Oenze eagen Urker taol
DALJE
Ongerlestet krieg ik een emailtjen van een goeie bekinde. IJ was terogge ekeumen van z’n wientersportvakantie. Al z’n liedemaoten wazzen nog in de ongebruken toestand gelokkig. Een ongelok legt in bar klean oekien, zoas we wieten. Z’n eerste vraag was of ik ok al terogge was van de wientersport. Nou kreeg je mij gien barg op, lot stoon òf op twie plinkies.’r Is vor mij maar iene Barg in dat is de Barg in die makt diel eut van Urk. Oge in mooi genoeg vor mij. Nou skenen ze nao dat geskie, as ze goed rozerig binnen van de snijacht in de beutenlocht, onger et genot van een glaosien glühwein nog effen bij eenkanger te zitten. In dan moet je et toch arges over eawen nietwaor? Dus waoromme niet over et Urker dialect. Nou ad iene van de gasten een Urker oren zeggen, dat ie em ers effies dalje zou gieven! Wat zou dat nou vor en woord wezen. Waor zou dat vandoon koemen? Daor ku’je al nippend uren over memeren, voral as je et niet wieten. Dus krieg ik dat as twiede vrage in et emailtjen op m’n burdjen: Klaos waor komt dat woord dalje vandeen in wat beteaket et? Nou zwigt de woordenliest van Meertens & Kaiser ’r over. In ok in et boekien van Tromp de Vries ‘Leven in taal van het eiland Urk’ stot niks over dit woord. Toch is et gien nijd woord. Et woord et ouwe papieren. Maar is gewoen niet mie eneumen of over et oofd ezien. Dat kan gebeuren. Dalje is een Westfriesch woord. In worde daor gebrukt in eutdrokkigen die wat mit stievig, flink of geducht te maken eawen. Een vuurbieldjen: ‘De lucht is dik, er zel dalje komen’. Dalje beteaket in dat geval ievige neerslag. Regen of snijacht. Maar ok ‘dalje kriigen’ – een stievig pak slaag kregen. Et woord ‘daljen’ of ‘doljen’ komt varders ok vuur in et Friesch in daor dan in de beteakenisse van sloon of ranselen. De beteakenisse is dus: arges stievig tugenan goon! Over stievig ’r tugenan goon espmken. De dialectkring zal op 14 maart 2002 een dialect-aved organisieren in et Juugd. Over winkelen vroeger in tegenwoordig. Mit veraolen, een kwis in wellicht ienige zang. Inlichtingen in kaorten bij et Juugd. Iederiene kan koemen tot de kaorten op binnen. Wij zullen em dalje gieven!
Duur K.J. Romkes
Brief uit Gouda
Willem Kroon (2)
Op een van onze reizen van Enkhuizen naar Urk had ik een interessante ontmoeting met een hoge militair. Toen ik hem het bestelde kopje koffie bracht vroeg hij mij waar hij zou kunnen slapen op Urk. Ik vroeg me verwonderd af wat zo’n hoge militair op Urk moest doen. Of hij mijn gedachten raadde zei hij: “Jij denkt zeker: wat moet zo’n man nu op Urk doen. Dat zal ik je zeggen. Ik heb daar een gedeelte van mijn jeugd doorgebracht. Mijn vader was daar dokter. Heb je wel eens van dokter brouwer gehoord?” Ik beaamde dit en toen volgde een gesprek met de man van achter in de veertig, dat ik me nog goed kan herinneren. We leunden met onze armen over de railing en keken de zee op, die door de bewegingen van de boot dan weer dichtbij en dan weer verder van ons af was. “Ben je voor de dienst afgekeurd”, vroeg hij. “Nee, ik ben buitengewoon dienstplichtige gemaakt.” “Dat zal zo lang niet meer duren”, zei hij. “We zijn bezig de oudjes naar huis te sturen en de vrijgestelden toch maar te laten opkomen.” “Dus ik word ook de pineut”, zei ik. “Wat zou ik er voor willen geven als mijn zoon de pineut was geworden”, zei de man. “Is hij dan afgekeurd?” “Nee, voor de keuring is hij al gestorven.” En hij vervolgde: “Ik vlucht in het verleden. Mijn dochters studeren en hebben hun eigen besognes. De kazerne is mijn thuis, want als ik in mijn eigen huis kom, is daar niemand… mijn vrouw is ook overleden.” Ik zag het verdriet en de eenzaamheid van de man ondanks zijn mooie buiten model uniform. “Ja!” – en de man draaide zich om, “waarom vertel ik je dit allemaal?” “Och een mens wil zijn hart wel eens luchten”, opperde ik, “als je alles opkropt is het ook niet goed.” Ja, wat moet je anders zeggen. Ik kreeg een klap op mijn schouder bij het passeren van de lichtboei. “Breng mijn nog maar een kop koffie.” Dit was de ontmoeting met de zoon van een oud-Urker dokter die zijn verleden aan het zoeken was. Zo voeren we maar voort naar Kampen, Enkhuizen en af en toe naar Lemmer met arbeiders van de Zuiderzeewerken. Dit laatste hield in dat je ook de zondag in Lemmer door moest brengen. Ging je ’s middags naar Enkhuizen, was je ’s avonds thuis. Van Enkhuizen kwamen de avondbladen, de Amsterdammer en de Standaard, maar ook de laatste post die in de postwagen tussen Amsterdam via Stavoren werd gesorteerd. De P.T.T. van Enkhuizen zorgde dat de post voor Urk per bakfiets of transportfiets op de boot gebracht werd. De kranten moesten we zelf halen en dat was een hele sjouw. Ik zou die avond de kranten halen. De boot uit Stavoren liep binnen en ook de diesel uit Zaandam kwam het station binnen. Gauw de twee stapels kranten pakken en bij de Enkhuizer P.T.T. brengen, zodat die de reis naar de Insula per bakfiets kunnen beginnen. De laatste passagiers gaan uit de trein naar de treinboot naar Stavoren. Urkers zag ik niet, of toch? Daar kwam nog een militair die ik meende te herkennen. De boord van zijn uniformjas stond open en het jasje bolde rond zijn welgedane body. Ook de broek was strak om de bibs gespannen. Willem, want die was het, Willem van Meindert van Okke Meindert, was best gegroeid sinds hij voor zijn nummer had gediend.
Wordt vervolgd, JtN

Bij een oude foto
In de ‘Kleine Courant’ van 7 februari jongstleden schreven wij over de uitleg van de haven in westelijke richting in 1878 en de daarmee gepaard gaande komst van diverse bedrijven en bedrijfsgebouwen. We blijven ook deze week nog even in de havenbuurt. Beschreven we in het vorige nummer de taanhoogte, nu richten we onze aandacht op de nabij gelegen woningen en bedrijven. Ze stonden onderaan de hoogte die in de volksmond ‘spekhoogte’ werd genoemd. De zeilmakerij van Lucas Snijder was nog niet verbouwd, er zou later een verdieping op komen met ramen die uitzicht gaven op de haven. Over het tanen schreven we eerder. De zeilmakerij had niet alleen een ambachtelijke functie, maar eveneens een sociale. Oud-vissers en landlui van uiteenlopende pluimage kwamen hier graag om de dingen van de dag te bespreken. ,,hier kwamen de zonen des volks bijeen en zaten op de gladde houten balken, glad door het schuren van hun pilobroeken. Hier waren ze onder huns gelijke. En daarom ontplooiden de schuchteren hier gaven van hoofd en hart, welke onontdekt gebleven zouden zijn, indien niet de ‘winkel’ tot activiteit had genood. Hier sleep en polijstte men elkaars gevoelens” schreef Mariap van Urk in Urker ambachten en bedrijven (1955). Mooi gezegd. Het hoge huis op de achtergrond werd ooit bewoond door Inte van Trui, die er een koffiehuis annex winkel dreef. De Volendammer vissers, voor wie zij een moeder was, kwamen er graag. Sommige van hen kwamen ook op haar begrafenis. Later dreven Klaas Jelle Koffeman en zijn vrouw Jannetje er een ‘logement’. Ooit moet het een dokterswoning zijn geweest, die van de chirurgijn Leendert Hoefnagel. De visserswoning ernaast behoorde aan Riekelt de Vries. Vanuit deze woning begon Piet Brouwer zijn elektrotechnische installatiebedrijf op te bouwen, dat vorige jaar zijn voorlopige bekroning kreeg met een aan alle eisen des tijds voldoend modern bedrijfspand op het industrieterrein. De bedrijfspanden rechts op de foto behoorden ooit aan de vishandelaar Jan Brouwer. De vaten rechts zullen het zilver van de Zuiderzee bevat hebben, de gezouten ansjovis, die plaatselijke handelaren beurtelings rijk of arm maakte, naar materiële maatstaven gerekend dan. Later had Douwe Gnodde hier een vis verwerkend bedrijf en een winkel, die toen al een vooruitstrevende naam kreeg: ‘Urker Stores.’ Wie wonen er nu? Op de plek van het hoge huis Gerrit en Heiltje Koffeman. Daarnaast Henk en Connie Brouwer en rechts Hendrik en Marretje Koffeman.

