Tag: Piet Brouwer

  • 14 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    ONLEE
    Ik zag je gister mit een doekien vor je moend. Ei je onlee?
    Och, ik eaw zo’n last van m’n aorentanen. Ze mozzen d’r nodig eut, maar ik zien d’r arg tugen an. Koem er effien in, maar strukel niet over m’n ouwe stroffelmatte, in kiek maar niet nor de rommel. Je zullen wel dinken dat ik de eek in de surep lot lopen, want ik moet de kamer nog opredderen. Wat aol je dan eut?
    Mins, ik eaw wat lekkers! Flerik kwam mit een smerig katjen in eus, in daor bin ik mitien maar an begonnen. Er komt zo juur of, in er was gien groend in te kregen. IJ legt vor de walle in ij adde de poorten van de metor skoon emaakt, dat je kunen dinken. Ik eaw erop moeten buuken, op ’t goed bedoel ik, dat ik ad een koud eppien. In drogen dut ’t niet, dat ik ad een lintjen eskeuren van ’t skot nor ’t raam in terogge. Lot nou de leen after de kachelpeep bleven zitten, in die kwam omleages mit een bult smeerlapperije.
    In kiek m’n love, in ik eaw eerst een duuntjen ekrieten. In ik adde Marretjen ok niet in eus, die is nou flarkien bij m’n zuster die in de kraam legt. Ik eaw de es in ’t roet al weg ewarkt, maar ’t is nog een zeutjen. M’n gerdintjes ongen nog op de nijerdom. Z’ adden nog gien zunde edoon, in kiek nou er’s. Ik moet de kamer nou maar eutaolen.

    onlee – onheil, moeite.
    aorentanen – verstandskiezen.
    strukelen – struikelen.
    stroffelmatte – deurmat.
    eek – azijn.
    surep – stroop.
    de eek in de surep lotten lopen – er een janboel van maken.
    ik eaw wat lekkers! – dat is ook wat moois!
    een smerig katjen – erg vuile kleren.
    juur – erg vies waswater.
    er was gien groend in te kregen – het vuil wou er maar niet uit.
    de poorten van de metor – de cilinders van de motor.
    buuken – zwaar wassen, o.m. met een stamper.
    een koud eppien – een koud karweitje (hapje).
    een lintjen eskeuren – een waslijn gespannen.
    omleages – naar beneden.
    love – moe.
    een duuntjen kreten – een huilbui hebben.
    een flarkien – een jong, nog ongeoefend hulpje in de huishouding.
    de es – de as.
    een zeutjen – een troep, een zootje.
    ’t ad nog gien zunde edoon – er mankeerde nog niets aan.
    eut aolen – schoonmaken (in het najaar).

    Bij een oude foto

    De oprichting van de visafslag in 1905 getuigde van durf en doorzettingsvermogen. Niet alleen de viskopers van buiten Urk, maar ook de vissers zelf hadden op de vestiging van de afslag aangedrongen. Gerrit Westerneng, de bekende poolvaarder en -vorser, afkomstig uit Durgerdam maar met een Urker getrouwd, had 47 vissers voor zijn request pro-afslag weten te strikken. Dat gaf uiteindelijk de doorslag. In de zouterij van Jacob ten Napel (uiterst rechts op de foto) kreeg de eerste Urker visafslag een onderkomen. Op de nok van de zuidgevel werd een bel gehangen in een miniem torentje. Een kwestie van durf, schreven we. Vijftien jaar eerder, in 1890, was er een recordvangst van ansjovis geweest, maar sindsdien was het kwakkelen geblazen. Veel vissers hadden hun heil ergens gezocht: Den Helder, IJmuiden, de Zaanstreek, waar Urker kolonies ontstonden. Anderen, soms bedroeg hun aantal meer dan honderd, monsterden op de loggervloot. Er waren in het jaar van oprichting weer ,,onderscheidende vaartuigen naar elders verkocht.” Links van het afslaggebouw zien we de ‘hange’ van vishandel Bakker en Gerssen. Daarboven zien we het oude torentje van de Bethelkerk (die toen nog niet zo heette). Dat torentje vormt een mooi ijkpunt voor het dateren van oude foto’s, want het werd in 1910 vervangen door de huidige spits. Deze foto dateert waarschijnlijk van het jaar 1900. Aan de overkant van het ‘glop’ dat toegang gaf tot het gebouw ‘Hulp en Steun’ bevond zich het logement ‘Zeezicht’ met daarnaast de visserswoning Wijk 1-42. Daar woonde Inte van Trui en dus niet in ‘Zeezicht’, zoals we vorige keer abusievelijk vermeldden. Rechts op de foto zien we de werf van Roos met enkele vletten. In de daarnaast gelegen werfboet werden botters gebouwd. Aan de kade ligt een schuit gemeerd, te herkennen aan de rechte afhellende voorsteven. De schuiten hebben lange tijd het havenbeeld gedomineerd totdat ze door de botters werden verdrongen. Van het oude havenfront bleef vrijwel niets bewaard. De afslag verhuisde via via uiteindelijk naar een locatie onder de zeespiegel, iets wat de bewoners anno 1900 met ongeloof zou hebben vervuld, om nog maar te zwijgen van de turbulente ontwikkeling van de techniek. De houtwerf verdween om plaats te maken voor een parkeerterrein. Daarnaast verrees het bedrijfspand (eigenlijk moeten we meervoud gebruiken) en de woning van Piet Brouwer elektro. Wij hopen u terug te zien bij ‘Hulp en Steun’. Tot volgende week!

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (slot)
    Ik kreeg de gelegenheid om te vertellen wat of er was voorgevallen, maar de commandant zag geen reden om clementie te verlenen. ,,Met uw verlof, commandant”, zei Kroon, ,,ik zeg ook niet dat soldaat de Boer geen schuld heeft, maar de manier waarop de man van boord is gehaald is tegen de grondregels van het recht. Het moet u toch bekend zijn, dat ik als kapitein van de postboot tevens hulpofficier van justitie ben en alle passagiers dus onder mijn jurisprudentie vallen. Vandaar dat uw luitenant een onrechtmatige daad deed door een van mijn passagiers van boord te halen.”
    De commandant lachte fijntjes. ,,U komt wel voor uw passagiers op.” ,,Een oud-marineman, tevens commandant, draagt de verantwoording voor zijn ondergeschikten”, antwoordde Kroon. ,,Marineman?” vroeg de commandant. ,,Ja kapitein”, en Kroon wees op het wapen van mijn witte pet. ,,Ziet u dit wapen, dit sierde mijn pet als schipper bij de Koninklijke Marine tijdens de mobilisatie van 1914-1918.” ,,Zo zo, dus u bent een oud-marineman, wij zijn dus collega’s.” De kapitein werd vriendelijker. Kroon benutte de gelegenheid en zei: ,,U weet dat tijd geld is en daarom wou ik u voorstellen om soldaat de Boer weer onder mijn gezag te stellen en dit incident als geëindigd te beschouwen.” Het was even stil. De commandant vroeg: ,,En als wij dat nu eens niet doen?” ,,Dan zou ik mij zeer in u vergissen, terwijl u toch in de gelegenheid bent om de Boer via zijn commandant van de kunstwacht in Den Helder ter verantwoording te roepen.” De kapitein ging staan en zei, terwijl hij de groet bracht: ,,Schipper, wat moet uw commandant trots geweest zijn om zulke mannen onder zijn bevel te hebben, uw man komt vrij.” Het gezicht van Willen Kroon klaarde helemaal op en plooide zich tot een lach. Ook hij salueerde en zei: ,,Commandant, hartelijk bedankt voor uw oordeel.”
    Wij weer naar boord. Even later kwam Willem de Boer, een van de dertien kinderen van Meindert de Boer, terug aan boord. ,,Touwen los, we gaan!” Even later stoomde de Insula in het Krabbersgat, met uit de stoomuitlaat, zo noemden we dat, de witte vlag, omdat de ketel op de rooie stond. Later vroeg ik aan Willem Kroon waarom of hij zo’n drukte gemaakt had om Willem de Boer. ,,Hoor eens Janneman, Urkers moeten ’nkanger niet in de steek loaten in een voegel as Willem kuun je niet in een kooitjen ouwen. Ei-je em vroeger wel d’rs zien skoasen, toe was ie ok niet te ouwen op de korte boon.” In gedachten sprak ik op zijn Fries: ,,Willem et keliek.”

    JtN

  • 28 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    DALJE
    Ongerlestet krieg ik een emailtjen van een goeie bekinde. IJ was terogge ekeumen van z’n wientersportvakantie. Al z’n liedemaoten wazzen nog in de ongebruken toestand gelokkig. Een ongelok legt in bar klean oekien, zoas we wieten. Z’n eerste vraag was of ik ok al terogge was van de wientersport. Nou kreeg je mij gien barg op, lot stoon òf op twie plinkies.’r Is vor mij maar iene Barg in dat is de Barg in die makt diel eut van Urk. Oge in mooi genoeg vor mij. Nou skenen ze nao dat geskie, as ze goed rozerig binnen van de snijacht in de beutenlocht, onger et genot van een glaosien glühwein nog effen bij eenkanger te zitten. In dan moet je et toch arges over eawen nietwaor? Dus waoromme niet over et Urker dialect. Nou ad iene van de gasten een Urker oren zeggen, dat ie em ers effies dalje zou gieven! Wat zou dat nou vor en woord wezen. Waor zou dat vandoon koemen? Daor ku’je al nippend uren over memeren, voral as je et niet wieten. Dus krieg ik dat as twiede vrage in et emailtjen op m’n burdjen: Klaos waor komt dat woord dalje vandeen in wat beteaket et? Nou zwigt de woordenliest van Meertens & Kaiser ’r over. In ok in et boekien van Tromp de Vries ‘Leven in taal van het eiland Urk’ stot niks over dit woord. Toch is et gien nijd woord. Et woord et ouwe papieren. Maar is gewoen niet mie eneumen of over et oofd ezien. Dat kan gebeuren. Dalje is een Westfriesch woord. In worde daor gebrukt in eutdrokkigen die wat mit stievig, flink of geducht te maken eawen. Een vuurbieldjen: ‘De lucht is dik, er zel dalje komen’. Dalje beteaket in dat geval ievige neerslag. Regen of snijacht. Maar ok ‘dalje kriigen’ – een stievig pak slaag kregen. Et woord ‘daljen’ of ‘doljen’ komt varders ok vuur in et Friesch in daor dan in de beteakenisse van sloon of ranselen. De beteakenisse is dus: arges stievig tugenan goon! Over stievig ’r tugenan goon espmken. De dialectkring zal op 14 maart 2002 een dialect-aved organisieren in et Juugd. Over winkelen vroeger in tegenwoordig. Mit veraolen, een kwis in wellicht ienige zang. Inlichtingen in kaorten bij et Juugd. Iederiene kan koemen tot de kaorten op binnen. Wij zullen em dalje gieven!

    Duur K.J. Romkes

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (2)
    Op een van onze reizen van Enkhuizen naar Urk had ik een interessante ontmoeting met een hoge militair. Toen ik hem het bestelde kopje koffie bracht vroeg hij mij waar hij zou kunnen slapen op Urk. Ik vroeg me verwonderd af wat zo’n hoge militair op Urk moest doen. Of hij mijn gedachten raadde zei hij: “Jij denkt zeker: wat moet zo’n man nu op Urk doen. Dat zal ik je zeggen. Ik heb daar een gedeelte van mijn jeugd doorgebracht. Mijn vader was daar dokter. Heb je wel eens van dokter brouwer gehoord?” Ik beaamde dit en toen volgde een gesprek met de man van achter in de veertig, dat ik me nog goed kan herinneren. We leunden met onze armen over de railing en keken de zee op, die door de bewegingen van de boot dan weer dichtbij en dan weer verder van ons af was. “Ben je voor de dienst afgekeurd”, vroeg hij. “Nee, ik ben buitengewoon dienstplichtige gemaakt.” “Dat zal zo lang niet meer duren”, zei hij. “We zijn bezig de oudjes naar huis te sturen en de vrijgestelden toch maar te laten opkomen.” “Dus ik word ook de pineut”, zei ik. “Wat zou ik er voor willen geven als mijn zoon de pineut was geworden”, zei de man. “Is hij dan afgekeurd?” “Nee, voor de keuring is hij al gestorven.” En hij vervolgde: “Ik vlucht in het verleden. Mijn dochters studeren en hebben hun eigen besognes. De kazerne is mijn thuis, want als ik in mijn eigen huis kom, is daar niemand… mijn vrouw is ook overleden.” Ik zag het verdriet en de eenzaamheid van de man ondanks zijn mooie buiten model uniform. “Ja!” – en de man draaide zich om, “waarom vertel ik je dit allemaal?” “Och een mens wil zijn hart wel eens luchten”, opperde ik, “als je alles opkropt is het ook niet goed.” Ja, wat moet je anders zeggen. Ik kreeg een klap op mijn schouder bij het passeren van de lichtboei. “Breng mijn nog maar een kop koffie.” Dit was de ontmoeting met de zoon van een oud-Urker dokter die zijn verleden aan het zoeken was. Zo voeren we maar voort naar Kampen, Enkhuizen en af en toe naar Lemmer met arbeiders van de Zuiderzeewerken. Dit laatste hield in dat je ook de zondag in Lemmer door moest brengen. Ging je ’s middags naar Enkhuizen, was je ’s avonds thuis. Van Enkhuizen kwamen de avondbladen, de Amsterdammer en de Standaard, maar ook de laatste post die in de postwagen tussen Amsterdam via Stavoren werd gesorteerd. De P.T.T. van Enkhuizen zorgde dat de post voor Urk per bakfiets of transportfiets op de boot gebracht werd. De kranten moesten we zelf halen en dat was een hele sjouw. Ik zou die avond de kranten halen. De boot uit Stavoren liep binnen en ook de diesel uit Zaandam kwam het station binnen. Gauw de twee stapels kranten pakken en bij de Enkhuizer P.T.T. brengen, zodat die de reis naar de Insula per bakfiets kunnen beginnen. De laatste passagiers gaan uit de trein naar de treinboot naar Stavoren. Urkers zag ik niet, of toch? Daar kwam nog een militair die ik meende te herkennen. De boord van zijn uniformjas stond open en het jasje bolde rond zijn welgedane body. Ook de broek was strak om de bibs gespannen. Willem, want die was het, Willem van Meindert van Okke Meindert, was best gegroeid sinds hij voor zijn nummer had gediend.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    In de ‘Kleine Courant’ van 7 februari jongstleden schreven wij over de uitleg van de haven in westelijke richting in 1878 en de daarmee gepaard gaande komst van diverse bedrijven en bedrijfsgebouwen. We blijven ook deze week nog even in de havenbuurt. Beschreven we in het vorige nummer de taanhoogte, nu richten we onze aandacht op de nabij gelegen woningen en bedrijven. Ze stonden onderaan de hoogte die in de volksmond ‘spekhoogte’ werd genoemd. De zeilmakerij van Lucas Snijder was nog niet verbouwd, er zou later een verdieping op komen met ramen die uitzicht gaven op de haven. Over het tanen schreven we eerder. De zeilmakerij had niet alleen een ambachtelijke functie, maar eveneens een sociale. Oud-vissers en landlui van uiteenlopende pluimage kwamen hier graag om de dingen van de dag te bespreken. ,,hier kwamen de zonen des volks bijeen en zaten op de gladde houten balken, glad door het schuren van hun pilobroeken. Hier waren ze onder huns gelijke. En daarom ontplooiden de schuchteren hier gaven van hoofd en hart, welke onontdekt gebleven zouden zijn, indien niet de ‘winkel’ tot activiteit had genood. Hier sleep en polijstte men elkaars gevoelens” schreef Mariap van Urk in Urker ambachten en bedrijven (1955). Mooi gezegd. Het hoge huis op de achtergrond werd ooit bewoond door Inte van Trui, die er een koffiehuis annex winkel dreef. De Volendammer vissers, voor wie zij een moeder was, kwamen er graag. Sommige van hen kwamen ook op haar begrafenis. Later dreven Klaas Jelle Koffeman en zijn vrouw Jannetje er een ‘logement’. Ooit moet het een dokterswoning zijn geweest, die van de chirurgijn Leendert Hoefnagel. De visserswoning ernaast behoorde aan Riekelt de Vries. Vanuit deze woning begon Piet Brouwer zijn elektrotechnische installatiebedrijf op te bouwen, dat vorige jaar zijn voorlopige bekroning kreeg met een aan alle eisen des tijds voldoend modern bedrijfspand op het industrieterrein. De bedrijfspanden rechts op de foto behoorden ooit aan de vishandelaar Jan Brouwer. De vaten rechts zullen het zilver van de Zuiderzee bevat hebben, de gezouten ansjovis, die plaatselijke handelaren beurtelings rijk of arm maakte, naar materiële maatstaven gerekend dan. Later had Douwe Gnodde hier een vis verwerkend bedrijf en een winkel, die toen al een vooruitstrevende naam kreeg: ‘Urker Stores.’ Wie wonen er nu? Op de plek van het hoge huis Gerrit en Heiltje Koffeman. Daarnaast Henk en Connie Brouwer en rechts Hendrik en Marretje Koffeman.