Tag: Tweede Wereldoorlog

  • 2 mei 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (4)
    Tegen het donkere huis werd een nieuw huis aangebouwd, waarin het jonge stel Willem Pasterkamp met zijn bruid, een dochter van het schoenmakertje, die tegenover het ginkien in Wijk 5 woonde hun huwelijk begon. Vanuit dit huis kon men de Kalkenstraat recht doorkijken. Waar ruimte was werd er een huis gebouwd, want er was nog geen begin gemaakt met het bouwen op de gemeentewei. Het huis van Willem en zijn gade stond achter het huis van zijn ouders, waar nog ruimte was om te bouwen. Ik geloof dat Willem Pasterkamp de eester conciërgie was van het buurthuis, waarin ruimte was gemaakt voor de burgers om weelderig in het bad te gaan en onder de douche het lijf weer schoon te spoelen. De oude Hendrik Kramer gaf zijn mening over deze badgelegenheid toen hij dit gezien had. “Man, ouw op, je stappen zo in et badwoater Siloam.” Ondertussen was Hendrik Nentjes begonnen met het stellen van de bekisting om het beton te storten. Het eerste stuk werd gemaakt vanaf het huis van Pasterkamp naar de zijstraat vanuit Wijk 6. Naast het huis van Hein Ras stond het huis van Verstelle, waarin toen vader Verstelle bij zijn dochter Christien en haar man Albert van Urk woonde of misschien ook wel andersom. Verstelle was getrouwd geweest met een Urker vrouw uit de familie Nentjes. Teunis Nentjes (de Neef) noemde Christien zijn nicht. Misschien komt daar wel de bijnaam “de Neef” vandaan. Teunis leverde brood en melk aan huize Verstelle en Christien noemde hem neef Teunis. Christien sprak geen Urks, omdat thuis altijd door meester Verstelle, hoewel hij uit Zeeland kwam, de Hollandse spraak werd gebezigd. Albert, als eerste klerk en ook nog gemeente-ontvanger met een kantoortje aan huis, sprak natuurlijk ook het beschaafde Nederlands. Verstelle had twee zonen die ik gekend heb. Ze heetten Johan en Piet. Johan was getrouwd en woonde in Rotterdam. Door de oorlog moest hij verhuizen naar Gouda. Toen wij in 1956 in Gouda kwamen wonen is hij verschillende malen bij ons in de Van der Palmstraat thuis geweest. Zijn vrouw heb ik toen nooit gezien, maar Piet stond als toeschouwer bij de avondvierdaagse omdat zijn dochter daar haar kilometers aflegde. Hij werkte bij de S.H.V. in Rotterdam en is later weer terug gegaan naar die stad. Het huis waar de familie Verstelle in Gouda heeft gewoond, heeft onze tweede zoon in 1972 gekocht en hij woont daar nog steeds. De broer van Johan, Piet, was leraar op een middelbare school in Den Haag, Voorburg. De twee broeders waren in de grote vakantie altijd enige weken op Urk om de familiebanden aan te halen en te genieten van de kookkunst van zus Christien. Albert had een broer die dominee in de Gereformeerde kerk was. In mijn Goudse tijd als ambtsdrager heb ik die dominee-broer wel eens ontmoet, want hij was beroepen naar Haastrecht. Zijn ingang en zijn uitgang waren daar van grote klasse, want door gemeenteleden, jong en oud, werd hij hogelijk gewaardeerd als herder en leraar. Een lid van het domineesgezin heeft tot zijn dood toe onder ons op Urk gewoond. Hij trouwde met Antje Metz en begon zijn electriciteitsgaven ook als koopman met behulp van zijn vrouw aan te bieden aan de Urker bevolking. Het huis waar Albert, Christien en de oude Verstelle woonden in Wijk 6 vond ik een juweeltje. In het voortuintje stonden een paar grootbladerige geleide bomen. Deze bomen gaven de daar achter liggende kamer een mysterieus licht als de zon in de zomer zijn verzengende stralen naar de aarde zond. De ingang van de woning was afgesloten door een fraaie deur, waarvan de ramen beschermd werden door siersmeedwerk. Naast de deur zat op de gevel een koperen plaat met het opschrift: ‘Kantoor van de Gemeente ontvanger’. Ik zie Albert nog op de deur toelopen en zijn grote sleutelbos uit zijn zak opdiepen en met een sleutel de deur openen. Wie in huize Verstelle iets wilde aanbieden, moest aan de koperen knop trekken om luide de bel te doen overgaan. Christien of de dienstbode deden dan de deur open. Eenmaal binnen was er een lange gang en in dei gang, direct rechts, was de deur naar het kantoor van Albert van Urk. Bij de reciteervereniging ‘Dindua’ heb ik drie voorzitters meegemaakt. Dat waren Gradus Metz, Hendrik Snijder en als laatste Albert van Urk. Albert vond het heerlijk werk en voelde zich onder Dindua’s mannen volkomen in zijn sas. Twee reizen per schuit met ‘Dindua’ waren volgens hem hoogtepunten in een korte mannen-vakantie. Zo kwam het ook dat wij in de oorlog te zijnen huize de eindvergadering hielden. Eén der leden bood aan om na het diner vrouwe Christien de helpende hand te bieden om de tafel op te ruimen met de volgende woorden: “Mevrouw, ik zal u mijn mannelijkheid tonen.” Deze uitspraak heeft dat betreffende lid jaren achtervolgd.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Ooit was er een saneringsplan. Dat was onder burgemeester Schipper in de jaren ’60. Een ingenieur, Kraayhagen (we hoorden ook: Kraayenhage) was de ontwerper van een even rigoureus als stoutmoedig plan, dat de wijken 1 tot en met 7 omvatte. Van de oude dorpskern zou vrijwel niets overblijven. De journalist Joh. G.C. Kooiman liet in het geïllustreerd christelijk weekblad ‘De Spiegel’ van die dagen voor- en tegenstanders aan het woord. Het plan verdeelde Urk in twee kampen en ging uiteindelijk niet door. Gelukkig maar ,verzuchten we nu, na vele jaren. We moeten er niet aan denken dat de oude dorpskern zou zijn weggevaagd, inclusief de Bethelkerk. Ook dit karakteristieke hoekje zou definitief verwezen zijn naar de rubriek ‘Urk in oude ansichten’. Waar bevinden we ons en wanneer zag het er zo uit? De foto is van 1928 en we zien een gedeelte van Wijk 1. Links zien we de panden Wijk 1 nr. 80 en 79. Aan de andere kant dreef Marij van Lubbertje geruime tijd haar kruidenierswinkeltje, bij velen nog in herinnering. Het was een knus winkeltje met, als wij het ons goed herinneren, koperen weegschalen. Recht voor ons, het huis met het puntdak, zien we de winkel van Harm Hendrik Gerssen en Jacobje Keuter, Wijk 1 nr. 70. Het pand, nieuw opgebouwd, draagt nu de naam ‘’t Ussien’ en wordt bewoond door de weduwe Schraal-van Hoorn. Daarnaast woont, op nummer 71, de heer Tijmen de Boer en op nummer 72 (niet zichtbaar) woont de weduwe P. Korf-Kramer. Zij en haar man, Egbert, hadden een zuivelwinkel op nummer 67. In die woning woonden vroeger twee burgemeestersdochters, de dames Kagei, van wie er één luisterde naar de voornaam Regula. Het pand grensde aan het voormalige hotel-café-restaurant Schraal, nu Chinees-Indisch restaurant ‘Hai Li’. Op de voorgrond, begrensd door schutting en ‘uffien’ zien we het erf van Hendrik Hoefnagel, ooit kapitein op één van de Urker boten. Het straatje leidt via een bocht naar hotel Van Woudenberg. We keren nog even terug naar dat saneringsplan. Het is vooral te danken aan de inspanning van wijlen Lub Kramer (Lub van Jan van Bubbe) dat de oude dorpskern bewaard is gebleven. Hij schreef een verweerschrift dat op Urk huis-aan-huis werd verspreid en omdat hij op Urk grote achting genoot kreeg hij veel medestanders. Uiteindelijk zou Urk zichzelf saneren en bleef het oorspronkelijke karakter van de bebouwing grotendeels bewaard. Gelukkig maar, zeiden we. Aan de andere kant moeten we de toenmalige burgemeester recht doen. Hij had het beste met zijn bevolking voor en de omstandigheden waarin veel bewoners toen verkeerden waren soms schrijnend te noemen.

    Het laatste jaar (14)

    Zijn zwager Van der Weel, die op de Noordweg woonde, was geëvacueerd naar Utrecht, want zijn huis was door het water onbewoonbaar geworden. Heden moesten plm. 120 mannen zich melden om in de omtrek van Zwolle voor de weermacht te werken (graafwerk). Wie nalatig was zou zich en de zijnen aan zware straffen blootstellen. Slechts 30 hebben zich aangemeld. Een vrij groot deel onzer vloot heeft vanmorgen de haven verlaten, velen zegt men zonder netten (om zich te onttrekken ?). De omroeper, ditmaal Willem L. Kramer, riep vanavond al de ontbrekenden op, dat er morgen van 9-12 nog gelegenheid open was zich te melden. Anders tot straf: hun huis in brand gestoken en als ze gevat werden naar Duitsland gevoerd.
    19 Februari. Heden de centrale keuken geopend. Al vrij druk gebruikt. Bij velen is de aardappelvoorraad al gering.

    Wordt vervolgd

  • 25 april 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (3)
    Hendrik Nentjes, die als gemeenteopzichter een grote rol speelde in dit hele gebeuren was dus een zoon van Hendrik Dubbelesz. Nentjes de postschipper. Toen ik over de Urker veehouders nadacht was het me vreemd te moede, dat Hendrik Nentjes ook een stal met een paar koeien had. Maar nuu ik de achtergrond wat uitgediept heb weet ik dat de vader van onze gemeente-opzichter nog als weduwnaar gewoond heeft naast de timmerschuur van lange Louw Nentjes, de vader van de Ober. Dat huis stond wat achteruit en de voorgevel was geheel met klimop overdekt. Tegen de voorgevel stonden altijd grote zonnebloemen á la Van Gogh. Ze stonden tussen de ramen in. Voor de rest groeide er gras in het voortuintje. De ingang bestond uit twee deuren, kort naast elkaar. Aan de eerste deur was een touw bevestigd met een ijzeren gewicht. De tweede deur was door een slot af te sluiten en had raampjes. Ik kan het me nog goed voorstellen, omdat ik met vriend Willem Nentjes wel eens eten naar de zuster van zijn vader bracht die daar haar laatste dagen doorbracht. Ook later, als knecht van Klaas Romkes, kwam ik daar aan de deur voor het bezorgen van karnemelkse pap. Aan de achterkant van dit huis, de noordgevel, was de stal gebouwd, die later eigendom werd van Hendrik Nentjes, onze opzichter. Marretje, zijn vrouw, had zich de kunst van het melken eigen gemaakt en ik heb samen met Willem wel eens de groep leeg geschept. Door Hendrik werden later de koeien afgestoten en werd deze stal met vereende krachten tot onderkomen van de toen bestaande Oranjegarde ingericht. Zonen Hendrik en Willem en de oudste dochter Jannetje behoorden tot de oprichters van deze garde, die in die tijd veel leden trok. Aan de feestdagen gaven zij enig cachet vanwege hun uniform en marsen door de straten van het dorp. De oude postschipper had dus ook een stal met een paar koeien. In die tijd was dat niet zo vreemd. Wie het doen kon hield een paar koeien om tijdens de strenge winters voorzien te zijn van melk om handel mee te drijven, want melk stond toen in hoog aanzien in de voedselketen ten opzichte van zoute bonen, wortels en aardappelen. Voordat we nu met de bewoners van de Kalkenstraat beginnen nog even dit. Jaawk van Hendrik van Dubbele kennen we nog als de eerste vader van het gereformeerde jeugdgebouw. Deze Jaawk Nentjes had een zoon, Hessel geheten, die ook bij een oom en tante werd opgevoed. Zij hadden geen kinderen en voerden een viswinkel in Nijverdal. Jaawk was weduwnaar geworden. Hessel, het jongste kind, werd in Nijverdal opgevangen en zette later de vishandel voort. Jaawk trouwde later met een weduwe, een dochter van Jaawk van Pieter de bakker, die twee dochters meebracht. Hendrik Nentjes de opzichter staat al te wachten en wij gaan vanaf Wijk 6 nummer 23 onderaan de Zegenaarshoogte in oostelijke richting naar het begin van de straat. Wij zullen proberen iets van wat wij weten van de bewoners daar te vertellen. We lopen tot aan de winkel van manke Hein en slaan dan links een ginkien in. Rechts dus de winkel in manufacturen en links een huis waar vroeger Koosje en Jan Lont woonden. Koosje was wat doof en had altijd een kapertje op. Zij was een lief, klein, breed uitgebouwd mens. Jan werkte bij Wiepke Metz op de werf en hield zich veel bezig met pek en teer. Jan was altijd vroeg op en miste zijn werk op de zondag, dus kwam hij voor kerktijd op visite bij zijn collega Jan Flip. Jan had altijd wat te vertellen en sprak nogal luid en daarbij ook nog nat. Een keer heeft mijn moeder ander brood moeten snijden omdat Jan door zijn natte spraak de boterhammen besprenkeld had. Later bedekte zij het brood met een theedoek als Jan zich aandiende. Overigens, de echte naam waaronder hij bij de burgerlijke stand stond ingeschreven was Jan Leeuwerik. In het huis van Jan en Koosje zijn later Riekelt van Nel en Bonne hun huwelijk begonnen. Tegen het huis van Jan en Koosje was een huis aangebouwd, waarvan de ingang op het smalle ginkien uitkwam. Ook waren de ramen hierop gericht. In dat huis was het altijd vroeg donker, want de afstand naar de westgevel van huize Ras was misschien twee en een halve meter. De bewoners voordat de familie Post daar zijn intrek nam zijn mij onbekend. Jan (Poetjen) Post en Aaltje hadden eerst gewoond op het later genoemde Harmen Visserplein in een piepklein huisje met een vervallen smederijtje daarnaast. Mijn schoolvriend Gerrit kon zich in dat donkere huis wel tevreden voelen, hij had daar meer ruimte op zolder. Na de familie Post kwam er weer een Jan Poet in dat huis wonen. Jan Kramer was getrouwd met Janne van Piet Koffeman en Klaasje de hulleplooister naast Wijk 6 nummer 23.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Wie jongstleden maandag naar het programma ‘Tussen kunst en kitsch’ van de AVRO heeft gekeken, zal ongetwijfeld dat schilderij van Willy Sluiter hebben gezien van de Urker man op deze locatie. In de Urker Courant van 11 mei 1912 wordt het bezoek van deze bekende Nederlandse kunstschilder met een Engelse collega vermeld. Niet alleen Sluiter vond dit buurtje karakteristiek. Bij ons thuis hangt een aquarel van het huis van Jelle Nentjes, de smid (Wijk 1 nummer 74) met uitzicht over haven en zee van de hand van Wout Keizer en de amateurschilder C.J. Kuyper was ook al gecharmeerd van dit hoekje op de haven. De foto heeft dan ook wel iets, mogen we zeggen, enig Anton Pieck gehalte met die beluikte vensters, de verweerde muur met de ijzeren muurankers, de geknotte bomen en het houten hekwerk. Het plein voor het huis had ooit een naam: Plein 1890. Waarom heette dit plein zo? We deden navraag, maar niemand kon ons tot nu toe uit de droom helpen. Het jaar 1890 was een uitstekend ansjovisjaar en bovendien bekend om zijn barre winter, maar dat lijkt ons geen reden om een plein te benoemen. Meer voor de hand liggend lijkt ons het feit dat in genoemd jaar de stoombootverbinding tot stand kwam met Kampen en Enkhuizen, maar zekerheid daarover hebben we dus niet. Van het plein valt nog wel wat meer te vertellen. In de oorlog groeven de Duitse militairen een schuilkelder, meer een overdekte loopgraaf, voor hotel Woudenberg, waar zij ingekwartierd waren, tegen eventuele beschietingen. Na de bevrijding was dat een geliefde speelplaats voor kinderen, maar niet voor lang, want er kwam een houten muziektent op het plein voor het hotel waar op zomeravonden concerten werden gegeven. Tjalling Ruiten hield er een mooie jeugdherinnering aan over, die hij beschreef in ‘Het hart in de keel’, pagina 117/118. In onze jeugdjaren had buurman Luut Kamper een vrachtboot die de ‘IJsselstroom’ heette, waarmee hij een beurtdienst onderhield op Lemmer. De boot meerde aan de kade voor het hotel. het was fascinerend om te zien hoe het Friese slachtvee uit het ruim van de boot getakeld werd. Dat gaf spanning en sensatie. Van de Urker boten hebben wij voldoende fotomateriaal en ook van de ‘Eben Haëzer’, het beurtschip van de gebroeders Romkes hebben we afbeeldingen. Maar de ‘IJsselstroom’ verdween in de nevels van de tijd. Misschien dat een van onze lezers nog een kiekje van het schip heeft liggen. Graag reactie!

    Het laatste jaar (13)

    Dezer dagen is in een straat te Deventer een brandend vliegtuig gevallen. De straat in brand; 61 dooden en vele gewonden. Dezer dagen twee rieven, een van mej. A. Knegtmann d.d. 19 Januari en een van C.J. Borghoudt d.d. 5 Januari. Beide dringend verzoek om per pakje levensmiddelen te zenden. Maar hier is ook al niet meer te koopen. Er was een paar dagen tevoren een V 1 (raket, red.) gevallen bij het kerkhof Eik en Duinen, 6 huizen in elkaar gestort, 27 dooden, een massa gewonden en in vele straten alle ruiten stuk, en dat met die felle koude en sneeuw, en glas is niet meer te bekomen. Uit Walcheren hebben ze nog niets gehoord. B. had vernomen dat te M. het water tot half de Langev. stond.

    Wordt vervolgd

  • 18 april 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (2)
    Een zuster van Marretje, Hiltjen, was ook bij een oom en tante, Hiltjen van Tromp, in huis. De oom was Frans geheten. Zij woonden in een groot huis in Wijk 6 tegenover het kleine winkeltje van Hessel Romkes. De ouders van Marretje en Hiltje woonden in Den Helder en de twee dochters werden op Urk opgevoed. Albert van Lukesien Brouwer werd verliefd op Hiltjen en ze trouwden ook. Hun eerste zoon werd Lukas genoemd en na een dochter kwam weer een zoon en deze werd vernoemd naar de man van tante Hiltjen, hij kreeg de naam Frans. Hiltjen de Vries was blijkbaar een erg doortastende vrouw, want in mijn jongenstijd werd zij Hiltjen van Lukesien genoemd. Haar man Albert Brouwer werd geen bakker, zoals zijn broers Jurie en Riekelt, maar had op de plaats waar nu de Wabu is een winkel in galanterieën en speelgoed. Op Tweede Pinksterdag hadden ze altijd op lange tafels voor de winkel een hele opstelling van ballonnen, molentjes enz. staan. Het pinkstergeld van de kinderen werd dan hieraan besteed. Broer Riekelt is wel eens met vader Lukas op visvangst geweest, maar zette dit niet door, hij werd later ook bakker. Vader Lukas was niet alleen visserman, maar liet in zijn huis, niet ver van het huis van Jan van Pieter Keuter, ook een oven bouwen en bakte brood en koek. Jurie bekwaamde zich daar in de edele bakkunst en Riekelt ging naar de wal emigreren en bekwaamde zich daar ook als bakker. Toen Wijk 7 nieuw werd gebouwd werd daar door Riekelt Brouwer een bakkerij, winkel en woonhuis gebouwd. Op het gebied van de banketbakkerskunst was Riekelt een vernieuwer. Zijn beroemde schuitjes, banket, koekjes en banketstaven waren van een uitzonderlijke kwaliteit. Geert Oost was altijd een goede klant van hem. Zoals reeds is aangegeven nam Jurie het bedrijf van zijn vader over tegenover de winkel van Jan van Pieter Keuter. Later verhuisde Jurie naar een pand tegenover zijn oude zaak. In die oude zaak vestigde zich toen Dubbele de Boer met zijn schoenhandel en schoenmakerij. Met Jurie ging het goed en hij sloeg zijn oog op het bedrijf van de familie Hoekstra tegenover het kerkplein. Hier werd een zeer modern bedrijfspand van gemaakt om de bakkerskunst tot grotere hoogte te stuwen. De winkel was één van de modernste voor die tijd met veel glas, gevat in zilveren buizen en dragers. Leendert Hakvoort was daar zijn meesterknecht. Zelf heb ik nog als kransjesbakker en duvelstoejager in de bakkerij van Jurie gewerkt toen ik zogenaamd nog in dienst was van Frits Bode in verband met de nieuwbouw van Bode’s bakkerij, toen de kransjesroes nog in volle hevigheid woedde. Lukas Brouwer, de oudste zoon van Hiltjen en Albert was toen bij zijn oom Jurie in dienst. ’s Morgens bakken en ’s middags samen met Jacob Roos en Gerrit Brands het baksel per broodkar aan de man of vrouw te brengen. Voorwaar, het was een gezellige tijd. Jurie probeerde ook zijn bakkersprestaties naar een hoger plan te brengen. Zijn brood stuurde hij wel eens op naar een tentoonstelling en menige prijs sleepte hij in de wacht. Zijn specialiteit waren de roombolletjes. Het recept voor de room had Jurie als een alchimist uitgedokterd. Zijn tweede vrouw Grietje kookte het en ik mocht het uit de keuken halen om op de broodjes te smeren. Het voorlaatste bedrijf was dan tegenover de schoenmakerij van Evert de Boer gevestigd, toen Jurie verhuisde naar het onderkomen van de Hoekstra’s, ging Louwe van Okke hier een groentenwinkel uitbaten. De man van Hiltjen stierf op jonge leeftijd en Hiltjen stond er toen alleen voor. Als de weduwe A. Brouwer ging zij verder door het leven. Die naam leefde voort als ‘WABU’ in het bedrijf dat door de zoons werd voortgezet. Hiltje stichtte een hotelletje en gaf onderdak aan reizigers en vertegenwoordigers. In de kelder werd een limonadefabriekje gesticht. Frans bekwaamde zich door studie als een echte Brouwer in het maken van limonadegazeuse. Door de kinderen van Albert en Riekelt werd voortgebouwd op het werk van hun ouders, maar het bedrijf van Jurie Brouwer is teloor gegaan. Ja, zo kom je op andere wegen en personen als je de Kalkenstraat wil beschrijven en de mensen die daar woonden.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Lange tijd, in ieder geval sinds 1890, was deze straat één van de twee invalswegen, je zou ook kunnen zeggen uitvalswegen van Urk. De hoogte naast de uitspanning van Frans en Dinie Brouwer (‘Wabu’) gaf namelijk toegang naar de boothaven, waar de boten van en naar Kampen en Enkhuizen afmeerden. Je kon dat (en kunt nog steeds) dat gedeelte van de Westhaven slechts op twee manieren bereiken. Via deze hoogte of via de hoogte nabij de havenmeesterswoning. De ‘Ostera’, die enige tijd de dienst op Amsterdam onderhield, meerde op een andere plaats, als we ons nog goed herinneren was dat de Dormakade. Niet vreemd dus dat we op het uithangbord links een wervende tekst zien voor souvenirs en ansichtkaarten. In het pand rechts op de foto woonde Willem Kroeze met zijn vrouw Willempje. Willem was een broer van Jan Kroeze, op Urk wel bekend. Nu wordt het inmiddels vernieuwde pand, Wijk 1-63, aan de zuidzijde bewoond door Greta Oost en aan de noordzijde door Fedde Veenstra. In het pand daarnaast woonden, toen deze foto werd gemaakt, Jacob Nentjes en zijn vrouw Nanne van Inte. Zij waren de ouders van onder andere Dubbele en Willem Nentjes. Dubbele was vishandelaar en Willem was ijsverkoper. Zijn ijstent (hij had trouwens ook een ijskar op luchtbanden) staat hier voor de ouderlijke woning op Wijk 1-64. In onze jeugd kostten de ijsjes respectievelijk vijf en tien cent. Over de activiteiten van de familie Brouwer schreven wij eerder. In de kelder onder de door hen gerunde uitspanning werd de basis gelegd voor het Urker limonadewezen. Later verhuisde het expanderende bedrijf, eerst naar het Urker Industrieterrein, nog weer later naar Kampen. Een experiment met het vervaardigen van wijn mislukte. Het vat met rode bessen, waaruit de grand cru had moeten ontstaan, ontplofte voortijdig. Dat was in de oorlogsjaren en het verhaal is van broer Iede uit Terneuzen. Naast de familie Brouwer woonden Klaas van Veen en Marretje Hoefnagel met hun gezin op Wijk 1-66. Egbert Korf dreef op nummer 67 zijn zuivelhandel en kruideniersbedrijf. Egbert was ooit Indië-ganger en vermaard lid van de vereniging ‘Dindua’, een vrolijk en veelzijdig man. De ijstent verdween en het pand daarachter herbergt nu de boutige ‘Unique’, gerund door Jeanette van Middendorp, in lederwaren. Frans Brouwer, de uitbater van de ‘Wabu’, was een uitstekende voordrager. Tijdens het declameren van een gedicht gewijd aan de bijbelse koning Saul en dat eindigde met de woorden ,,Mijn speer!” maakte hij zo’n suggestief gebaar, dat toehoorders achterom keken waar dat wapen, trillend in het achterschot van een oud Overijssels kerkje, terecht was gekomen. Tot de volgende keer!

    Het laatste jaar (12)

    Ze zullen aanstaande donderdagmorgen naar Kampen worden gebracht. De kapitein Jan Hakvoort vertelde dat in Amsterdam goed gekleede vrouwen hem om een droge boterham smeekten. De honger en de sterfte moet er groot zijn. 16 Februari. Gistermorgen was Johan met Hessel Keuter, Heetebrij, Iede G. Snoek om 11 uur reeds te Blokzijl, doch Iede Snoek is gauw per fiets naar Kampen vertrokken om de boot naar Urk te halen. Volgens hem was te Blokzijl en omtrek alleen met ruilwaren iets te bekomen. Onderweg zag Iede o.a. bij Genemuiden het land overal diep onder water en van de stuk geslagen boerderijen, schuren enz. spoelde het hout tegen den dijk waarover hij reed. Iede was kort tevoren in Amsterdam geweest en vond de toestand vreeselijk. Talrijke sterfgevallen, kinderen in massagraven in papier, de leege doodkisten terug om anderen in te leggen, grootere lijken in kartonnen hulsel, vaak per handwagen naar het kerkhof. Het broodrantsoen per week is 500 gram, 1 kilo aardappelen. Een heer kocht van hem, toen die toevallig een paar broodbonnen A bij hem zag, die twee voor 50 gulden.

    Wordt vervolgd.

  • 28 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Allemeneur zegt de Fraansman
    Oenze Bape, je moeten wat minnezieren mit eten, je binnen dikken in vet genoeg. Ja, lot ’t foederezieren an mij over, in as ik vor de petaozie zùrg, dan vergeet ik m’n zelf niet. Ik bin niet zo krimmenîelig as jie. Maar as je zo rei binnen, avvezier je niks, in je verslabbezieren je boeltjen. Wat is je kesse beskandelezierd, in om je biebel zit gien kappetoris maar, dat is toch gien rezon. Ik kan ’t ok niet elpen. De kiengeren verrinnewieren alles. Klaos èt m’n kesse zo verdestewierd toe ik niet in eus was. In toe ik ’m op z’n falie gaf, ging ie ’t zo destelaot an, dat de buren kwammen kieken wat we vor meleur adden. Maar ’t is waor, ik eaw een skaverottig boeltjen. Moet je nou mit zókke petienesen an lopen? Ei je gien knappe meulen maar? Je kunen ze vor een skaviele prees kopen. ’t Is ok skandaolig dat je mit stókkende mouwen lopen. Ik eaw nog wel een leppien vor je, in je skappeleur erbij. Je binnen een stók sacherijn om zo te kondiezen. Wiet je nog maar op m’n an te marken? Ik ouw ervan wt vor m’n kontantemint t’ eawen, dat komt een mins toe. Ik bin niet zo maltintig as jie. In lotten we ’t nou maar es over de kost eawen. Wat eet je vandage?

    – allemeneur – toe dan maar (á la bonheur)
    – minnezieren – minderen (s’ amoindrir)
    – foederezieren – etenswaren inslaan (fourrager)
    – petaozie – eetwaar (potage)
    – krimmenielig – zuinig, gierig (criminel)
    – avvezieren – vooruitkomen in zaken (avancer)
    – verslabbelezieren – beschadigen (scandaliser)
    – kappetoris – kaft (capoter, courverture)
    – gien rezon – dat geeft geen pas (raison)
    – verrinnewieren – vernielen (ruiner)
    – verdestewieren – kapot maken (destruire)
    – ’t destelaot angoon – verschrikkelijk schreeuwen (desolation)
    – meleur – ongeluk (malheur)
    – skaverottig – in slechte staat, beschadigd (scabreux)
    – petienesen – rare schoenen of sloffen (bottines)
    – skaviel – schappelijk (civiel)
    – skappeleur – knippatroon
    – sacherijn – allemansverdriet (chagrin)
    – kondiezen – bevelen, bedingen (conditionner)
    – kontantemint – gebruik, deel (comptant, contenter)
    – maltintig – overdreven voorzichtig (malentendu?)

    Het laatste jaar (9)

    27 November. Eindelijk vanmorgen een brief uit Voorburg, geschreven 15 november, gestempeld 17 november en bij Jojohan en Lies alles wel. In Voorburg waren (tot viaduct) dekens en mannenbovenkleding gevorderd. In Zoetermeer werd voor een mud aardappelen 85 gulden en meer gevraagd. Nog één uur gas per dag. In Zutphen een munitietrein ontploft, de Deventerweg vernield, daarna in de buurt van Da en Henk een voltreffer. Henk en Da ongedeerd.
    29 November. Een brief van Piet. Alles wel, maar ze hebben veel angst uitgestaan bij de bomaanval op het station. Ook de tunnel aan ene zijde erg beschadigd. Duurde met tussenpozen van ’s morgens 7.30 tot n.m. 5 uur. Ook op de Boelenkade en Graaf Florisweg enz. bommen. Veel dooden en gewonden. Gelukkig bij Piet geen verlies, een ruit stuk. Ook daar de bovenkleding vordering (jassen). Een dag later werd bij hen die niet ingeleverd hadden het huis doorzocht en leeggehaald.
    9 December. Vandaag weer, evenals gisteren, drie keer luchtalarm. Telkens massa’s vliegtuigen over Urk. Eén moet een zak met chocolade en snoeperijen en ook thee hebben geworpen. Sint Nicolaas, doch ’t kwam als buit bij de Duitsers terecht.
    7 December. Vanuit Kampen gehoord dat daar en in Overijssel heden voor ’t laatst electrisch licht zal branden. De omroeper maakte bekend dat ons rantsoen in November nog 10 K.W.) is verlaagd tot 7 K.W. Wie meer gebruikt wordt onverbiddelijk afgesneden. De lamp mag hoogstens 40 kaars zijn. Controle.
    10 December. De collecte voor het Roode Kruis heeft in de Gereformeerde kerk heden opgebracht ruim 1700 gulden, totaal bijna 2000 gulden.
    11 December. Buurman Hein Koffeman met de anderen weggevoerd, is wegens afkeuring hedenavond teruggekeerd. De anderen zijn bij Meppen, plm. 1200 mensen, in een school ondergebracht. Geen zwaar graafwerk, eten en ligging (in hooi) goed. De predikanten Spijker en Pietersma voor geestelijke verz. maken het best en dokter Andriesen heeft toezicht als geneesheer.
    14 December. Ik ben heden 82 jaar, maar Piet noch Johan konden komen, geen reisgelegenheid. Ook geen brieven als vorige jaren.
    16 December. Toch nog een brief van Piet van W. en Jenny van 3 december. Chr. Vermeulen roodvonk gehad, verzorgd door Bram, heeft sedert de wegvoering van haar man niets meer van hem vernomen. Jac. V. mag (na) operatie naar zijn woonplaats Heenvliet, op een geleende fiets terug gesukkeld. Jenny schrijft nu dat ook te Rotterdam geen electrisch licht meer brandt en geen trams meer rijden. Per omroeper maakt de commandant bekend dat blijkens de boekhouding van de afslag vrij wat visschers niet gevischt of geen visch aan den afslag gebracht hebben. Wanneer zij zulks nalaten zullen ze direct naar Duitschland gestuurd worden. Deze week is Zwolle zwaar getroffen, vooral de omgeving van de Thorbeckegracht en Zwarte Water. Veel dooden.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    We verlaten de Westhaven en gaan de hoogte op naar het oude raadhuis en de Bethelkerk. Bovenaan die hoogte (rechts) stond het huis van Jannetje Snijder, onder ons bekend als ‘de kleine’. Een gedeelte van haar woning zien we uiterst rechts op de foto. Op diezelfde plek staat nu een nog niet betrokken nieuwbouwwoning. In het grote huis daarnaast woonde vroeger Klaas Kramer, de vader van de latere gemeente-ontvanger Willem Kramer, die er ook lange tijd heeft gewoond. Nu wonen er Hendrik Pasterkamp en Riek (van Klaas Jelle) Koffeman, Wijk 1 nr. 53. In het pand Wijk 1 nr. 54 (met de witte gevel) woonde Hendrik Pasterkamp, die werkzaam was bij de posterijen. Later werd de woning betrokken door Maarten Post en Alie (van Riekeltje) Post-Visser. Op Wijk 1 nr. 55 woont nu Willem de Jong. Jacob Wakker en Ilse Wakker-Schrijver wonen op Wijk 1 nr. 56. Ooit woonden hier Lucas (‘Juun’) Schrijver en Hiske Bakker. Juun was een van de grondleggers van de Urker visexport en als zodanig verdient hij een plaats in de eregalerij der pioniers op dat gebied. Hij was een gewaardeerd lid van de Chr. Reciteervereniging ‘Dindua’ en in die kwaliteit was hij een bekwaam dus gevreesd debater. Op Wijk 1 nr. 57 vinden we nu nog de historische zeilmakerij van de familie Snijder. Een gevelsteentje geeft nog het jaartal aan waarin dit gebouw werd neergezet. Klaas Snijder is de laatste van dit roemruchte geslacht die het aloude ambacht nog beoefende. Een andere Snijder, Willem van Tuus, bewoonde het grote pand links op de foto. Hij dreef er een winkel en had er zijn boerenbedoening. Als we ons goed herinneren bevond de hooizolder zich aan de oostzijde van het pand. Een foto van Willem is terug te vinden op pagina 139 van het boekje ‘Veranderd Land’. Hij deelt de pagina met Willem van Pieter Nentjes, zo mogelijk met een nog markanter kop. Die boeren van toen, een eigenzinnig slag volk, taai en onverzettelijk. Het huis werd na de Tweede Wereldoorlog afgebroken, de bomen waren toen al gerooid. Dezer dagen vonden wij in ons archief een kaart uit 1891 van ir. A. Keurenaer van Rijkswaterstaat. Daarop is de oude school nog te zien op de plek waar nu Museum ‘Het Oude Raadhuis’ gevestigd is, dus aan de overkant van de huizen op deze foto. De berg tussen de vuurtoren en het Kerkje aan de Zee werd toen nog het ‘Hooge Klif’ genoemd. Eens heeft een grote weide zich uitgestrekt van de vuurtoren tot de Bethelkerk. In twintig jaar tijd (1870 – 1890) verrezen hier vier rijen huizen, de eerste Urker nieuwbouwwijk die wij nu kennen als Wijk 3.

  • 21 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Onger de kost
    Mimme, ik eaw zo’n peende in m’n narm.
    Da’s de gruui. Ei je alle booskippen?
    Och eden, nou ei je d’ eek vegeten. As je gat los zat, vergat je dat nog. Nou, we kunen eten. Moet je zo an vallen? Dat eawen we je niet elaard.
    Mimme, ik lust dat gulle vet niet, in nou eaw ik ok zo’n peende op de vreve van m’n bien.
    Dat komt van de klomp. Ik zal je aans wel er’s wreven mit een bietjen zuut’ eulie, dat wil wel dr’s elpen, maar eet nou eerst je bord leeg, je zitten maar te tiezen in te kieskealen.
    Ik lust niet maar, oor.
    Lot Jan je bord dan maar leeg eten. Die èt z’n perlot al wel ad, maar die is niet te verzaodigen; of ie gien beum in z’n mage èt. Je kregen nog een buk as ’n kemiel. Je moeten maar wat minnezieren mit eten. Ei je wel d’rs oord van die man die ’m dood egeten èt?
    Nou, dat zal wel een fabeltjen wezen, as je niet eten, goon je aarder.
    Er leggen er angers maar van te vuul eten op ’t karkhof, as van te weanig eten, wiet je dat wel? In wie alles op it, zal nooiten wat worren in de warreld. Wiet je wel, dat er een skip mit zeal in treal duur een naaw keelgaotjen kan?
    Dat zou ik wel d’rs willen zien.
    Nou, daor oef je zo vaar niet vor te lopen.

    – peende in m’n narm – pijn in m’n arm.
    – da’s de gruui – dat is de groei.
    – eek – azijn.
    – zo anvallen – beginnen met eten zonder gebeden te hebben.
    – ’t gulle vet – klinkklaar niet aangelengd vet.
    – de vreve van m’n bien – de bovenkant van m’n voet.
    – zuute eulie – slaolie.
    – tiezen, kieskealen – met lange tanden eten.
    – perlot – deel.
    – beum – bodem.
    – minnezieren – minderen.
    – aarder – eerder.
    – een skip mit zeal en treal – een volledig getuigd schip.
    – ’t kan duur een naaw kealgaotjen – d.w.z.: door veel en lekker eten kan men het bedrijf ruïneren.

    Het laatste jaar (8)

    17 November. Etje meldde (telef.) dat haar man en Christiaan niet meer in de gevangenis te Leeuwarden zijn, maar overgebracht naar een dorp bij Assen (Daarloo) om daar te werken. Ze zijn daar thuis bij een Gereformeerde boer.
    18 November. Een groot aantal Duitse militairen kwam hier heden aan, waarna per omroeper bekend gemaakt werd dat alle mannen boven de zeventien jaar op de Berg tusschen school en kerkhof zich moesten melden en voorzien zijn van hun persoonsbewijs. ’t Was al vrij donker toen de menigte zich in twee groepen moest verdeelen, mannen boven de veertig jaar en daar beneden. De laatsten zag ik de schoolgang in gaan. Gisteren is een grote razzia in den polder gehouden onder de daar werkzame arbeiders en eenige honderden gevangenen, ook Urkers als Jan Vonk, Willem van buurman Jan R. Pasterkamp, Lub, Ale’s vrijer.
    19 November. Van velen die een schuilplaats in het riet gezocht hadden en er een kouden, natten, angstigen nacht doorgebracht hadden, kwamen vanmorgen Hessel D. van Urk en Gerrit F. Barends over den Dijk naar Urk. Gisteravond laat moesten velen hier inkwartiering dulden nadat die soldaten in vele huizen in Urk-oost huiszoeking hadden gedaan. Om ongeveer half elf ging gisteravond de bel van den omroeper Willem Post door de gemeente, meldend dat de huisgenoten van hen, die om tien uur nog niet uit de school teruggekeerd waren, aan de hunnen boterhammen, een deken en een overjas konden bezorgen. Hedenmorgen zijn die menschen, ik hoorde van A. 98 personen, weggevoerd, o.a. de predikanten Spijker en Pietersma, de onderw. Laferte en Lub M. Kramer, de groenteh. Jelle L. Kramer en buurman Hein Koffeman, Jan L. van Dalfsen enz. Buurman Abraham A. Ras, Jac. L. Loosman en anderen op de verklaring van de geneesheeren weer vrijgelaten.
    22 November. Al die menschen zijn, na eerst bij Vollenhove verbleven te zijn, thans naar Meppel vertrokken. Ds. Doorenbos is nog te V(ollenhove) bij zijn zoon geweest. In Kampen moeten duizenden gebracht zijn en zeer vele zieken in hotels, gehoorzaal enz. zijn. Heden vier keer luchtalarm, even zonneschijn.
    26 November. Bij den aanvang van de dienst in de kerk zei me dokter Vonk, dat dokter Andriessen (die naar Meppel was gegaan, men zegt om ds. Spijker een pakje te brangen) daar insgelijks is vastgehouden. Voor het eind der godsdienstoefening luchtalarm, dus met allen in de kerk moeten blijven tot men buiten mocht. W. Metz, die leeskerk gehouden had, liet enkele psalmverzen zingen en toen het orgel de wijs van ‘Een vaste Burcht’ begon, werd al gauw het eerste en tweede vers meegezongen. Daarna ‘Als g’ in nood gezeten.’ Voor het tweede vers nog werd luchtalarm afgeblazen.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    We zouden, zoals beloofd, terugkeren naar de Westhavenbuurt en onze wandeling voert ons naar de achterzijde van de gebouwen die we in de vorige aflevering beschreven. Hoed af, beste lezers, want we zijn aangekomen op een wel zeer bijzondere plek, het gebouw van de vereniging ‘Hulp en Steun’ midden op de foto. Die vereniging is misschien wel de oudste vereniging die ooit op Urk heeft bestaan. Al aan het eind van de achttiende eeuw wordt gewag gemaakt van een ijsvlet met bemanning, die wordt vermist. Het Heilig Avondmaal werd onder die omstandigheden uitgesteld. En daarmee zijn we meteen bij de bestemming van het gebouw: loods van de ijsvletten, boetzaal en vergaderlokaal. Toen deze foto werd gemaakt was de ijsvlet reeds verleden tijd. Met de ontsluiting van Urk (1947 – 1948) werd de ijsvlet overbodig, evenals de bootverbinding met Kampen. De laatste vlet ging naar het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen en de boten van de Eerste Urker Stoomboot Mij. werden de een na de ander opgelegd en vervolgens verkocht. Die ijsvlet bracht in strenge winters, als de lijnboten wegens ijsgang niet konden varen, de post naar het eiland Schokland, waar ze werd overgenomen door de Kamper ijsvlet. Die laatste vlet had de post voor Urk aan boord en op Schok werd van vracht gewisseld. Ook ernstig zieken werden wel met de vlet vervoerd. Dat lijkt erg simpel, maar dat was het in de meeste gevallen helemaal niet. Het is gebeurd dat een vlet die op donderdagmorgen vertrok eerst op de late zaterdagavond terugkeerde. Er moest toen gefakkeld worden om de dodelijk vermoeide bemanning naar Urk te loodsen.
    De tijd van de ijsvlet ligt ver achter ons. Op de plek van het gebouw ‘Hulp en Steun’ staat nu een van de bedrijfsgebouwen van Piet Brouwer. Piet, de vervaardiger van ‘onze’ ijsvlet aan de dorpsingang, liet een sculptuur van zijn hand inmetselen in de zuidmuur van het gebouw.
    Bijna alle panden op deze foto zijn verdwenen. De achterkant van de oude visafslag, links op de voorgrond, was enige tijd als woonhuis in gebruik en nog weer later als kantoor van de Coöperatie. Alleen de woning van Hendrik en Ede Gerssen, onder aan de hoogte, staat er nog. Ale Keuter-Snoek, dochter van Gerrit Snoek, woonde er het laatst.

  • 21 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen (slot)

    Zo kaol as een leus (zo kaal als een luis).
    Zo grees as een deuve (zo grijs als een duif).
    Zo doof as een kwartel.
    Zo ziek as een krabbe.
    Zo misselijk as een katte.
    Zo zwart as een todde.
    Zo mager as een roek.
    Zo mager as een spiering.
    Zo koud as een kommetjen.
    Zo vet as modder.
    Zo mager as een skram.
    Zo geel as een darg.
    Zo geel as saffroon.
    Zo wit as pisse.
    Zo rood as een kraol.
    Zo wiek as snot (wiek is week).
    Zo zuur as eek (eek is azijn).
    Zo dunne as een stopnaolde.
    Zo vast as een eus (eus is huis).
    Zo mistig as een gat.
    Zo blede as blik (erg blij).
    Zo lek as een maande.
    Zo lek as een wiege.
    Zo dronken as een punter, as een kenon, as een toeter.
    Zo ard as een spikker (spijker).
    Zo slop as een vaotdoek.
    Zo skoon as zulver.
    Zo skoon as een wintjen.
    Zo zaft as zede (zo zacht als zijde).
    Zo gaor as botter.
    Zo glad as een bel.
    Zo steef as een dol (erg stijf).
    Zo skeaf as een drol (erg scheef).
    Zo lank as de dag.
    Zo zwart as aarde, as de nacht, as kool teer, as een dier.
    Zo gek as een uie.

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon
    Binnenkort gedenken wij dat de Tweede Wereldoorlog ook Nederland niet voorbij ging. Tien mei was de overval op ons kleine landje aan de zee. Dit is nu 62 jaar geleden. Op zondag 3 september 1939 verklaarde Engeland zich in de oorlog met Duitsland. Dit laatste gaf ook voor Nederland problemen. Wij wilden neutraal blijven en om die neutraliteit te beschermen werd de mobilisatie afgekondigd. Ik was toen in dienst van de E.U.S.M. Leeftijdgenoten waarmee ik voor de dienst gekeurd had, waren al in dienst opgeroepen. Ik was tot buitengewoon dienstplichtige gebombardeerd, maar later kreeg ik toch bericht dat ik in juni 1940 op moest komen bij de luchtdoelartillerie. Dit laatste is natuurlijk niet doorgegaan. Veel, in mijn ogen oude Urkers, moesten hun soldatenkloffie aantrekken. Soms paste het niet meer en ook was het lichaam niet meer in die positie om frank en vrij het vaderland te dienen.
    Dit laatste was het geval met Riekelt (Verkos) Pasterkamp. Deze toenmalige stencil- en drukwerkverzorger groeide door een of andere oorzaak steeds meer met zijn neus naar de grond. Toen hij in matrozenuniform met de boot meeging om zich te melden, zei hij tegen mij: ,,Nou Jan, ik ben vanavond wel weer terug uit Den Helder, wat moeten ze nou met mij doen?” Maar hij was ’s avonds niet terug. Zij hielden hem vast om het vaderland te dienen. Toen hij met zijn eerste verlof kwam, zag hij er een stuk beter uit. Zelf opperde hij ,,dat hij door een heel goede dokter behandeld werd en dat die hem beloofd had dat er een heel andere Riekelt zou afzwaaien. ,,Dit laatste is ook gebeurd. Hij werd gekneed en gevormd zodat het voor ons een wonder leek. De oude Riekelt was een heel nieuwe soldaat geworden van de kustwacht. Ik trof natuurlijk op de boot veel verlofgangers die hun wederwaardigheden vertelden. Zo was Jo Gerssen, de manufactier, kok in Kampen bij de troepen. Gezellige avonden aan boord in Kampen met als traktatie een stuk worst waar Jo voor zorgde. In Enkhuizen waren ook oorlogsbodems gestationeerd met daarbij gevorderde sleepboten van de Zuiderzeewerken. Ze lagen tegenover de Harlinger steiger in het Krabbersgat. In de haven lag een oorlogsbodem die wij ‘strijkijzer’ noemden. Het was een oud beestje, want alles was uit de figuurlijke mottenballen gehaald. Ik had een goede ingang bij de opvarenden van deze oorlogsbodem. In het begin was het een beetje chaotisch, maar later liep alles volgens goede marine-tradities.
    Zo was op een mooie septemberdag de kok aan het piepers jassen, heerlijk in de zon aan dek. De man was een kunstenaar, want van de grote aardappels maakte hij koppen van grote politieke figuren zoals Hitler, Musolini, lord Eden, Churchill enzovoorts. Later hoorde ik dat deze man in het dagelijks leven beeldhouwer was, ja zelfs een hele goeie.
    Voor een karig loon moesten de medewerkers van de E.U.S.M. lange dagen maken omdat er boten gevorderd waren ten behoeve van het evacueren van bewoners die in het gebied van de Waterlinie woonden. Deze boten moesten altijd bemand wezen en onder stoom liggen. Deze boten lagen ergens in de rietlanden bij Amsterdam. Mijn eigenlijke werk, dat van hofmeester, werd mede hierdoor ook verzwaard, daar ook nog andere taken op mijn schouders werden gelegd. In die tijd voelde ik het bekende gezegde van Gerrit Snoek: ,,Help effien, je lopen doar toch”, in variatie op mij toegepast.

    Wordt vervolgd, JtN·

    Bij een oude foto

    We staan hier voor een tweesprong die vanwege de hoogteverschillen op Urk een ‘vork’ genoemd wordt. Die vork wordt bepaald door de veestallen van Jelle en Meindert Hakvoort. Rechts zien we nog net een gedeelte van de Bethelkerk. Links zien we de voor die tijd moderne woning van Hendrik Romkes, ooit kapitein van een der boten van de E.U.S.M. Zoon Klaas koos een ander beroep, dat van grossier in kruidenierswaren. Als we goed zijn ingelicht heette een van zijn producten Ralazijn. ‘Ral’ was de afkorting van ‘Romkes Als Leverancier’. Stenen huizen met een puntdak kwamen op Urk maar weinig voor. Het afhellende veldje tussen de Bethelkerk en de haven was vroeger in gebruik als taanhek. Om de netten van de vissers te verduurzamen moesten ze van tijd tot tijd worden getaand. Dat tanen (of toonen zoals het op Urk werd genoemd) gebeurde in een taanketel, die eerst gevuld werd met water. Onder de ketel werd een vuur gestookt. Als het water heet genoeg was, werd er eikebast of cachou aan toegevoegd. Cachou (eigenlijk caoutchouc) is een extract van de Indiase acaciaboom. Gedurende de Eerste Wereldoorlog moest men bij gebrek aan cachou een vervanger zoeken. Dat was eek, getrokken van de eikenschors. Het werd uit Brabant aangevoerd. Naast de taanketel stond meestal een eenvoudige hijsinstallatie, bijvoorbeeld een mast met een laadboom, waarmee de netten en het touwwerk naar boven werden getakeld. De netten werden na het tanen per kruiwagen naar de botters en schuiten vervoerd. Het proces van het tanen verspreidde een penetrante geur, die zich hechtte aan de kleren. In alle Zuiderzeevissersplaatsen waren wel taanketels te vinden. In Vollenhove werd het tanen door de vissers zelf gedaan. De taanketels werden dan wel verhuurd aan collega’s. Met de komst van het nylon en andere synthetische vezels werd het tanen overbodig en verdween een oeroud ambacht langs de boorden van de Zuiderzee. Daarmee verloor ook de taanhoogte zijn functie. We weten dus wanneer het ophield, niet wanneer het begon.
    Op een kaart van het eiland Urk uit de Napoleontische tijd staat al een ‘taanhuys’ of ‘taanderij’ vermeld, ongeveer op de plek van de ‘oude’ scheepswerf Metz. Op de voormalige taanhoogte werden nieuwe huizen gebouwd, nu bewoond door Willem Kramer en zijn vrouw Mina (van Sijtje) en Peter Venema en zijn vrouw Jannie Kramer. Ook op de ‘vork’ verrees een nieuwe woning die wordt bewoond door Meindert en Nellie Kramer.