Tag: Romkes Als Leverancier

  • 21 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen (slot)

    Zo kaol as een leus (zo kaal als een luis).
    Zo grees as een deuve (zo grijs als een duif).
    Zo doof as een kwartel.
    Zo ziek as een krabbe.
    Zo misselijk as een katte.
    Zo zwart as een todde.
    Zo mager as een roek.
    Zo mager as een spiering.
    Zo koud as een kommetjen.
    Zo vet as modder.
    Zo mager as een skram.
    Zo geel as een darg.
    Zo geel as saffroon.
    Zo wit as pisse.
    Zo rood as een kraol.
    Zo wiek as snot (wiek is week).
    Zo zuur as eek (eek is azijn).
    Zo dunne as een stopnaolde.
    Zo vast as een eus (eus is huis).
    Zo mistig as een gat.
    Zo blede as blik (erg blij).
    Zo lek as een maande.
    Zo lek as een wiege.
    Zo dronken as een punter, as een kenon, as een toeter.
    Zo ard as een spikker (spijker).
    Zo slop as een vaotdoek.
    Zo skoon as zulver.
    Zo skoon as een wintjen.
    Zo zaft as zede (zo zacht als zijde).
    Zo gaor as botter.
    Zo glad as een bel.
    Zo steef as een dol (erg stijf).
    Zo skeaf as een drol (erg scheef).
    Zo lank as de dag.
    Zo zwart as aarde, as de nacht, as kool teer, as een dier.
    Zo gek as een uie.

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon
    Binnenkort gedenken wij dat de Tweede Wereldoorlog ook Nederland niet voorbij ging. Tien mei was de overval op ons kleine landje aan de zee. Dit is nu 62 jaar geleden. Op zondag 3 september 1939 verklaarde Engeland zich in de oorlog met Duitsland. Dit laatste gaf ook voor Nederland problemen. Wij wilden neutraal blijven en om die neutraliteit te beschermen werd de mobilisatie afgekondigd. Ik was toen in dienst van de E.U.S.M. Leeftijdgenoten waarmee ik voor de dienst gekeurd had, waren al in dienst opgeroepen. Ik was tot buitengewoon dienstplichtige gebombardeerd, maar later kreeg ik toch bericht dat ik in juni 1940 op moest komen bij de luchtdoelartillerie. Dit laatste is natuurlijk niet doorgegaan. Veel, in mijn ogen oude Urkers, moesten hun soldatenkloffie aantrekken. Soms paste het niet meer en ook was het lichaam niet meer in die positie om frank en vrij het vaderland te dienen.
    Dit laatste was het geval met Riekelt (Verkos) Pasterkamp. Deze toenmalige stencil- en drukwerkverzorger groeide door een of andere oorzaak steeds meer met zijn neus naar de grond. Toen hij in matrozenuniform met de boot meeging om zich te melden, zei hij tegen mij: ,,Nou Jan, ik ben vanavond wel weer terug uit Den Helder, wat moeten ze nou met mij doen?” Maar hij was ’s avonds niet terug. Zij hielden hem vast om het vaderland te dienen. Toen hij met zijn eerste verlof kwam, zag hij er een stuk beter uit. Zelf opperde hij ,,dat hij door een heel goede dokter behandeld werd en dat die hem beloofd had dat er een heel andere Riekelt zou afzwaaien. ,,Dit laatste is ook gebeurd. Hij werd gekneed en gevormd zodat het voor ons een wonder leek. De oude Riekelt was een heel nieuwe soldaat geworden van de kustwacht. Ik trof natuurlijk op de boot veel verlofgangers die hun wederwaardigheden vertelden. Zo was Jo Gerssen, de manufactier, kok in Kampen bij de troepen. Gezellige avonden aan boord in Kampen met als traktatie een stuk worst waar Jo voor zorgde. In Enkhuizen waren ook oorlogsbodems gestationeerd met daarbij gevorderde sleepboten van de Zuiderzeewerken. Ze lagen tegenover de Harlinger steiger in het Krabbersgat. In de haven lag een oorlogsbodem die wij ‘strijkijzer’ noemden. Het was een oud beestje, want alles was uit de figuurlijke mottenballen gehaald. Ik had een goede ingang bij de opvarenden van deze oorlogsbodem. In het begin was het een beetje chaotisch, maar later liep alles volgens goede marine-tradities.
    Zo was op een mooie septemberdag de kok aan het piepers jassen, heerlijk in de zon aan dek. De man was een kunstenaar, want van de grote aardappels maakte hij koppen van grote politieke figuren zoals Hitler, Musolini, lord Eden, Churchill enzovoorts. Later hoorde ik dat deze man in het dagelijks leven beeldhouwer was, ja zelfs een hele goeie.
    Voor een karig loon moesten de medewerkers van de E.U.S.M. lange dagen maken omdat er boten gevorderd waren ten behoeve van het evacueren van bewoners die in het gebied van de Waterlinie woonden. Deze boten moesten altijd bemand wezen en onder stoom liggen. Deze boten lagen ergens in de rietlanden bij Amsterdam. Mijn eigenlijke werk, dat van hofmeester, werd mede hierdoor ook verzwaard, daar ook nog andere taken op mijn schouders werden gelegd. In die tijd voelde ik het bekende gezegde van Gerrit Snoek: ,,Help effien, je lopen doar toch”, in variatie op mij toegepast.

    Wordt vervolgd, JtN·

    Bij een oude foto

    We staan hier voor een tweesprong die vanwege de hoogteverschillen op Urk een ‘vork’ genoemd wordt. Die vork wordt bepaald door de veestallen van Jelle en Meindert Hakvoort. Rechts zien we nog net een gedeelte van de Bethelkerk. Links zien we de voor die tijd moderne woning van Hendrik Romkes, ooit kapitein van een der boten van de E.U.S.M. Zoon Klaas koos een ander beroep, dat van grossier in kruidenierswaren. Als we goed zijn ingelicht heette een van zijn producten Ralazijn. ‘Ral’ was de afkorting van ‘Romkes Als Leverancier’. Stenen huizen met een puntdak kwamen op Urk maar weinig voor. Het afhellende veldje tussen de Bethelkerk en de haven was vroeger in gebruik als taanhek. Om de netten van de vissers te verduurzamen moesten ze van tijd tot tijd worden getaand. Dat tanen (of toonen zoals het op Urk werd genoemd) gebeurde in een taanketel, die eerst gevuld werd met water. Onder de ketel werd een vuur gestookt. Als het water heet genoeg was, werd er eikebast of cachou aan toegevoegd. Cachou (eigenlijk caoutchouc) is een extract van de Indiase acaciaboom. Gedurende de Eerste Wereldoorlog moest men bij gebrek aan cachou een vervanger zoeken. Dat was eek, getrokken van de eikenschors. Het werd uit Brabant aangevoerd. Naast de taanketel stond meestal een eenvoudige hijsinstallatie, bijvoorbeeld een mast met een laadboom, waarmee de netten en het touwwerk naar boven werden getakeld. De netten werden na het tanen per kruiwagen naar de botters en schuiten vervoerd. Het proces van het tanen verspreidde een penetrante geur, die zich hechtte aan de kleren. In alle Zuiderzeevissersplaatsen waren wel taanketels te vinden. In Vollenhove werd het tanen door de vissers zelf gedaan. De taanketels werden dan wel verhuurd aan collega’s. Met de komst van het nylon en andere synthetische vezels werd het tanen overbodig en verdween een oeroud ambacht langs de boorden van de Zuiderzee. Daarmee verloor ook de taanhoogte zijn functie. We weten dus wanneer het ophield, niet wanneer het begon.
    Op een kaart van het eiland Urk uit de Napoleontische tijd staat al een ‘taanhuys’ of ‘taanderij’ vermeld, ongeveer op de plek van de ‘oude’ scheepswerf Metz. Op de voormalige taanhoogte werden nieuwe huizen gebouwd, nu bewoond door Willem Kramer en zijn vrouw Mina (van Sijtje) en Peter Venema en zijn vrouw Jannie Kramer. Ook op de ‘vork’ verrees een nieuwe woning die wordt bewoond door Meindert en Nellie Kramer.