Tag: Lemmer

  • 4 april 2002

    Oenze eagen Urker taol

    t Kan verkeren
    Ze eawen nou een oop lef, in toe ie trouwen mós ad ie angeref imd in een beffe mit leuzen. De innen liepen after ’m an, want ze atten daor elke dag van die gekope rees, in in de wienter adden ze gien kaaw. Maar zo gat ’t, as niet komt tot iet… Zeg dat wel. IJ èt er angers z’n gat maar mooi in edreid. Er was mitien wat t’ ùrven, toe z’n skoonvaor kwam te stùrven. In dat zo skielik. In toe was ie boven jan. In ze was ienigste dochter, dat er kwam ok varders gien mins an te rukken. Dat was bij m’n neve Steven wel wat angers. Toe die stùrf kwammen ze as sparkerijers anvliegen. Maar dat angetrouwde nichien ad de beat al nor d’r toe aold. ’t Et er gien weeneieren elegd dat ze ’m wel d’rs een pannetjen soep brocht. Dat worde vanzelf grote arrie. Wie zalig wil stùrven, moet aarlijk ùrven, zegt ’t spreekwoord. Maar ik bin bange dat ’t bij z’n bruur Knieles net zo gat. Je zullen d’r nog van koemen oren. De baotjes zullen d’r nog eut moeten. As ze maar niet vor de fokke lopen. Knieles was ok niet van gisteren. Maar nou je ’t over ùrven eawen, ik dink dat m’n neve Klaos wel gaaw dood zal goon. Vroeger docht ik: Die gat niet vor elven, maar nou èt ie een vlieg’ aand. Kiek ers, wat ik van ’m krieg. Ik stoon ’t maar alf. Nou, nou, dat mag in de kraant.

    angeref imd – anderhalf hemd.
    een beffe mit leuzen – veel ongedierte; de beffe is de halsboord van het rode hemd.
    innen – hennen, kippen.
    rees – rijst.
    er z’n gat indreien – een voordelig plekje weten te krijgen, door een huwelijk bijvoorbeeld.
    skielik – snel, onverwacht.
    boven jan zijn – de (financiële) moeilijkheden te boven zijn.
    sparkerijers – spreeuwen.
    de beat – de buit.
    weeneieren – windeieren.
    de baotjes moeten eut – als ergens om gevochten moet worden; baotje – baattije.
    vor de fokke lopen – stuk lopen, opstropen.
    die gat niet vor elven – die kleedt zich niet uit voor hij naar bed gaat, die erft bij zijn leven niet af.
    een vlieg’ aand – een gulle, vrijgevige hand.
    ik stoon ’t maar alf – ik vertrouw ’t niet goed.

    Het laatste jaar (10)

    18 December. Luut Kamper zal aardappelen uit den polder brengen naar Den Haag. Zijn boot zal gaan via Haarlem en Leidschendam. Een mooie gelegenheid om de grote brieven van Chr(istien) en mij mee te geven, ook een doos met gemalen tarwe. Onze wens is dat Johan met de zijnen deze week naar hier komt, nu ook in Den Haag de hongersnood dreigt. De ‘IJsselstroom’ (de vrachtboot van Luut Kamper, red.) voor donker vertrokken. 19 December. Van Johan en Lies en kinderen brieven voor 14 December. Ze hebben nog voor hoogstens een maand en dan is alles op. Brood, paar sneedjes per dag. Aardappelen bijna op. Geschreven 3 December. Ze betalen al 200 gulden, in Den Haag zelfs f. 250,0 en meer. Boonen en erwten zijn niet te bekomen. Melk nu en dan. Tot 6 uur bleven ze in ’t donker, dan een kaarsje op en 8.30 naar bed. Om 4 uur oude salamander (kachel, red.) aan om eten te koken en dan weer zonder vuur. Heden huiszoeking bij Hulsman en Jan F. Post. Veel in beslag genomen. 23 December. Luut Kamper, j.l. Maandag van hier vertrokken, is zeker al in Den Haag aangekomen. 28 December. In den afgelopen nacht om half drie is Johan met de zijnen bij ons thuis gekomen, na j.l. Maandagmiddag 25 December ’s middags plm. 5 uur van de sluis te Leidschendam weggevaren te zijn. Het vroor toen al flink en op de Kagerplas veel ijs, bovendien op deze terugreis dikke mist. Een aantal menschen meegekomen. Ook bij Johan was maar weinig brandstof en aardappelen. 3 Januari 1945. Met de boot van Kampen zijn hedenavond teruggekomen de predikanten Spijker en Pietersma. 31 Januari. Deze maand met ijs en vaak sneeuw weinig gebeurd om te vermelden. Zelfs dagen zonder luchtalarm. Heden is ’t weer omgeslagen en flink gaan dooien. L. Kamper’s boot door ’t polderkanaal naar Lemmer om slachtvee en melk. Boter is al een paar weken niet te bekomen, evenmin jam, stroop, suiker, zout, lucifers. Per omroeper is bekend gemaakt dat vanavond het elektrisch licht voor het laatst zal branden. Geen kolen, althans niet genoeg om heel Urk van licht te voorzien. Een klein aantal ambtenaren en anderen als dokters, de zusters en vroedvrouw, wethouder de Wit en dan de D(uitsers) in pastorie en hotel Woudenberg, behouden licht, ook wij. Van Piet deze maand nog geen brief gehad, maar in een brief van Joeke Stevens aan Lies schreef ze Piet in Gouda te hebben gesproken. Misschien ligt in Enkhuizen nog een brief van hem, de boot is al dagen lang niet naar Enkhuizen geweest. De politie te Voorburg heeft het raadhuis opgebeld om Johan te zeggen dat zijn school te V. 5 Februari weer aanvangt. Wij eten al enige dagen droog brood, waarop een warm prikje van de stamppot. 10 Februari. Via de Voorburgsche politie is aan Johan gemeld dat zijn school eerst 1 Maart zal aanvangen. Hij en Lies kunnen dus nog vooreerst nog blijven, en we hebben gelukkig nog te eten en brandstof. Ons lichtrantsoen is slechts 4 K.W. In onze woonkamer hebben we thans een lampje van 17 kaars.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    Op onze wandeling over de havenkant zijn we nu op de boothaven aangekomen. Dit havengedeelte werd als open haven aangelegd in 1819, de oudste haven van Urk. De oostelijke havenkom werd in 1834 afgesloten met een dam. In 1878 werd de haven uitgediept tot twee meter onder volzee. De komst van de bootdienst in 1890 maakte de bouw van een aanlegsteiger noodzakelijk. Ook verrees toen naast de werfboet van Roos een eenvoudig kantoorgebouwtje, op Urk bekend als ‘’t boot-ussien’. Het gebouwtje staat er nog steeds en herbergt nu een grillroom met de exotische naam ‘Hawaii’, net niet op de foto te zien. Hier gaan we van start en als we de hoogte oversteken zien we eerst een statig winkelpand oprijzen. ‘Kruidenierswaren en Aanverwante Artikelen’ staat er op het gevelbord te lezen. De weduwe Alb. Brouwer dreef er een winkel. Later kwamen daar pensiongasten bij en nog weer later werd er in de kelder onder het huis de grondslag gelegd voor de limonadefabriek Brouwer. Ooit was de folklorist Cruys Voorbergh hier te gast. Hij at er zijn lievelingstoetjes, griesmeelpudding met abrikozen. Nu serveert restaurant ‘Mes Amis’ er culinaire hoogstandjes. De huizen ernaast zijn inmiddels afgebroken en op die plek staat nu restaurant ‘De Zeebodem’. Het gebouw uiterst rechts op de foto was een van de weinige hotels op het eiland. Eerst zwaaide Hein van Woudenberg er de scepter, daarna nam Klaas Schraal het hotel over, samen met zijn vrouw Dirkje Ras. De naam veranderde: ‘Hotel Café Restaurant De Verwachting’. Zoon Meindert Schraal en zijn vrouw Geertje Korf zetten de zaak voort. Nu is het een Chinees restaurant: ‘Hai-Li’. Op het pleintje voor deze huizen en gebouwen verzamelde zich vroeger het publiek om de aankomst van de boten gade te slaan. Zij stelden zich dan op achter de zogenaamde ‘witte lijn’ om de bootreizigers een ordelijke doortocht te verlenen, al of niet afgedwongen van de toezichthoudende veldwachter. Met de komst van de vaste wegverbinding door de Noordoostpolder begonnen de horecabedrijven hun hotelfunctie te verliezen. De handelsreizigers kwamen per auto naar het voormalige eiland en hoefden niet op Urk te overnachten. Maar nog altijd vormt dit havenbuurtje met zijn gezellige terrasjes en zitbanken een levendig ontmoetingspunt van toeristen en plaatsgenoten, al meren er al lang geen boten meer uit Kampen en Enkhuizen.

  • 10 januari 2002

    De gouwen ketting (vervolg)

    ,,Et lik et veraoltjen van et vrouwtjen van Stavoren wel,” riep Tiemen triomfantelijk, ,,nou eaw ik ok ’rs een gelukkien.” Garret z’n ogen worden zo skotteltjes. Z’n moend vul eupen van verbaozing. De angeren mozzen muuite doen om niet in de lach te skieten want Garret kiek zo verbaosd. ,,Dat is een mooie! Oe is et muugeluk, een ketting in een gullebuk. Dat eaw ik nog nooit mie emaakt. Ik goon een zaoterdag gelik nor Ansien van de Klokkewinkel om te vragen wat of ie waard is. Dan lot ik gelik et slutjen maken, want dat zal wel stokked wezen’ ging Tiemen duur. Opiens stotterde Garret ,,Et is ’r net zo’n iene as menen. Die et zuvenoenderd gulden ekost in die eaw ik nog van m’n mimme ad vor m’n visserijskoeldiploma. Lot ’rs effen zien.” Tiemen ul de ketting vor Garret z’n neuze in opiens zeen Garret; ,,Et likt meen ketting wel.” Gelik voelde ie in z’n aals. ,,Oe kan dat nou, meen gouwen ketting is weg.” IJ griep nor et vor z’n ogen bungelende sieraod. ,,Dat zou je wel willen,” riep Tiemen, ,,ik eaw em aarlijk evoenden. IJ is vor mij in ik gief em an oenze Gaartjen. Oe moet joen ketting trouwes in een gulle terecht koemen. Lot je nao kieken.”,,In toch is ie van mij. Ik wiet ok niet oe ie in die gulle ekeumen is. Miskien is ie wel overboord evullen of in de boks in et dat biest em toen op egeten,” riep Garret kwaod. Opiens begonnen ze allemaol te lachen want ze konnen et eurlui niet maar goed ouwen. Ze kwammen niet mar bij om die kwaoie snuut van Garret. Tiemen gaf de ketting terogge. ,,Voel effen in je euliebroek of je plaotien ’r nog is, want dat eawen we niet evoenden. Algers bin je dat wel kweet.” Z’n plaotjen was gelokkig in z’n laars evullen in dat was z’n twiede gelukkien.

    Rein

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron

    Al weer een tijdje geleden hebben we een afvalcontainer gekegen. Het zijn van die grote bakken met twee wieltjes eronder. In de ene gaat groen en keukenafval en in de andere het normale afval dat verbrand wordt. Het blijkt dat de groene container meer afval krijgt te verstouwen dan de grijze container. Een container per week, die door een moderne vuilniswagen wordt opgehaald. Met grijparmpjes worden de containers opgepakt en door de mannen op de goede plaats gezet. De bak wordt geledigd in de buik van de vuilniswagen die bijna een half miljoen kost.
    Op dat moment verwijlden mijn gedachten naar de dagen van weleer, ze gingen jaren terug en op mijn netvlies verschenen Jan en de baron.
    Door de Urker straten rijdt een wagen. Het is een grote rechthoekige bak op een wielenstel. Voorop is een plankie wear de menner op zit en aan de achterkant kan de palfrenier staan als alles is opgeladen en de kar richting losplaats vertrekt. Met deze wagen wordt eenmaal per week het vuil opgehaald. Nu waren we toen maar met z’n vierduizend Urkers onder elkaar en we maakten niet zo veel vuil. Het waren de vaste en urinale stoffen die tijdens het voeten bedekken, ook wel de stoelgang genoemd, onze body verlieten en in de emmer terecht kwamen. Ja, wat wil je, we waren toen nog niet zo modern. De nachtspiegel (de pot) was nog in grote ere onder ons en deze werd op de put geledigd. Bij de nieuwe huisjes die toen gebouwd werden kwam ook een gemetseld ‘huisien’, waar aan de straatzijde, onderaan, een deurtje of luikje was gemaakt waardoor de emmer naar buiten kon worden gehaald ter lediging in de kar. Waar dit niet zo was en er maar een eenvoudig optrekje van hout tegen het huis was aangebouwd, kon de roep gehoord worden: “Aole, ei je de immer al beuten e-zet, de karre komt er an !” Nou nou Jan, zo kan ie wel weer. Nee, laten we de zaken eens op zijn merites bekiiken, zou Teunis Visser zeggen. Als ik zo terugdenk kan ik niet dankbaar genoeg zijn dat we nu in andere omstandigheden leven.
    Toen ons huis in 1936 op dezelfde plaats gebouwd werd, verdween het ‘huisien’ van buiten en werd er een toilet in huis geplaatst, een watertoilet. Dat wil zeggen: na de grote boodschap moest je er zelf een emmer water doorheen gooien. Dit alles ging via een beerput op of naar de al aanwezige riolering. Het was nog niet zo, zoals onze buurman Piet Ras ons zijn relaas vertelde, nadat hij op bezoek in de Zaanstreek geweest was: “Ik ging nor et uisien, gaf een trek an et touwtjen in et iele spul was toe zo in Amsterdam.”
    Nu we bij Piet beland zijn, komen we ook bii de baron. Deze was daar ter woning als broeder van de vrouw van Piet, Lebe. Er was ook nog een Jan thuis, ook weer een broeder. De naam van de baron was Klaas. In de volksmond was dit Klaas de baon. Hoe of hij aan deze naam gekomen is weet ik niet, maar ik geloof dat hij ook geparenteerd was aan het ‘vorstelijk huis’ dat wij toen op Urk bezaten. Ze woonden bij het eerste gat, waar de basaltwateverdediging overging in het paalscherm. Er is nu een parkeerterein gemaakt. Een groot hek sloot de binnenplaats af waar de familie woonde. Ook Jaaie en Marie woonden daar Jaaie Stokebrand was erkend jager, met een roeibootje zette hij zijn botnetjes uit. Willem de Boer woonde daar met twee zusters. Willem was losvaste werker in de turf, in het steenlossen en hij was bij Jan Woord op gezette tijden in het hooi en ’s winters was hij betrokken bij het legen van de groep achter de koeien. Hij minde de lekkere warmte van de stal en praatte met de koeien welke hij, volgens overlevering ook in zijn avondgebed gedacht.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Volgens de ons verstrekte gegevens zou deze foto omstreeks 1946 genomen zijn. Op de ‘Kamperdijk’ lagen nog tonnen en tonnen puin van Rotterdam. Dat puin werd al snel na het bombardement van die stad in de meidagen van 1940 gestort op de beide meerdijken nabij Urk en op de Rotterdamse Hoek halverwege Lemmer. Jan de Wit, nu in Canada, vond tussen dat puin een beeld, dat hij naar Urk probeerde te sjouwen. Het was natuurlijk geen doen voor de jonge Jan en hij moest het na enkele kilometers opgeven, dumpen dus. Later zagen we het beeld terug in museum Schokland met het onderschrift: ‘Romeins beeldhouwwerk, gevonden ten Oosten van Urk’. “Ze kunnen alles wel beweren”, zei Jan toen, “maar dat is meen bield in et is zeuver Rotterdams.” Op de foto is het hoogzomer, veel jeugdige badgasten zijn er op het strand te zien. In die tijd lag er een scheepswrak voor het ‘kleine strandje’, ook al een oorlogssouvenir. Naar ik meen was de naam van de klipper ‘Spes Salutis’. De kop van het schip werd als duikplank gebruikt. Het leverde Koos van Wijk later een gewonde voet op. Een sleepboot verlaat de haven met een ‘bak’ van de Zuiderzeewerken. Woonarken van opzichters en ingenieurs liggen nog in de haven, van waaruit enkele bottertjes vertrekken om hun geluk te beproeven in de hoop op enkele ‘wichies’ van die kostelijke lJsselmeerpaling. Een ‘wichien’ was meen ik honderd pond. Als je, zoals ik, de zoon was van een IJsselmeervisser, mocht je in de vakantie wel eens met vader mee, zee op. Een hele belevenis, vooral als je op ontdekkingereis zo’n mooie Staverse boot tegenkwam, sierlijke zwanen met eerste, tweede en derde klas en met een schoorsteen in dat onbestemde geel met aan de bovenkant een brede zwarte rand. Ach, die laatsten der Mohicanen. ‘C. Bosman, W.F. van der Wijck, R. van Hasselt, zo heetten ze. Prachtige boten waren dat. In de nadagen van het spoorwegveer heeft onze eigen ‘Insula’ de dienst nog gevaren, Enkhuizen – Stavoren vice versa. Dat ouwe Rijnstomertje was natuurlijk geen partij op die illustere lijn.