Tag: Toilet

  • 31 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen
    Zwîeten as een otter.
    Zeupen as een kaoter.
    Lopen as een kieft (kievit).
    Zwimmen as een eandepiel (eendekuiken).
    Vechten as armeluien (hermelijnen).
    Skreawen as een mager varken.
    Bloen as een reager (bloeden als een reiger).
    Eten as een dikkert.
    Eten as een ouwe soldaot.
    Vloeken as een ketelboeier (ketelboender).
    Warken as een knuut (hard werken).
    Janken as de pest.
    Stelen as de raven.

    Je maken je zo smerigs een dier.
    IJ zit er bij as een vink die niet kwinkt.
    Ze lopt as een inne (kip) die z’n ei niet kweet kan.
    Ze zicht er eut as een verzuupen kaoter.
    Ze lopt ermie te togen as een rotte (rat) mit z’n jongen.
    ’t Zit zo vast as een oend (hond) in z’n ouwe moer.
    ’t Lot ’m zo koud as een oendesnuut.
    IJ vligt vor m’n as een oendjen.
    IJ kîek m’n an as een groot ’oend.
    IJ lopt zo arde as een leus op een terig outjen (een geteerd houtje).
    Ik eaw een dorst as een paard.
    Je eawen een baord as een bok.
    IJ gaf zuchten as paardeskieten.
    IJ lopt net of ie de pappegaoi de kop of eskeuten et.
    Ze et de terige as een paard.
    Ze gingen je rossen as ouwe paarden.
    IJ is zo dom as ’t aftereande (achtereind) van een koe.

    Uit: Leven en taal van het eiland Urk

    TdV

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (4.)
    De meerdere taken van Jan
    In de dertiger jaren was er al wel riolering op Urk, ook hadden we waterleiding. Het water kon getapt worden uit standpompen die op verschillende plaatsen in het dorp stonden. Er waren echter maar weinig toiletten op deze riolering aangesloten. Water om te drinken werd uit de regenwaterbakken gehaald. Het leidingwater smaakte niet lekker. Ook voor de fijne was was dit leidingwater niet geschikt, het kostte te veel zeep om het water zachter te maken. Voor het spoelen van de zware baasien kleding werd het wel gebruikt en natuurlijk voor het vrijdagse straat-schrobgeweld.
    Vrijdags werden er geen praatjes gemaakt, dan was het de wekelijkse grote boen- en schrobdag. Zo was de maandag de grote wasdag.
    Een droge zomer was een ramp. De kerkenbakken werden dan geopend en voor twee centen kon je dan een ‘gank’ (twee emmers) water kopen. Je moest ze zelf putten met een akertje. Het gebeurde wel dat de gemoederen zo heet gebakerd waren, dat sommige schedels op hardheid werden beproefd door er met een emmer op te slaan en voor de afkoeling zorgde dan weer een akertje met water dat over de ruziemakers werd gegooid. Boezels werden afgerukt en hullen sneuvelden ook wel. Ondanks het feit dat het hemelwater via het dak van de gereformeerde of hervormde kerk in de bak was gevloeid, was dit geen verzekering dat de waterbevoorrading in pais en vree geschiedde. Als de kerkenbakken ook leeg raakten, werd er water met de postboot aangevoerd. De ballasttanks werden dan vol water geschept, zo uit de IJssel even buiten Kampen. Ook van hieruit werd het water per ‘gank’ verkocht. De bemanning zorgde voor de goede orde. Een spreekwoord, dat door oudere mensen op Urk nog wel eens wordt gebruikt, stamt uit die tijd. Het was een droge tijd, de kerkenbakken waren leeg en van de verschillende regenwaterbakken waren de laatste beetjes ook opgebruikt. Een lid van de Hervormde kerk had niets meer in voorraad in de bak, maar hij wilde toch graag een lekker ‘bekkien’ zetten. ,,Ik weet wat ik ga doen”, zei hij, ,,ik ga naar de Hervormde pastorie en vraag daar om een emmertje water.” Zo gezegd, zo gedaan. Hij op weg naar de pastorie. Deze werd bewoond door dominee Lingbeek. Bij de pastorie aangekomen trok onze vriend opgewekt aan de bel, gedachtig aan het lekkere water uit de pastoriebak. De eerwaarde deed zelf open. ,,Goeienavond dominee, mijn regenwaterbak is leeg en ook de kerkenbak is leeg, zou ik misschien dit kleine emmertje met drinkwater uit uw bak kunnen krijgen?” ,,Het spijt me beste man”, antwoordde de dominee, ,,dit doen wij niet!” De waterhaler gloeide van verontwaardiging en zei: “dan hoop ik dat al het water in uw bak petroleum wordt.” Kalm reageerde de eerwaarde: ,,daar heb jij je emmertje water niet mee.”
    Uit hetgeen wij hiervoor aangaven blijkt, dat het leven op Urk toen niet van een leien dakje ging. Om ziektes te voorkomen, moest soms de omroeper met een boodschap van de dokter door het dorp.
    Deze boodschap kwam dan bij de dorpeling zo over: ,,Op de fiets van de dokter moet het regenwater eerst gekookt worden voordat het wordt gedronken.” Die fiets van de dokter was natuurlijk “advies van de dokter”. Ondanks deze voorzorgen bleven de besmettelijke ziektes niet uit.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Echt steile hoogten hadden op het eiland een naam. De afhellende hoogten naar de haven heetten de Spekhoogte (bij de Bethelkerk), de hoogte van Gerrit Snoek (de middelste, genoemd naar de directeur van de E.U.S.M. die daar woonde) en de Staverse hoogte bij de Wilhelminaschool, die zijn naam dankt aan de Staverse jollen die daar in het verleden meerden. Aan de noordwestzijde van het eiland had je de Slikhoogte, die pas laat in de twintigste eeuw werd bestraat, vandaar die naam. Ook minder steile hoogten kregen soms een naam, denk bijvoorbeeld aan de hoogte van Nanning, genoemd naar de bekende groentenman Nanning Brouwer. Had de hoogte op deze foto ook een naam? Het is ons niet bekend. In 1920 moet deze foto genomen zijn. Boven de hoogte, links, woonde Jelle Hakvoort, de slager. Aan de noordzijde van de woning had hij zijn slagerij. In het midden zien we het visserslogement ‘Zeemans Welvaren’. Van 1910 tot 1931 zwaaide Jacob Nentjes hier de scepter. Daarna kwam er een Duits echtpaar in het café. Dat waren August en Ida Göwert. In 1944 werd de Rijksduitser August opgeroepen om bij de luchtwacht in IJmuiden te dienen. Na de oorlog keerde het echtpaar naar de Heimat terug. Geruime tijd dreef K.J. Coenen in het voormalige café zijn schildersbedrijf. Dat huisje rechts op de foto was bij de vissers van Stavoren, Volendam en Vollenhove (Markers en Huizers worden niet genoemd) welbekend. De vrouw des huizes, een weduwe zonder inkomsten, verkocht er een borreltje om zodoende van enige inkomsten verzekerd te zijn. Wat ouderen op deze foto zullen missen is de paardenhoefslag (‘travalje’) van Klaas de smid. Die stond onderaan de afhelling westelijk van het café. Dat duit er op dat die hoefslag pas na 1920 is geplaatst. Wie de beide foto’s met elkaar vergelijkt zal tot de conclusie komen dat er nog veel van dit karakteristieke buurtje bewaard is gebleven. We keren terug naar het begin en we fantaseren even over het ontstaan van deze hoogte, misschien in oude tijden. Immers, er waren toch al drie toegangen tot de haven? We doen een gooi. Toen Urk in de 19e eeuw een haven kreeg, deed zich een probleem voor: hoe die te bereiken, bijvoorbeeld met een kar of wagen. De bestaande hoogten waren daarvoor te steil. Het is mogelijk dat toen deze hoogte is ontstaan. Nogmaals, het is maar een veronderstelling.

  • 24 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Cees zeulde as een volgeteugd fregatskip et kantoortjen van Jaap in. IJ plofte op een stoel neer in begon mitien. Cees mos stoom ofblaozen in dat kwam goed uut want Jaap leusterde toch niet. Die was drok doende een pampier eut de printer van z’n computertjen te aolen. In zat nou te rommelen in een laotjen van z’n bueau. “Zo Cees”, zeen ie inkelt. “Ik bin vuus te goed”, meldde Cees. “Wat je zeggen, buie”, zeen Jaap op de automaat. “Nou zit ik vor ’t blok.” “Och.” “Buurmam Willem et een oud anboutjen an z’n uusjen. Een klompenukkien, zeg maar. In dat dekkien sting te verrotten.” “Aha!” Jaap viste een doossien punaizes tevuurskeen in stak et triomfantelijk in de locht. Cees kiek verwonderd nor Jaap. “Is dat zo mooi dan?” “Nee, nee,” zeen Jaap aostig, “vertel mar varder Cees. Ik zal effen dit pampier opprikken. Goon jie moar duur!” Cees nam eerst een flinke sjoef van z’n sigaar in kiek de rookkring die ie eutbloes nao. “Nou in buurman Willem et inkeld z’n AOW-tjen. Dat toe ik tugen em zeen dat ie wat an dat dekkien mos doen, kiek ie zo ongelokkig. Toe eaw ik maar ezegd dat de jonges wel effies teed adden tussen twie klussies om ’r een nijd dekkien op te leggen. IJ oefde alliendes et materiaol te betaolen.” “Mooi”, voen Jaap in prikte z’n euteprinte pamflet an de duur van z’n kantoortjen. “Dèr. Dan ku je et lezen Cees!” “Zal ik zo doen. Mar leuster eerst varder.” Jaap striek nog effen tevreen over z’n pamflet in ging zitten mit wat maar aandacht vor Cees z’n veraol. Cees ging varder. “Nou aolden ze die ouwe troep weg, blikt er asbest onger te zitten. Nou, Jaap wij warkten door gewoen mie. Mar ja dat spul is levensgevaorlik. In nou moet milieu, gemiente, provincie in, ik wiet niet wat vor ambtenaoren erbij om dat spul door weg te aolen. Ze eawen allemaol wat te zeggen. In je wieten Jaap, as ambtenaoren ienkeer goon praoten, wieten ze niet moar wannaar ze moeten stoppen.” “Dat kost een paor cinten Cees.” “Ja oenze Jaap. In wie zal dat betalen? Maa rja wie A zegt moet ok B zeggen. Dat et moet maar.” Cees ging stoon om wier vort te goon in blief vor et pamflet van Jaap stoon om te lezen. IJ begon alf ardop vuur te lezen wat er op sting. “Bij ongevallen te bellen…, eusdokter, pliesie, alarmnommer iene, alarmnommer twie, weekenddienst…” Toe ij alles op eliezen adde, draaide ie em omme nor Jaap in zeen: “Je binnen ien riegeltjen vergeten Jaap!” “Ih?” vroeg Jaap. Cees skuddede z’n oofd: “By gien ge-oor: BEL DEL!”

    KJR

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (3)

    Je moest niet toevallig langs de andere kant van de wagen lopen als de emmer geledigd werd, want dan had je de kans vreemde urinespatten op kleren of aangelaat te krijgen. Er was in die tijd niet zoveel afval als nu. Papier en hout werden verbrand in de kachel of het duveltjen. Koffiedik en theeblaren met daarbij wat restjes overgebleven eten en/of vigraten vormden de boventoon. Dit alles werd samen met de faecaliën der mensenkinderen in de kar geladen en naar de zogenaamde ‘stroentbult’ gereden en aldaar gelost en weer vermengd met de daar aanwezige koeienmest. De paardenmest zorgde voor een goede fermentatie, zodat een product ontstond dat gretig aftrek vond naar de dorre, droge, zanderige gebieden in Drente. Menig Drents gebied is daar tot rijpe volle wasdom gekomen dankzij de Urker compost. De mest moest ook afgevoerd worden en dat gebeurde per schip. Er liep vanaf de mestvaalt achter de oude vismeelfabriek, de elektrische centrale en de, wat we toen noemden de nieuwe zaak van Hoekman, een smalspoor naar de haven tot aan de werf van Metz. Via dit smalspoor werd de mest per kipkar, door een paard getrokken, naar de haven vervoerd. Hier werden de karren leeg gekiept en door de Urker werkers per kruiwagen in het ruim van het schip geladen. Stel je voor, mannen in Urker klederdracht die kruiwagens vol scheppen en dan deze met mest gevulde kruiwagens over een plank kruien naar het schip en dan deze kledderende kledder in het ruim storten. Om hun kleding te beschermen hadden sommige kruiers een oliebroek aan en een zuidwester op. Het transport van de kipkarren met de paarden werd eerlijk tussen de vrachtrijders op Urk verdeeld. Ieder kwam aan de beurt.

    Wordt vervolgd JtN

    Bij een oude foto

    We staan hier voor het pand Wijk 1 nr. 15 in het jaar 1965. In dit pand woonde Hessel Snoek met zijn gezin. Het huis was toen vijfenvijftig jaar oud. De eerste steen van het pand werd op 12 september 1910 gelegd door Jannetje van den Berg geboren Bakker. Diverse verbouwingen hebben de woning in de loop van de tijd veranderd. Gelukkig hebben de huidige bewoners, Gerrit en Jannie Post, de gedenksteen intact gelaten. Hessel Snoek, zijn naam wordt onder ons nog met ere genoemd. In de oorlog heeft hij velen geholpen. Bij de ramp in Zeeland in 1953 gaf hij leiding aan de Urker vissersvloot bij de reddingsoperaties aldaar. Zijn durf en initiatief dwongen respect af tot in de hoogste vaderlandse kringen. Hij was later de eerste schipper van de ‘Zeemanshoop’, de eerste Urker reddingsboot. Dat schip heeft in de meidagen van 1940 nog joden overgebracht naar Engeland. Er moest op Urk in de vooroorlogse periode met de ruimte gewoekerd worden en dat is ook op deze foto te zien. Boven het dak zien we de nok van het dak van de woning van Gerrit Snoek, de directeur van de Eerste Urker Stoomboot Maatschappij en dirigent van het plaatselijke muziekkorps. Dat huis is midden op de hoogte gebouwd. Eens trok deze woning de aandacht van de bekende dr. P.H. Ritter junior in ‘De donkere poort’. Wat was namelijk het geval? Voordat in de Eerste Wereldoorlog de interneringsbarak geplaatst werd, diende deze woning als onderkomen voor de buitenlandse geïnterneerde officieren. Het souterrain van de woning werd ingericht als wachtlokaal voor het Urker bewakingspersoneel. De commandant woonde bovenaan de hoogte in het pand Wijk 3-40 naast de ‘Willem Barendsz’, nu bewoond door Albert en Willie Kramer. P.H. Ritter vond de omstandigheden waaronder de officieren bewaakt werden beneden ieder peil en had het over een ‘atavistisch ingestelde bevolking’ of iets van die strekking. In 1918, er heerste op Urk grote voedselschaarste, was de kelder het middelpunt van het zogenaamde ‘boteroproer’. We komen daar misschien nog eens op terug, maar wie nieuwsgierig geworden is raadplege het boek van onze plaatsgenoot Tromp Korf ‘Urk uit de school geklapt’ pagina 30 e.v.

    Het laatste jaar (7)

    Heden weer drie keer luchtalarm. Vlissingen, Zoutelande moeten door de geallieerden bezet zijn. Handelsblad van 16-25 ontvangen.
    8 November weer drie keer luchtalarm. Grote formaties vliegtuigen oostwaarts. Bij Jan Hakvoort (van Rika) geweest wegens groeten van A. Langejan uit Heemstede waar van H. in het hospitaal gelegen had na een beschieting van de Insula (Witte Kruisboot daar in den omtrek). Door Chr(istien) brieven aan Piet en Johan geschreven en door mij aan Johan. Midd(elburg?) bevrijd.
    11 November. In de al kleiner geworden Oprechte Urker van heden staat de zeer beperkte dienstregeling voor 13-18 november.
    18 November. Op den brief aan Johan 19 oktober per boot van Luut Kamper meegegeven nog geen antwoord. Van familie of vrienden op Walcheren, waar door strijd of overstroming 5.000 mensen omgekomen zijn, al in langen tijd geen bericht en zal, nu Zeeland niet meer in Duitsche handen is, vooreerst wel niet te verwachten zijn.
    16 November 1944. Heden bericht dat G. Metz, S.C. Koffeman en Pietje van Dirk van Dijk uit de gevangenis van Zwolle ontslagen zijn. Ze zijn in de namiddag hier gekomen.

    Wordt vervolgd.

  • 10 januari 2002

    De gouwen ketting (vervolg)

    ,,Et lik et veraoltjen van et vrouwtjen van Stavoren wel,” riep Tiemen triomfantelijk, ,,nou eaw ik ok ’rs een gelukkien.” Garret z’n ogen worden zo skotteltjes. Z’n moend vul eupen van verbaozing. De angeren mozzen muuite doen om niet in de lach te skieten want Garret kiek zo verbaosd. ,,Dat is een mooie! Oe is et muugeluk, een ketting in een gullebuk. Dat eaw ik nog nooit mie emaakt. Ik goon een zaoterdag gelik nor Ansien van de Klokkewinkel om te vragen wat of ie waard is. Dan lot ik gelik et slutjen maken, want dat zal wel stokked wezen’ ging Tiemen duur. Opiens stotterde Garret ,,Et is ’r net zo’n iene as menen. Die et zuvenoenderd gulden ekost in die eaw ik nog van m’n mimme ad vor m’n visserijskoeldiploma. Lot ’rs effen zien.” Tiemen ul de ketting vor Garret z’n neuze in opiens zeen Garret; ,,Et likt meen ketting wel.” Gelik voelde ie in z’n aals. ,,Oe kan dat nou, meen gouwen ketting is weg.” IJ griep nor et vor z’n ogen bungelende sieraod. ,,Dat zou je wel willen,” riep Tiemen, ,,ik eaw em aarlijk evoenden. IJ is vor mij in ik gief em an oenze Gaartjen. Oe moet joen ketting trouwes in een gulle terecht koemen. Lot je nao kieken.”,,In toch is ie van mij. Ik wiet ok niet oe ie in die gulle ekeumen is. Miskien is ie wel overboord evullen of in de boks in et dat biest em toen op egeten,” riep Garret kwaod. Opiens begonnen ze allemaol te lachen want ze konnen et eurlui niet maar goed ouwen. Ze kwammen niet mar bij om die kwaoie snuut van Garret. Tiemen gaf de ketting terogge. ,,Voel effen in je euliebroek of je plaotien ’r nog is, want dat eawen we niet evoenden. Algers bin je dat wel kweet.” Z’n plaotjen was gelokkig in z’n laars evullen in dat was z’n twiede gelukkien.

    Rein

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron

    Al weer een tijdje geleden hebben we een afvalcontainer gekegen. Het zijn van die grote bakken met twee wieltjes eronder. In de ene gaat groen en keukenafval en in de andere het normale afval dat verbrand wordt. Het blijkt dat de groene container meer afval krijgt te verstouwen dan de grijze container. Een container per week, die door een moderne vuilniswagen wordt opgehaald. Met grijparmpjes worden de containers opgepakt en door de mannen op de goede plaats gezet. De bak wordt geledigd in de buik van de vuilniswagen die bijna een half miljoen kost.
    Op dat moment verwijlden mijn gedachten naar de dagen van weleer, ze gingen jaren terug en op mijn netvlies verschenen Jan en de baron.
    Door de Urker straten rijdt een wagen. Het is een grote rechthoekige bak op een wielenstel. Voorop is een plankie wear de menner op zit en aan de achterkant kan de palfrenier staan als alles is opgeladen en de kar richting losplaats vertrekt. Met deze wagen wordt eenmaal per week het vuil opgehaald. Nu waren we toen maar met z’n vierduizend Urkers onder elkaar en we maakten niet zo veel vuil. Het waren de vaste en urinale stoffen die tijdens het voeten bedekken, ook wel de stoelgang genoemd, onze body verlieten en in de emmer terecht kwamen. Ja, wat wil je, we waren toen nog niet zo modern. De nachtspiegel (de pot) was nog in grote ere onder ons en deze werd op de put geledigd. Bij de nieuwe huisjes die toen gebouwd werden kwam ook een gemetseld ‘huisien’, waar aan de straatzijde, onderaan, een deurtje of luikje was gemaakt waardoor de emmer naar buiten kon worden gehaald ter lediging in de kar. Waar dit niet zo was en er maar een eenvoudig optrekje van hout tegen het huis was aangebouwd, kon de roep gehoord worden: “Aole, ei je de immer al beuten e-zet, de karre komt er an !” Nou nou Jan, zo kan ie wel weer. Nee, laten we de zaken eens op zijn merites bekiiken, zou Teunis Visser zeggen. Als ik zo terugdenk kan ik niet dankbaar genoeg zijn dat we nu in andere omstandigheden leven.
    Toen ons huis in 1936 op dezelfde plaats gebouwd werd, verdween het ‘huisien’ van buiten en werd er een toilet in huis geplaatst, een watertoilet. Dat wil zeggen: na de grote boodschap moest je er zelf een emmer water doorheen gooien. Dit alles ging via een beerput op of naar de al aanwezige riolering. Het was nog niet zo, zoals onze buurman Piet Ras ons zijn relaas vertelde, nadat hij op bezoek in de Zaanstreek geweest was: “Ik ging nor et uisien, gaf een trek an et touwtjen in et iele spul was toe zo in Amsterdam.”
    Nu we bij Piet beland zijn, komen we ook bii de baron. Deze was daar ter woning als broeder van de vrouw van Piet, Lebe. Er was ook nog een Jan thuis, ook weer een broeder. De naam van de baron was Klaas. In de volksmond was dit Klaas de baon. Hoe of hij aan deze naam gekomen is weet ik niet, maar ik geloof dat hij ook geparenteerd was aan het ‘vorstelijk huis’ dat wij toen op Urk bezaten. Ze woonden bij het eerste gat, waar de basaltwateverdediging overging in het paalscherm. Er is nu een parkeerterein gemaakt. Een groot hek sloot de binnenplaats af waar de familie woonde. Ook Jaaie en Marie woonden daar Jaaie Stokebrand was erkend jager, met een roeibootje zette hij zijn botnetjes uit. Willem de Boer woonde daar met twee zusters. Willem was losvaste werker in de turf, in het steenlossen en hij was bij Jan Woord op gezette tijden in het hooi en ’s winters was hij betrokken bij het legen van de groep achter de koeien. Hij minde de lekkere warmte van de stal en praatte met de koeien welke hij, volgens overlevering ook in zijn avondgebed gedacht.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Volgens de ons verstrekte gegevens zou deze foto omstreeks 1946 genomen zijn. Op de ‘Kamperdijk’ lagen nog tonnen en tonnen puin van Rotterdam. Dat puin werd al snel na het bombardement van die stad in de meidagen van 1940 gestort op de beide meerdijken nabij Urk en op de Rotterdamse Hoek halverwege Lemmer. Jan de Wit, nu in Canada, vond tussen dat puin een beeld, dat hij naar Urk probeerde te sjouwen. Het was natuurlijk geen doen voor de jonge Jan en hij moest het na enkele kilometers opgeven, dumpen dus. Later zagen we het beeld terug in museum Schokland met het onderschrift: ‘Romeins beeldhouwwerk, gevonden ten Oosten van Urk’. “Ze kunnen alles wel beweren”, zei Jan toen, “maar dat is meen bield in et is zeuver Rotterdams.” Op de foto is het hoogzomer, veel jeugdige badgasten zijn er op het strand te zien. In die tijd lag er een scheepswrak voor het ‘kleine strandje’, ook al een oorlogssouvenir. Naar ik meen was de naam van de klipper ‘Spes Salutis’. De kop van het schip werd als duikplank gebruikt. Het leverde Koos van Wijk later een gewonde voet op. Een sleepboot verlaat de haven met een ‘bak’ van de Zuiderzeewerken. Woonarken van opzichters en ingenieurs liggen nog in de haven, van waaruit enkele bottertjes vertrekken om hun geluk te beproeven in de hoop op enkele ‘wichies’ van die kostelijke lJsselmeerpaling. Een ‘wichien’ was meen ik honderd pond. Als je, zoals ik, de zoon was van een IJsselmeervisser, mocht je in de vakantie wel eens met vader mee, zee op. Een hele belevenis, vooral als je op ontdekkingereis zo’n mooie Staverse boot tegenkwam, sierlijke zwanen met eerste, tweede en derde klas en met een schoorsteen in dat onbestemde geel met aan de bovenkant een brede zwarte rand. Ach, die laatsten der Mohicanen. ‘C. Bosman, W.F. van der Wijck, R. van Hasselt, zo heetten ze. Prachtige boten waren dat. In de nadagen van het spoorwegveer heeft onze eigen ‘Insula’ de dienst nog gevaren, Enkhuizen – Stavoren vice versa. Dat ouwe Rijnstomertje was natuurlijk geen partij op die illustere lijn.