Tag: Klaas de Baron

  • 11 april 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (1)
    Zo noemden wij de straat die liep vanaf de achterkant van het huis van Hein Ras, beter bekend in die tijd als manke Hein, zo naar het oosten waar hij aansloot op de samengevoegde Prins Hendrikstraat en Raadhuisstraat. Toen hij gemaakt werd was dit een levendige straat met veel vertier. Wonderlijk was het dat deze straat links en rechts langs de achterzijden van de daar gebouwde woningen liep. De naam ‘Kalkenstraat’ werd door de oudere bewoners daar ter plaatse zo gegeven, omdat de vroegere huizen ook met veel kalk en tras werden gebouwd. De jongere mensen gaven de straat een andere naam en hielden die in ere. Het plaveisel van de straat werd gemaakt van zand, fijn grind en cement. Dít mengsel van zand en cement, met wat kalk toegevoegd, werd later ook bij de bouw van de nieuwe huizen gebruikt om de muren te metselen. Zo had de straat twee namen: Kalkenstraat en Cementenstraat. Wij willen proberen om de bewoners ter weerszijden van de straat tijdens de bouw van de straat te traceren. Eén riolering in de straat kon dus de woningen aan beide zijden bedienen. Voorzover wij weten was er in die tijd geen riolering langs de noordkant van de woningen van Wijk 6, die toen de uiterste rand van het dorp vormde, voordat de woningen in Wijk 7 in de jaren tussen 1930 en 1940 werden gebouwd. Wellicht is er, eer dat de straat werd aangelegd, een riolering gemaakt. In de Oudestraat was al in mijn jeugd in de straat waar ik woonde (Wijk 6-23), een riolering aangelegd. Toen de Kalkenstraat werd aangelegd was dit een heel spektakel. Of het een werkverschaffingsproject was en er misschien wat centen overgebleven waren van de bouw van de regeringshuizen is mij niet bekend. Maar hij werd gemaakt en het was een hele verbetering. Hendrik Nentjes was in die tijd de opzichter van de gemeente. Gemeentewerken kan ik het niet noemen, want het geheel stelde toen nog niet veel voor. Veel gemeentepersoneel was er toen nog niet in dienst. Geert van Eerde was toen de timmerman in vaste dienst. Verder was daar de gemeentereiniging en die bestond uit Jan Kroeze en Klaas (de baron). Jan zorgde tevens voor het paard dat de kar trok en de zorg voor de gemeentestier was hem ook toevertrouwd. Zo had Jan ook de regie als de stier zijn plicht moest doen om nakomelingen bij de Urker koeien te verwekken. Dit laatste gebeurde altijd binnenshuis in de gemeenteboet. Omdat ik vaak bij Klaas van Urk in de stal vertoefde mocht ik een keer mee om een koe bij de stier te brengen. Toevallig waren er twee koeien die behoeftig waren naar een mannelijk koebeest. Dus de Zeeman (Cees Kroon) en ik voerden elk een koe aan het touw naar de voorstelling. Eerst mocht ik van Jan Kroeze niet naar binnen, want anders zou ik een ‘pinoge’ krijgen van de handeling. Maar Cees bracht naar voren dat de koeien op de wei ook wel eens aan het klimmen waren en dat ik daar wel aan gewend was. Zo bleef ik dus, maar ik vond het springen van de zware stier op de ranke witrug een ruwe vertoning en ik besloot om maar geen boer te worden. Dit waren dus allemaal gemeentelijke handelingen waar Hendrik Nentjes dus ook zijn bemoeiingen mee had. Hendrik Nentjes was een kort stevig mannetje met donkere priemende ogen in zijn hoofd. Vanwege zijn maatschappelijke functie droeg hij een hoed. Later, toen Geert van Eerde een wat ‘opzichterlijke’ functie kreeg, ging hij zijn pet thuislaten en kwam op het werk met een hoed, nadat hij een nieuwe zondagse hoed had aangeschaft. Hendrik Nentjes werd ‘het boasien’ genoemd of ook wel het Kampertje. Dit laatste is nog waar ook, want Hendrik is op Urk geboren, maar heeft in Kampen gewoond. Hendrik was namelijk een zoon van Hendrik Dubbelsz Nentjes, die postschipper was en getrouwd met Jannetje Jacobsd. Snoek. Zijn ouders hebben als Urkers in Kampen gewoond. Een zuster van hem, Marretje Hendriksd. Nentjes is op 26 mei 1892 op 22-jarige leeftijd getrouwd met Pieter Brouwer (Piet van Geertjen). Toen zij op Urk wilden trouwen, moest Marretje eerst uit de boeken in Kampen worden overgeschreven naar de Urker gemeentelijke boeken. Piet was vishandelaar, winkelier en koopman en hij ging in de politiek. De Nentjessen waren een ordentelijke familie in die dagen en zo werd dus de zwager van Piet Brouwer, Hendrik geheten, opzichter bij de gemeente Urk. Hendrik werd verliefd op een meisje dat Marretje de Vries genaamd was. Marretje was thuis bij Willem van Tromp en zijn vrouw. Zij hadden geen kinderen en Marretje kwam bij haar oom en tante thuis.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    Als het kleine huisje, centraal op deze foto, kon spreken, zou het heel wat te vertellen hebben. Lange tijd was het namelijk de Urker brandweerkazerne. Ooit menen wij te hebben gelezen dat het eerste brandweerhuisje op Urk zich naast het Kerkje aan de Zee bevond. Even nazien: dat klopt, maar het was de voorganger van het huidige kerkje dat na 1714 werd gebouwd. Creutz vermeldt het in een rapport dat op 3 mei 1781 werd opgesteld voor de stad Amsterdam, toen eigenaar van het eiland. (C. de Vries, pag. 282). De ‘kazerne’ op deze foto stond op Wijk 1 nr. 58. Rechts van het gebouwtje stond het enige openbare toilet op Urk. Links van het brandweerhuisje bevond zich de woning van Jelle en Lubbetje Hakvoort, Wijk 1 nr. 59. Nu staat op dezelfde plek een nieuw gebouwtje met een aardig voorkomen, een bergruimte voor de familie Post. We gaan naar het gebouw rechts op de foto, de zeilmakerij van de gebroeders Snijder. Een steen in de noordmuur, oud en verweerd, meldt ons: ‘Eerste steen gelegt door T. Snijder, Den 27 Augustus 1852’. Over de Snijders hebben wij al het een en ander verteld. Ooit waren zij scherprechters die hun huiveringwekkend beroep uitoefenden in de goede stad Kampen. De beulszwaarden hangen nog in het voormalige middeleeuwse stadhuis van die stad. Wie, die ooit Hendrik Snijder gekend heeft, niet lopend, maar schrijdend in statige zelfverzekerdheid, zondagsschoolonderwijzer en prominent kerkenraadslid, maar vooral beschaving uitstralend, zou dat ook maar enigszins vermoeden? Hoe kwamen de Snijders op Urk? Vermoedelijk vanwege groeiende morele bezwaren tegen het vak. Cees Snijder uit het Limburgse Berg en Terblijt vond aan het begin van de achttiende eeuw een Hendrikus Snijder als wonderchirurg en mogelijk eigenaar van een zeilmakerij op het eiland Urk. Nader onderzoek deed hem in Kampen belanden, waar hij erachter kwam dat genoemde Hendrikus de zoon was van een Kamper scherprechter. Nu hebben we het nog niet gehad over het pand links op de foto. Dat was ooit de bekende ‘Bazar ’t Hoekje’ van Jantje Hulsman. Zij was getrouwd met Piet Hulsman, die later als arts afstudeerde. Het echtpaar heeft enige tijd in het toenmalige Nederlandsch Oost-Indië gewoond, waar ook dochter Augusta (‘Guus’) werd geboren. Het pand werd later een elektro-winkel en nog weer later kreeg het een horecabestemming (‘De Dichte Duur’). Nu wonen er Harmen Luut en Henny Bakker. Aan de zuidzijde van het huis is een naambord aangebracht: ‘Custos Deus’, dat was het schip van vader Jan Kramer. Tot de volgende keer.

    Het laatste jaar (11)

    Doch verreweg nog beter dan bijna overal bij onze medeburgers, die zich met een klein lichtje of ook wel zonder behelpen moeten. De boot is j.l. Donderdag voor het eerst weer gevaren naar Kampen (naar Enkhuizen al een paar weken niet) en kwam hedenmiddag in de haven, na enige uren in het ijs voor de haven te hebben gezeten, tot een sleepboot te hulp kwam. Van A. hoorden we, dat hier een 50 D(uitsers) zullen komen en daarvoor de westvleugel van de school gevorderd wordt.
    14 Februari. Heden 2e Woensdag in Februari weer Biddag en 5 keer luchtalarm, en door de Waffenbooten in de haven fel geschoten. Gisteravond door de ‘Insula’ (een van de Urker veerboten, red.), daartoe door het Roode Kruis gebruikt, 200 kinderen uit Amsterdam aangebracht en voor twee nachten in veler gezinnen opgenomen.

    Wordt vervolgd

  • 12 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen
    ’t Is zo dunne as een lovertjen.
    IJ beangelt (behandelt) m’n as z’n voetvege.
    IJ maakte as de duvel dat ie voort kwam.
    IJ is zo gek as een bos bieten.
    IJ is zo ol as een biet.
    IJ is ommekeerd as een blad van een boom.
    Z’adde een kleur as een roze.
    Ze verteert as de milden op ’t veld.
    Ze lachte as een vallen duvel.
    IJ was zo vrindelik as er iene.
    IJ lopt as malle jan in ’t oenderd.
    ’t Glimt as een keersemakersgat in de moneskeen (maneschijn).
    Ik bin zo love as een meier (zo moe als een maaier).
    IJ et ’t zo drok as een skeerbaos mit îene klaant.
    IJ et ’t nog drokker as een klean baosien.
    Ij was er zo groos op as de duvel op een nije zunde.
    IJ kîek m’n an as de klinkklaore boze.
    IJ is zo bretaol as ie groot is.
    Ze kan warken as een dartien (ze is een goede werkster).
    Ze is zo lank as de vuurmiddeg.
    IJ lag op de groend zo lank as ie ewossen (gegroeid) was.
    Ze is zo slecht as ’t waoter diep is.
    ’t Vreur dat ’t knïep (kneep).
    Ik bin as een zak zo love.
    Ik bin ’t love as gespuugen spek (ik ben het zat).
    De locht stat of ie katten spegen (spuwen) wil.
    Ij et een ge-ugen as een ezeren pot (hij heeft een geheugen als een ijzeren pot, d.w.z. een sterk geheugen).
    Ik bin zo of as een matten zak.
    Ze gîeven geld eut as zaand, as waoter.
    Die dingetjes binnen zo licht as de ijdeleid.
    ’t Vul m’n as koud waoter op m’n leef (lijf).
    Ij add‘ een gank as de rook (ze was heel boos en schold erg).
    Ze gebrukken Gods naam of ’t een lepeltjen zout is.

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (6)
    Van de dokter krijgt hij heel goede brandewijn mee op zijn tochten. “Denk er om Jan”, zegt de dokter, “voordat je de bussen opent eerst een slok brandewijn in je mond en met lysol je handen beschermen.” Zo roeit Jan en zo helpt hij de epidemie te bestrijden. Hij is ambtenaar, dat wil zeggen dienaar in de juiste zin van het woord. Jarenlang zag ik Jan ons huis passeren met in zijn hand een in een theedoek gebonden schaaltje met eten. Elke dag weer, ’s zondags en in de week. Dat eten was bestemd voor twee vrijgezellen, familie van hem, die in de straat achter Fokke de scheerbaas woonden. Het waren wat wonderlijke mensen die nooit buiten kwamen. Met mijn vader kwam ik er veel want ze waren meesters in het netten boeten. Veel mensen waren bang voor ze. Als trouw kerklid van de Hervormde kerk heeft hij jarenlang de kinderen van de Hervormde zondagschool verteld uit de Bijbel samen met zijn zwager Freek Brouwer. Jan deed dat op zijn eenvoudige kinderlijke manier. Met kerstfeest was de viering in de kerk, waar altijd een mooie kerstboom stond. Veel mensen kwamen dan luisteren naar de vertelling. Soms ging hij wel wat te ver, naar onze mening, in het aanduiden van de toestand in de stal. Zo vertelde hij eens dat Maria niet eens luiers bij zich had en toen maar “haar snotdoek om et keend z’n getjen ding.” Gelach op de galerij. Jan draaide zich om en zei tegen ons: “Ik vertel et vor de kiengeren, niet vor jului, grote vullemen!” Ik schaamde mij wel een beetje, want hij had gelijk. Zwager Freek deed de vrije vertelling over het boek ‘Peerke en zijn kameraden’. Ja, zo leefden wij die tijd op dat kleine eilandje midden in de zee. Klaas de baron is niet zo oud geworden. Op een vroege nieuwjaarsmorgen werden wij opgeschrikt door drukte op de Zegenaarshoogte. Wat bleek? Klaas was die nacht niet thuis gekomen. Later hoorden wij de toedracht van de zaak. Klaas had met vrienden de jaarovergang in een botter op de haven gevierd. Na de klok van twaalf ging onze Klaas nog even wat halen om de gezelligheid te bestendigen. Bij het overstappen van de botter op de wal raakte hij te water. Heel Urk leefde mee met dit tragisch ongeluk in de eerste uren van het nieuwe jaar. Jan Kroeze moest toch weer een secondant hebben op de kar. Er waren veel en goede sollicitanten, want het was een fel begeerd baantje, vooral ook omdat het toen nog in zwang zijnde ludieke nieuwjaarzeggen door de karrelieden een profijtelijke wrochting was. Het werd Jelle Romkes. Of het een rol speelde dat hij een buurman van de burgemeester was, durven wij niet te zeggen. De Zeeman (Kees Kroon) werd niet benoemd, ondanks het feit dat hij uitstekend met paarden wist om te gaan. Maar deze Kees kwam toch later in dienst van de gemeente toen Jan Kroeze de harp aan de wilgen hing. Aan een zeer werkzaam leven in dienst van de burgers van Urk kwam een einde. Samen met zijn vrouw mocht hij nog enige jaren van zijn pensioen genieten. Hij was nadrukkelijk aanwezig onder ons, door zijn werk, maar hij stelde zich nooit op de voorgrond. Er kwamen grote veranderingen. De kar ging weg, de stier ging weg, de zwarte, het paard werd verkocht. Er kwam een auto. De ene verandering buitelde over de andere verandering heen. Jan bleef nog lange tijd zijn familie het eten brengen dat Bape gekookt had. Er kwamen jongere onderwijzers voor de zondagschool, daar stopte Jan dus mee. “Et is zo kiengeren”, zei Jan wel eens, “as je ouwer worren, brikt alles bij je anen of.” Een waar woord, maar dat deze mens, deze eenvoudige man, een sterke indruk heeft achtergelaten, bewijst, dat ik nu, op 73-jarige leeftijd hem in gedachten nog zie lopen, de rug wat gebogen. En ik hoor hem nog praten tegen zijn paard: “Goon je gank maar zwarte, wij binnen ier kloar…”

    J. ten Napel

    Bij een oude foto

    We blijven dicht in de buurt van de vorige locatie, maar nu gezien van de noordzijde. De foto is genomen in 1959 en we kijken recht op de woning Wijk 1 nr. 31. Hier woonde, volgens de ons verstrekte gegevens, in de jaren 1925 – 1930 Albert Hakvoort, een visverkoper die ‘Abbesien’ werd genoemd. Later heeft zijn zoon Klaas het bedrijf voortgezet. In een van de vooroorlogse jaren betrokken Gerrit Korf en Jannetje Post de zuidzijde van de woning, met een riant uitzicht op de Westhaven en het IJsselmeer. Zij kregen drie zonen en een dochter: Louwe, Cornelis, Alie en Albert. Vader Gerrit werd de trotse eigenaar van de nieuwe ijzeren botter, de UK 83. In het oorlogsjaar 1941 liep het schip op een mijn en verging met de hele bemanning en een Duitse soldaat die als bewaker aan boord was. Op maandag 10 maart 1941 is de UK 83 vanuit IJmuiden naar zee vertrokken en niet meer binnengekomen. Met de schipper kwamen de beide zoons van Brechtje van den Berg-Bakker, Jurie en Sjoerd, om het leven. De naam van de Duitse soldaat is ons niet bekend. Het gezin Korf werd wel zwaar beproefd. In de nacht van 7 oktober 1954 verging in een vliegende storm de UK 174 met haar bemanning, waaronder zoon Cornelis (Kees). De noordzijde van de woning werd geruime tijd bewoond door het gezin van Riekelt Bakker (UK 48) en Hiske Woord. Zij kregen vijf dochters en drie zonen: Griet, Jacob (overl.), Trien, Fokke, Klaasje Maria (Kaat, overl.), Hiltje, Jelle en Luutje. Het gezin Bakker verhuisde later naar een der eerste nieuwbouwwijken in Wijk 7. Rechts op de foto zien we de zeilmakerij van Jelle Hakvoort, in de volksmond Jelle van Evertjen. Links zien we de woning van Klaas Romkes, de smid. Ongeveer op dezelfde locatie wonen nu Hendrik de Wit en Annemarie van Slooten. Het doorkijkje op het IJsselmeer is helaas verdwenen. Tuinen waren in de jaren dat de bovenste foto werd genomen een grote luxe. De ‘tuin’ van Klaas de smid zal, schatten wij, nauwelijks tien vierkante meter hebben beslagen. Toch is het lapje afgehekt met een smeedijzeren sierhek. Even terug naar de vorige aflevering. De veronderstelling dat de hoogte boven dit buurtje zou zijn ontstaan ten behoeve van het vervoer met karren en wagens bleek juist te zijn. Allen, niet in de negentiende eeuw kwam deze hoogte tot stand, maar in de twintigste, zo berichtte telefonisch neef Jan uit Gouda, die daartoe een kort onderzoek verrichtte. Waarvan acte.

  • 24 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Cees zeulde as een volgeteugd fregatskip et kantoortjen van Jaap in. IJ plofte op een stoel neer in begon mitien. Cees mos stoom ofblaozen in dat kwam goed uut want Jaap leusterde toch niet. Die was drok doende een pampier eut de printer van z’n computertjen te aolen. In zat nou te rommelen in een laotjen van z’n bueau. “Zo Cees”, zeen ie inkelt. “Ik bin vuus te goed”, meldde Cees. “Wat je zeggen, buie”, zeen Jaap op de automaat. “Nou zit ik vor ’t blok.” “Och.” “Buurmam Willem et een oud anboutjen an z’n uusjen. Een klompenukkien, zeg maar. In dat dekkien sting te verrotten.” “Aha!” Jaap viste een doossien punaizes tevuurskeen in stak et triomfantelijk in de locht. Cees kiek verwonderd nor Jaap. “Is dat zo mooi dan?” “Nee, nee,” zeen Jaap aostig, “vertel mar varder Cees. Ik zal effen dit pampier opprikken. Goon jie moar duur!” Cees nam eerst een flinke sjoef van z’n sigaar in kiek de rookkring die ie eutbloes nao. “Nou in buurman Willem et inkeld z’n AOW-tjen. Dat toe ik tugen em zeen dat ie wat an dat dekkien mos doen, kiek ie zo ongelokkig. Toe eaw ik maar ezegd dat de jonges wel effies teed adden tussen twie klussies om ’r een nijd dekkien op te leggen. IJ oefde alliendes et materiaol te betaolen.” “Mooi”, voen Jaap in prikte z’n euteprinte pamflet an de duur van z’n kantoortjen. “Dèr. Dan ku je et lezen Cees!” “Zal ik zo doen. Mar leuster eerst varder.” Jaap striek nog effen tevreen over z’n pamflet in ging zitten mit wat maar aandacht vor Cees z’n veraol. Cees ging varder. “Nou aolden ze die ouwe troep weg, blikt er asbest onger te zitten. Nou, Jaap wij warkten door gewoen mie. Mar ja dat spul is levensgevaorlik. In nou moet milieu, gemiente, provincie in, ik wiet niet wat vor ambtenaoren erbij om dat spul door weg te aolen. Ze eawen allemaol wat te zeggen. In je wieten Jaap, as ambtenaoren ienkeer goon praoten, wieten ze niet moar wannaar ze moeten stoppen.” “Dat kost een paor cinten Cees.” “Ja oenze Jaap. In wie zal dat betalen? Maa rja wie A zegt moet ok B zeggen. Dat et moet maar.” Cees ging stoon om wier vort te goon in blief vor et pamflet van Jaap stoon om te lezen. IJ begon alf ardop vuur te lezen wat er op sting. “Bij ongevallen te bellen…, eusdokter, pliesie, alarmnommer iene, alarmnommer twie, weekenddienst…” Toe ij alles op eliezen adde, draaide ie em omme nor Jaap in zeen: “Je binnen ien riegeltjen vergeten Jaap!” “Ih?” vroeg Jaap. Cees skuddede z’n oofd: “By gien ge-oor: BEL DEL!”

    KJR

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (3)

    Je moest niet toevallig langs de andere kant van de wagen lopen als de emmer geledigd werd, want dan had je de kans vreemde urinespatten op kleren of aangelaat te krijgen. Er was in die tijd niet zoveel afval als nu. Papier en hout werden verbrand in de kachel of het duveltjen. Koffiedik en theeblaren met daarbij wat restjes overgebleven eten en/of vigraten vormden de boventoon. Dit alles werd samen met de faecaliën der mensenkinderen in de kar geladen en naar de zogenaamde ‘stroentbult’ gereden en aldaar gelost en weer vermengd met de daar aanwezige koeienmest. De paardenmest zorgde voor een goede fermentatie, zodat een product ontstond dat gretig aftrek vond naar de dorre, droge, zanderige gebieden in Drente. Menig Drents gebied is daar tot rijpe volle wasdom gekomen dankzij de Urker compost. De mest moest ook afgevoerd worden en dat gebeurde per schip. Er liep vanaf de mestvaalt achter de oude vismeelfabriek, de elektrische centrale en de, wat we toen noemden de nieuwe zaak van Hoekman, een smalspoor naar de haven tot aan de werf van Metz. Via dit smalspoor werd de mest per kipkar, door een paard getrokken, naar de haven vervoerd. Hier werden de karren leeg gekiept en door de Urker werkers per kruiwagen in het ruim van het schip geladen. Stel je voor, mannen in Urker klederdracht die kruiwagens vol scheppen en dan deze met mest gevulde kruiwagens over een plank kruien naar het schip en dan deze kledderende kledder in het ruim storten. Om hun kleding te beschermen hadden sommige kruiers een oliebroek aan en een zuidwester op. Het transport van de kipkarren met de paarden werd eerlijk tussen de vrachtrijders op Urk verdeeld. Ieder kwam aan de beurt.

    Wordt vervolgd JtN

    Bij een oude foto

    We staan hier voor het pand Wijk 1 nr. 15 in het jaar 1965. In dit pand woonde Hessel Snoek met zijn gezin. Het huis was toen vijfenvijftig jaar oud. De eerste steen van het pand werd op 12 september 1910 gelegd door Jannetje van den Berg geboren Bakker. Diverse verbouwingen hebben de woning in de loop van de tijd veranderd. Gelukkig hebben de huidige bewoners, Gerrit en Jannie Post, de gedenksteen intact gelaten. Hessel Snoek, zijn naam wordt onder ons nog met ere genoemd. In de oorlog heeft hij velen geholpen. Bij de ramp in Zeeland in 1953 gaf hij leiding aan de Urker vissersvloot bij de reddingsoperaties aldaar. Zijn durf en initiatief dwongen respect af tot in de hoogste vaderlandse kringen. Hij was later de eerste schipper van de ‘Zeemanshoop’, de eerste Urker reddingsboot. Dat schip heeft in de meidagen van 1940 nog joden overgebracht naar Engeland. Er moest op Urk in de vooroorlogse periode met de ruimte gewoekerd worden en dat is ook op deze foto te zien. Boven het dak zien we de nok van het dak van de woning van Gerrit Snoek, de directeur van de Eerste Urker Stoomboot Maatschappij en dirigent van het plaatselijke muziekkorps. Dat huis is midden op de hoogte gebouwd. Eens trok deze woning de aandacht van de bekende dr. P.H. Ritter junior in ‘De donkere poort’. Wat was namelijk het geval? Voordat in de Eerste Wereldoorlog de interneringsbarak geplaatst werd, diende deze woning als onderkomen voor de buitenlandse geïnterneerde officieren. Het souterrain van de woning werd ingericht als wachtlokaal voor het Urker bewakingspersoneel. De commandant woonde bovenaan de hoogte in het pand Wijk 3-40 naast de ‘Willem Barendsz’, nu bewoond door Albert en Willie Kramer. P.H. Ritter vond de omstandigheden waaronder de officieren bewaakt werden beneden ieder peil en had het over een ‘atavistisch ingestelde bevolking’ of iets van die strekking. In 1918, er heerste op Urk grote voedselschaarste, was de kelder het middelpunt van het zogenaamde ‘boteroproer’. We komen daar misschien nog eens op terug, maar wie nieuwsgierig geworden is raadplege het boek van onze plaatsgenoot Tromp Korf ‘Urk uit de school geklapt’ pagina 30 e.v.

    Het laatste jaar (7)

    Heden weer drie keer luchtalarm. Vlissingen, Zoutelande moeten door de geallieerden bezet zijn. Handelsblad van 16-25 ontvangen.
    8 November weer drie keer luchtalarm. Grote formaties vliegtuigen oostwaarts. Bij Jan Hakvoort (van Rika) geweest wegens groeten van A. Langejan uit Heemstede waar van H. in het hospitaal gelegen had na een beschieting van de Insula (Witte Kruisboot daar in den omtrek). Door Chr(istien) brieven aan Piet en Johan geschreven en door mij aan Johan. Midd(elburg?) bevrijd.
    11 November. In de al kleiner geworden Oprechte Urker van heden staat de zeer beperkte dienstregeling voor 13-18 november.
    18 November. Op den brief aan Johan 19 oktober per boot van Luut Kamper meegegeven nog geen antwoord. Van familie of vrienden op Walcheren, waar door strijd of overstroming 5.000 mensen omgekomen zijn, al in langen tijd geen bericht en zal, nu Zeeland niet meer in Duitsche handen is, vooreerst wel niet te verwachten zijn.
    16 November 1944. Heden bericht dat G. Metz, S.C. Koffeman en Pietje van Dirk van Dijk uit de gevangenis van Zwolle ontslagen zijn. Ze zijn in de namiddag hier gekomen.

    Wordt vervolgd.

  • 10 januari 2002

    De gouwen ketting (vervolg)

    ,,Et lik et veraoltjen van et vrouwtjen van Stavoren wel,” riep Tiemen triomfantelijk, ,,nou eaw ik ok ’rs een gelukkien.” Garret z’n ogen worden zo skotteltjes. Z’n moend vul eupen van verbaozing. De angeren mozzen muuite doen om niet in de lach te skieten want Garret kiek zo verbaosd. ,,Dat is een mooie! Oe is et muugeluk, een ketting in een gullebuk. Dat eaw ik nog nooit mie emaakt. Ik goon een zaoterdag gelik nor Ansien van de Klokkewinkel om te vragen wat of ie waard is. Dan lot ik gelik et slutjen maken, want dat zal wel stokked wezen’ ging Tiemen duur. Opiens stotterde Garret ,,Et is ’r net zo’n iene as menen. Die et zuvenoenderd gulden ekost in die eaw ik nog van m’n mimme ad vor m’n visserijskoeldiploma. Lot ’rs effen zien.” Tiemen ul de ketting vor Garret z’n neuze in opiens zeen Garret; ,,Et likt meen ketting wel.” Gelik voelde ie in z’n aals. ,,Oe kan dat nou, meen gouwen ketting is weg.” IJ griep nor et vor z’n ogen bungelende sieraod. ,,Dat zou je wel willen,” riep Tiemen, ,,ik eaw em aarlijk evoenden. IJ is vor mij in ik gief em an oenze Gaartjen. Oe moet joen ketting trouwes in een gulle terecht koemen. Lot je nao kieken.”,,In toch is ie van mij. Ik wiet ok niet oe ie in die gulle ekeumen is. Miskien is ie wel overboord evullen of in de boks in et dat biest em toen op egeten,” riep Garret kwaod. Opiens begonnen ze allemaol te lachen want ze konnen et eurlui niet maar goed ouwen. Ze kwammen niet mar bij om die kwaoie snuut van Garret. Tiemen gaf de ketting terogge. ,,Voel effen in je euliebroek of je plaotien ’r nog is, want dat eawen we niet evoenden. Algers bin je dat wel kweet.” Z’n plaotjen was gelokkig in z’n laars evullen in dat was z’n twiede gelukkien.

    Rein

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron

    Al weer een tijdje geleden hebben we een afvalcontainer gekegen. Het zijn van die grote bakken met twee wieltjes eronder. In de ene gaat groen en keukenafval en in de andere het normale afval dat verbrand wordt. Het blijkt dat de groene container meer afval krijgt te verstouwen dan de grijze container. Een container per week, die door een moderne vuilniswagen wordt opgehaald. Met grijparmpjes worden de containers opgepakt en door de mannen op de goede plaats gezet. De bak wordt geledigd in de buik van de vuilniswagen die bijna een half miljoen kost.
    Op dat moment verwijlden mijn gedachten naar de dagen van weleer, ze gingen jaren terug en op mijn netvlies verschenen Jan en de baron.
    Door de Urker straten rijdt een wagen. Het is een grote rechthoekige bak op een wielenstel. Voorop is een plankie wear de menner op zit en aan de achterkant kan de palfrenier staan als alles is opgeladen en de kar richting losplaats vertrekt. Met deze wagen wordt eenmaal per week het vuil opgehaald. Nu waren we toen maar met z’n vierduizend Urkers onder elkaar en we maakten niet zo veel vuil. Het waren de vaste en urinale stoffen die tijdens het voeten bedekken, ook wel de stoelgang genoemd, onze body verlieten en in de emmer terecht kwamen. Ja, wat wil je, we waren toen nog niet zo modern. De nachtspiegel (de pot) was nog in grote ere onder ons en deze werd op de put geledigd. Bij de nieuwe huisjes die toen gebouwd werden kwam ook een gemetseld ‘huisien’, waar aan de straatzijde, onderaan, een deurtje of luikje was gemaakt waardoor de emmer naar buiten kon worden gehaald ter lediging in de kar. Waar dit niet zo was en er maar een eenvoudig optrekje van hout tegen het huis was aangebouwd, kon de roep gehoord worden: “Aole, ei je de immer al beuten e-zet, de karre komt er an !” Nou nou Jan, zo kan ie wel weer. Nee, laten we de zaken eens op zijn merites bekiiken, zou Teunis Visser zeggen. Als ik zo terugdenk kan ik niet dankbaar genoeg zijn dat we nu in andere omstandigheden leven.
    Toen ons huis in 1936 op dezelfde plaats gebouwd werd, verdween het ‘huisien’ van buiten en werd er een toilet in huis geplaatst, een watertoilet. Dat wil zeggen: na de grote boodschap moest je er zelf een emmer water doorheen gooien. Dit alles ging via een beerput op of naar de al aanwezige riolering. Het was nog niet zo, zoals onze buurman Piet Ras ons zijn relaas vertelde, nadat hij op bezoek in de Zaanstreek geweest was: “Ik ging nor et uisien, gaf een trek an et touwtjen in et iele spul was toe zo in Amsterdam.”
    Nu we bij Piet beland zijn, komen we ook bii de baron. Deze was daar ter woning als broeder van de vrouw van Piet, Lebe. Er was ook nog een Jan thuis, ook weer een broeder. De naam van de baron was Klaas. In de volksmond was dit Klaas de baon. Hoe of hij aan deze naam gekomen is weet ik niet, maar ik geloof dat hij ook geparenteerd was aan het ‘vorstelijk huis’ dat wij toen op Urk bezaten. Ze woonden bij het eerste gat, waar de basaltwateverdediging overging in het paalscherm. Er is nu een parkeerterein gemaakt. Een groot hek sloot de binnenplaats af waar de familie woonde. Ook Jaaie en Marie woonden daar Jaaie Stokebrand was erkend jager, met een roeibootje zette hij zijn botnetjes uit. Willem de Boer woonde daar met twee zusters. Willem was losvaste werker in de turf, in het steenlossen en hij was bij Jan Woord op gezette tijden in het hooi en ’s winters was hij betrokken bij het legen van de groep achter de koeien. Hij minde de lekkere warmte van de stal en praatte met de koeien welke hij, volgens overlevering ook in zijn avondgebed gedacht.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Volgens de ons verstrekte gegevens zou deze foto omstreeks 1946 genomen zijn. Op de ‘Kamperdijk’ lagen nog tonnen en tonnen puin van Rotterdam. Dat puin werd al snel na het bombardement van die stad in de meidagen van 1940 gestort op de beide meerdijken nabij Urk en op de Rotterdamse Hoek halverwege Lemmer. Jan de Wit, nu in Canada, vond tussen dat puin een beeld, dat hij naar Urk probeerde te sjouwen. Het was natuurlijk geen doen voor de jonge Jan en hij moest het na enkele kilometers opgeven, dumpen dus. Later zagen we het beeld terug in museum Schokland met het onderschrift: ‘Romeins beeldhouwwerk, gevonden ten Oosten van Urk’. “Ze kunnen alles wel beweren”, zei Jan toen, “maar dat is meen bield in et is zeuver Rotterdams.” Op de foto is het hoogzomer, veel jeugdige badgasten zijn er op het strand te zien. In die tijd lag er een scheepswrak voor het ‘kleine strandje’, ook al een oorlogssouvenir. Naar ik meen was de naam van de klipper ‘Spes Salutis’. De kop van het schip werd als duikplank gebruikt. Het leverde Koos van Wijk later een gewonde voet op. Een sleepboot verlaat de haven met een ‘bak’ van de Zuiderzeewerken. Woonarken van opzichters en ingenieurs liggen nog in de haven, van waaruit enkele bottertjes vertrekken om hun geluk te beproeven in de hoop op enkele ‘wichies’ van die kostelijke lJsselmeerpaling. Een ‘wichien’ was meen ik honderd pond. Als je, zoals ik, de zoon was van een IJsselmeervisser, mocht je in de vakantie wel eens met vader mee, zee op. Een hele belevenis, vooral als je op ontdekkingereis zo’n mooie Staverse boot tegenkwam, sierlijke zwanen met eerste, tweede en derde klas en met een schoorsteen in dat onbestemde geel met aan de bovenkant een brede zwarte rand. Ach, die laatsten der Mohicanen. ‘C. Bosman, W.F. van der Wijck, R. van Hasselt, zo heetten ze. Prachtige boten waren dat. In de nadagen van het spoorwegveer heeft onze eigen ‘Insula’ de dienst nog gevaren, Enkhuizen – Stavoren vice versa. Dat ouwe Rijnstomertje was natuurlijk geen partij op die illustere lijn.