Tag: Lub Kramer

  • 2 mei 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (4)
    Tegen het donkere huis werd een nieuw huis aangebouwd, waarin het jonge stel Willem Pasterkamp met zijn bruid, een dochter van het schoenmakertje, die tegenover het ginkien in Wijk 5 woonde hun huwelijk begon. Vanuit dit huis kon men de Kalkenstraat recht doorkijken. Waar ruimte was werd er een huis gebouwd, want er was nog geen begin gemaakt met het bouwen op de gemeentewei. Het huis van Willem en zijn gade stond achter het huis van zijn ouders, waar nog ruimte was om te bouwen. Ik geloof dat Willem Pasterkamp de eester conciërgie was van het buurthuis, waarin ruimte was gemaakt voor de burgers om weelderig in het bad te gaan en onder de douche het lijf weer schoon te spoelen. De oude Hendrik Kramer gaf zijn mening over deze badgelegenheid toen hij dit gezien had. “Man, ouw op, je stappen zo in et badwoater Siloam.” Ondertussen was Hendrik Nentjes begonnen met het stellen van de bekisting om het beton te storten. Het eerste stuk werd gemaakt vanaf het huis van Pasterkamp naar de zijstraat vanuit Wijk 6. Naast het huis van Hein Ras stond het huis van Verstelle, waarin toen vader Verstelle bij zijn dochter Christien en haar man Albert van Urk woonde of misschien ook wel andersom. Verstelle was getrouwd geweest met een Urker vrouw uit de familie Nentjes. Teunis Nentjes (de Neef) noemde Christien zijn nicht. Misschien komt daar wel de bijnaam “de Neef” vandaan. Teunis leverde brood en melk aan huize Verstelle en Christien noemde hem neef Teunis. Christien sprak geen Urks, omdat thuis altijd door meester Verstelle, hoewel hij uit Zeeland kwam, de Hollandse spraak werd gebezigd. Albert, als eerste klerk en ook nog gemeente-ontvanger met een kantoortje aan huis, sprak natuurlijk ook het beschaafde Nederlands. Verstelle had twee zonen die ik gekend heb. Ze heetten Johan en Piet. Johan was getrouwd en woonde in Rotterdam. Door de oorlog moest hij verhuizen naar Gouda. Toen wij in 1956 in Gouda kwamen wonen is hij verschillende malen bij ons in de Van der Palmstraat thuis geweest. Zijn vrouw heb ik toen nooit gezien, maar Piet stond als toeschouwer bij de avondvierdaagse omdat zijn dochter daar haar kilometers aflegde. Hij werkte bij de S.H.V. in Rotterdam en is later weer terug gegaan naar die stad. Het huis waar de familie Verstelle in Gouda heeft gewoond, heeft onze tweede zoon in 1972 gekocht en hij woont daar nog steeds. De broer van Johan, Piet, was leraar op een middelbare school in Den Haag, Voorburg. De twee broeders waren in de grote vakantie altijd enige weken op Urk om de familiebanden aan te halen en te genieten van de kookkunst van zus Christien. Albert had een broer die dominee in de Gereformeerde kerk was. In mijn Goudse tijd als ambtsdrager heb ik die dominee-broer wel eens ontmoet, want hij was beroepen naar Haastrecht. Zijn ingang en zijn uitgang waren daar van grote klasse, want door gemeenteleden, jong en oud, werd hij hogelijk gewaardeerd als herder en leraar. Een lid van het domineesgezin heeft tot zijn dood toe onder ons op Urk gewoond. Hij trouwde met Antje Metz en begon zijn electriciteitsgaven ook als koopman met behulp van zijn vrouw aan te bieden aan de Urker bevolking. Het huis waar Albert, Christien en de oude Verstelle woonden in Wijk 6 vond ik een juweeltje. In het voortuintje stonden een paar grootbladerige geleide bomen. Deze bomen gaven de daar achter liggende kamer een mysterieus licht als de zon in de zomer zijn verzengende stralen naar de aarde zond. De ingang van de woning was afgesloten door een fraaie deur, waarvan de ramen beschermd werden door siersmeedwerk. Naast de deur zat op de gevel een koperen plaat met het opschrift: ‘Kantoor van de Gemeente ontvanger’. Ik zie Albert nog op de deur toelopen en zijn grote sleutelbos uit zijn zak opdiepen en met een sleutel de deur openen. Wie in huize Verstelle iets wilde aanbieden, moest aan de koperen knop trekken om luide de bel te doen overgaan. Christien of de dienstbode deden dan de deur open. Eenmaal binnen was er een lange gang en in dei gang, direct rechts, was de deur naar het kantoor van Albert van Urk. Bij de reciteervereniging ‘Dindua’ heb ik drie voorzitters meegemaakt. Dat waren Gradus Metz, Hendrik Snijder en als laatste Albert van Urk. Albert vond het heerlijk werk en voelde zich onder Dindua’s mannen volkomen in zijn sas. Twee reizen per schuit met ‘Dindua’ waren volgens hem hoogtepunten in een korte mannen-vakantie. Zo kwam het ook dat wij in de oorlog te zijnen huize de eindvergadering hielden. Eén der leden bood aan om na het diner vrouwe Christien de helpende hand te bieden om de tafel op te ruimen met de volgende woorden: “Mevrouw, ik zal u mijn mannelijkheid tonen.” Deze uitspraak heeft dat betreffende lid jaren achtervolgd.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Ooit was er een saneringsplan. Dat was onder burgemeester Schipper in de jaren ’60. Een ingenieur, Kraayhagen (we hoorden ook: Kraayenhage) was de ontwerper van een even rigoureus als stoutmoedig plan, dat de wijken 1 tot en met 7 omvatte. Van de oude dorpskern zou vrijwel niets overblijven. De journalist Joh. G.C. Kooiman liet in het geïllustreerd christelijk weekblad ‘De Spiegel’ van die dagen voor- en tegenstanders aan het woord. Het plan verdeelde Urk in twee kampen en ging uiteindelijk niet door. Gelukkig maar ,verzuchten we nu, na vele jaren. We moeten er niet aan denken dat de oude dorpskern zou zijn weggevaagd, inclusief de Bethelkerk. Ook dit karakteristieke hoekje zou definitief verwezen zijn naar de rubriek ‘Urk in oude ansichten’. Waar bevinden we ons en wanneer zag het er zo uit? De foto is van 1928 en we zien een gedeelte van Wijk 1. Links zien we de panden Wijk 1 nr. 80 en 79. Aan de andere kant dreef Marij van Lubbertje geruime tijd haar kruidenierswinkeltje, bij velen nog in herinnering. Het was een knus winkeltje met, als wij het ons goed herinneren, koperen weegschalen. Recht voor ons, het huis met het puntdak, zien we de winkel van Harm Hendrik Gerssen en Jacobje Keuter, Wijk 1 nr. 70. Het pand, nieuw opgebouwd, draagt nu de naam ‘’t Ussien’ en wordt bewoond door de weduwe Schraal-van Hoorn. Daarnaast woont, op nummer 71, de heer Tijmen de Boer en op nummer 72 (niet zichtbaar) woont de weduwe P. Korf-Kramer. Zij en haar man, Egbert, hadden een zuivelwinkel op nummer 67. In die woning woonden vroeger twee burgemeestersdochters, de dames Kagei, van wie er één luisterde naar de voornaam Regula. Het pand grensde aan het voormalige hotel-café-restaurant Schraal, nu Chinees-Indisch restaurant ‘Hai Li’. Op de voorgrond, begrensd door schutting en ‘uffien’ zien we het erf van Hendrik Hoefnagel, ooit kapitein op één van de Urker boten. Het straatje leidt via een bocht naar hotel Van Woudenberg. We keren nog even terug naar dat saneringsplan. Het is vooral te danken aan de inspanning van wijlen Lub Kramer (Lub van Jan van Bubbe) dat de oude dorpskern bewaard is gebleven. Hij schreef een verweerschrift dat op Urk huis-aan-huis werd verspreid en omdat hij op Urk grote achting genoot kreeg hij veel medestanders. Uiteindelijk zou Urk zichzelf saneren en bleef het oorspronkelijke karakter van de bebouwing grotendeels bewaard. Gelukkig maar, zeiden we. Aan de andere kant moeten we de toenmalige burgemeester recht doen. Hij had het beste met zijn bevolking voor en de omstandigheden waarin veel bewoners toen verkeerden waren soms schrijnend te noemen.

    Het laatste jaar (14)

    Zijn zwager Van der Weel, die op de Noordweg woonde, was geëvacueerd naar Utrecht, want zijn huis was door het water onbewoonbaar geworden. Heden moesten plm. 120 mannen zich melden om in de omtrek van Zwolle voor de weermacht te werken (graafwerk). Wie nalatig was zou zich en de zijnen aan zware straffen blootstellen. Slechts 30 hebben zich aangemeld. Een vrij groot deel onzer vloot heeft vanmorgen de haven verlaten, velen zegt men zonder netten (om zich te onttrekken ?). De omroeper, ditmaal Willem L. Kramer, riep vanavond al de ontbrekenden op, dat er morgen van 9-12 nog gelegenheid open was zich te melden. Anders tot straf: hun huis in brand gestoken en als ze gevat werden naar Duitsland gevoerd.
    19 Februari. Heden de centrale keuken geopend. Al vrij druk gebruikt. Bij velen is de aardappelvoorraad al gering.

    Wordt vervolgd

  • 7 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Een visserman èt altees wat
    Eawen je jonges nog wat verdiend van de week? Nou, ze eawen d’rluiers part, maar maar ok niet. Eawen ze ok op de legge evist? Daor binnen mooie skolletjes evongen, oor ik daor. Nee ze eawen de iele week in de steanen eklaawd. Daor wil nog wel d’rs wat tonge zitten, maar je kunen d’rs ok gemakkelik je teug weg bringen. Ze adden gelokkig niet vuul averije. Maar d’rluiers maot, die bij ’rlui in de buurt viste, verspuulde nog een nije ongerzede, dat beabe Jan kan wier een paor poendjes gaoren verbreien. Ja, as er niet eskeurd worde kon Klaos van Tuus wel op z’n rogge goon leggen, in z’n bruur Indrik erbij. In zo et ’t altees al ewest: d’ îene z’n dood is d’ anger z’n brood. De zealemakers moeten ok leven. Een visserman trekt angers altesen an ’t kortste eande. Kiek maar nor de koeboeren. Klagen gien gebrek, maar ze goon je maar doen ene. Ei je ’t duur? Een visserman is altoos vor een anger in de weer. Een kellefien wort een koetjen, maar een zeltjen wort een dweltjen. Zou je dan mit je neve Flerik realen willen? Vor gien goud! Die zit onger de plak van z’n vrouwe, in ik eaw een vrij leven. Fim is blede as ik teus koem in blede as ik wier voort goon. In al is ’t dan gien vetpot, we eawen de vrede. Nou, wat kuun je nog maar begeren?

    jonges – zoons (die op het schip van vader varen)
    maar – 1. maar, 2. meer
    de legge – een zekere visplek
    in de stienen – een steenachtige visplaats
    klaawen – modderen; moeizaam werken
    ’t teug weg bringen – ’t viswant verspelen
    ongerzede – onderkant van kor of kuil
    op z’n rogge goon leggen – geen werk meer hebben met alle gevolgen van dien
    eande – eind
    ei je ’t duur? – snap je ’t?
    een zeltjen wort een dweltjen – een zeil wordt al gauw een ‘dweil’ (dus waardeloos)
    realen – ruilen

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (3)
    ,,Wacht effen Jan, ik loop mit je mie nor de boot.” ,,Da’s goed Willem” zei ik, “jie eawen wel gaauw verlof.” ,,Dat komt”, zei Willem, ,,de kapitein zeen, goon jie maar zo lange nor eus tot we beter goed vor je eawen. Zo kan een mins z’n vaderland toch niet dienen.” Wij liepen gezamenlijk het perron af op weg naar de boot. Ineens, buiten gekomen, sloeg Willem met zijn rechterhand naar zijn hoofddeksel en bracht de militaire groet. Er passeerde ons een met goudgalon versierde persoon, die ons geen blik waardig keurde. Willem zei: ,,barst vint!” toen hij niet terug gegroet werd. ,,Maar Willem, dat was geen marineman, maar de kapitein van de Staverse boot, die heeft ook drie gouwen banden met een krul om zijn mouwen.” We liepen langs de haven en onder de ,,Dromedaris” door naar de boot. In het straatje net voor het cafe van Moleman kwam ons een Sandeman sherry-figuur tegen, we liepen hem gewoon voorbij. Even later hoorden we een stem die riep: ,,Hee soldaat, kun je niet groeten?” Ons omdraaiende zagen we dat de cape opengeslagen was en daaronder een marine-uniform. ,,Als je me niet kent, zeg je maar u tegen me”, riep Willem terug. ,,Kom aan, we gaan naar de boot, ik wil naar Urk.” We versnelden de pas, maar de cape met de man er in kwam ons achterna en ging op het marineschip om even later terug te keren met twee gewapende matrozen. Die liepen dwars over naar de ‘Insula’, gingen de salon binnen en zochten Willem. Even later werd Willem tussen de gewapende matrozen afgevoerd naar de oorlogsbodem. Het gaf natuurlijk een ontzettende consternatie aan boord, een Urker soldaat opgebracht door de marine. Willem Kroon, de kapitein, kwam boven en zei: ,,Alles klaar mensen? dan gaan we.” ,,As we nog effien wachten dan oalen ze alle passagiers van de boot of”, zei Lub van Mina. ,,Wat is er loos dan”, zei Kroon, ,,ik wiet niks”. Ik vertelde Willem Kroon mijn ervaringen met Willem de Boer en over het groeten van de kapitein van de Staverse boot en het niet groeten van het jonge luitenantje en de toestand er na. Willem keek langs mij heen in de verte en dacht diep na. ,,Janneman”, dat zei Kroon altijd als we heel vertrouwelijk met elkaar waren, ,,Janneman, we laten onze passagiers niet van boord halen, haal je witte pet met het marinewapen er op, dan gaan we onze passagier ophalen.” Even later gingen we op weg naar de oorlogsbodem. Tegen de schildwacht zei Willem Kroon: ,,De kapitein van de postboot meldt zich voor een gesprek met uw commandant.” Na veel vieren en vijven stonden we tegenover de commandant van de oorlogsbodem. Drie gouden banden met een krul om zijn mouwen, dus de rang van kapitein ter zee. Kroon kende de rangen, want hij was zelf in de vorige oorlog, 1914-1918, schipper bij de marine geweest. ,,Mag ik weten”, vroeg de commandant, ,,wat de reden is dat u mij wilt spreken?” ,,De reden is nogal ernstig”, antwoordde Kroon, “door twee miliciens is in opdracht van een van uw luitenants ene passagier van de postboot, die onder mijn commando staat, gehaald, en hiertegen moet ik fel protesteren.” ,,Toch geloof ik dat uw protest niet op zijn plaats is, want die passagier van u, een soldaat, heeft niet aan de groetplicht voldaan en een order van een meerdere niet opgevolgd.” ,,Misschien”, antwoordde Kroon, ,,kan mijn hofmeester beter de toedracht vertellen die tot het incident heeft geleid.”

    Slot volgt, JtN

    Bij een oude foto

    Het lijkt wel, beste lezers, of de havenkant uitgekamd wordt. Een soort vreedzame razzia op zoek naar het verleden van gebouwen en huizen. En in zekere zin is dat ook zo, de komende weken blijven we op en rond de haven ronddolen, bij leven en gezondheid. Wat zien we op deze foto? We zien een viertal panden op de Westhaven. We beginnen bij het pand links op de foto. Dat was de schuur van Klaas Romkes, op Wijk 1-33. Het markante pand daarnaast behoorde aan de op Urk welbekende vishandelaar Albert Hakvoort (Albert van Inte). Let op de gemetselde sierbogen, die, voorzover onze herinnering reikt, bekroond werden door chromaattegels. Nu wonen op dit adres, Wijk 1-34, Lub en Marieke Kramer. Die vreemde uitbouw was het portaal, dat toegang gaf tot de bovenwoning. Vijf stenen pinakels bekronen de eindgevel, heel ongewoon op het eiland Urk. Dan krijgen we het bedrijfsgebouw van de vishandelaar Jan Brouwer met de zogenaamde ‘kraak’, hier nog van hout. De woning op en onder de kraak werden ooit bewoond onder andere door Jacob van Slooten (UK 26), Jakke Ras, de vishandelaar, Willem Kramer (UK 84) en Jan Brouwer (UK 134). De lijst is niet volledig. Later werd de schuur een opslagplaats van oliehandel de Boer en nog weer later had Andries Hakvoort, de scheepstimmerman, er zijn bedrijf. In het verbouwde pand zijn de vier leeuwtjes uit de oorspronkelijke gevel weer ingemetseld, tezamen met (vermoedelijk) een jaartalsteen. De schuur is nu in gebruik bij sleepbedrijf Kapitein en Auke en Co Kapitein wonen nu in de riante bovenwoning met een schitterend uitzicht over zee en havens. Over de ‘Urker Stores’ van Douwe Gnodde schreven we reeds eerder. Als aanvulling mogen dienen dat de winkel ooit gedreven werd door Jan Brouwer, in scheepsbehoeften.
    Op de voorgrond zien we de houten beschoeiing van de Westhaven, die naar het oosten en westen doorliep tot de werven van Metz en Hakvoort met een onderbreking door de werf van Roos. De haven was toen een rijkshaven en is dat nog lang gebleven. En, o ja, we weten nu hoe de hoogte vanaf de Bethelkerk naar de Westhaven in de volksmond genoemd werd. Volgens Alie Post-Romkes was dit het ‘Wagenpad’. En dat sluit dan weer mooi aan op wat we daar eerder over schreven. Tot ziens op de haven!