. Het drinkwater is schaars en ineens slaat het noodlot toe. Er breekt een epidemie uit, de typhus grijpt om zich heen. Het gonst op Urk rond: ,,Heb je het al gehoord, die en die heeft het ook te pakken.” Zuster de Wit werkt onder hoogspanning. Er is nog maar één dokter op Urk, die doet wat hij kan in samenwerking met de gemeente-ambtenaren. Voor verschillende huizen is zand gestrooid, zo’n tien centimeter dik. Dit dient om het geluid te dempen om de zieken de broodnodige rust te geven. Op de woning van de zieken is op de voordeur een aankondiging geplakt dat hier een besmettelijke ziekte heerst. Ook bij de school voor het huis van Trui van Inte ligt zand. De jongste, Flerik, is ernstig ziek. Flerik strijdt met de dood. Elke dag is er wel een begrafenis. Jan Kroeze doet zijn werk, want ’s avonds moet hij met een roeiboot een stuk buiten Urk varen met een bijzondere last aan boord. Het zijn stalen gamellen van het Witte Kruis met de faecaliën (ontlasting) van de zieke mensen, Deze stoffen mogen niet met de kar mee en ook niet in het riool gegooid. Jan roeit zo een stuk buiten Urk en gooit ze daar in de zoute zee, als de eb loopt, leeg. Hij boent ze met veel lysol schoon. Hij is nu in dienst van dokter Vonk en deze zorgt dat Jan geen besmetting oploopt.

    Slot volgt, JtN