Tag: IJsselstroom

  • 25 april 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (3)
    Hendrik Nentjes, die als gemeenteopzichter een grote rol speelde in dit hele gebeuren was dus een zoon van Hendrik Dubbelesz. Nentjes de postschipper. Toen ik over de Urker veehouders nadacht was het me vreemd te moede, dat Hendrik Nentjes ook een stal met een paar koeien had. Maar nuu ik de achtergrond wat uitgediept heb weet ik dat de vader van onze gemeente-opzichter nog als weduwnaar gewoond heeft naast de timmerschuur van lange Louw Nentjes, de vader van de Ober. Dat huis stond wat achteruit en de voorgevel was geheel met klimop overdekt. Tegen de voorgevel stonden altijd grote zonnebloemen á la Van Gogh. Ze stonden tussen de ramen in. Voor de rest groeide er gras in het voortuintje. De ingang bestond uit twee deuren, kort naast elkaar. Aan de eerste deur was een touw bevestigd met een ijzeren gewicht. De tweede deur was door een slot af te sluiten en had raampjes. Ik kan het me nog goed voorstellen, omdat ik met vriend Willem Nentjes wel eens eten naar de zuster van zijn vader bracht die daar haar laatste dagen doorbracht. Ook later, als knecht van Klaas Romkes, kwam ik daar aan de deur voor het bezorgen van karnemelkse pap. Aan de achterkant van dit huis, de noordgevel, was de stal gebouwd, die later eigendom werd van Hendrik Nentjes, onze opzichter. Marretje, zijn vrouw, had zich de kunst van het melken eigen gemaakt en ik heb samen met Willem wel eens de groep leeg geschept. Door Hendrik werden later de koeien afgestoten en werd deze stal met vereende krachten tot onderkomen van de toen bestaande Oranjegarde ingericht. Zonen Hendrik en Willem en de oudste dochter Jannetje behoorden tot de oprichters van deze garde, die in die tijd veel leden trok. Aan de feestdagen gaven zij enig cachet vanwege hun uniform en marsen door de straten van het dorp. De oude postschipper had dus ook een stal met een paar koeien. In die tijd was dat niet zo vreemd. Wie het doen kon hield een paar koeien om tijdens de strenge winters voorzien te zijn van melk om handel mee te drijven, want melk stond toen in hoog aanzien in de voedselketen ten opzichte van zoute bonen, wortels en aardappelen. Voordat we nu met de bewoners van de Kalkenstraat beginnen nog even dit. Jaawk van Hendrik van Dubbele kennen we nog als de eerste vader van het gereformeerde jeugdgebouw. Deze Jaawk Nentjes had een zoon, Hessel geheten, die ook bij een oom en tante werd opgevoed. Zij hadden geen kinderen en voerden een viswinkel in Nijverdal. Jaawk was weduwnaar geworden. Hessel, het jongste kind, werd in Nijverdal opgevangen en zette later de vishandel voort. Jaawk trouwde later met een weduwe, een dochter van Jaawk van Pieter de bakker, die twee dochters meebracht. Hendrik Nentjes de opzichter staat al te wachten en wij gaan vanaf Wijk 6 nummer 23 onderaan de Zegenaarshoogte in oostelijke richting naar het begin van de straat. Wij zullen proberen iets van wat wij weten van de bewoners daar te vertellen. We lopen tot aan de winkel van manke Hein en slaan dan links een ginkien in. Rechts dus de winkel in manufacturen en links een huis waar vroeger Koosje en Jan Lont woonden. Koosje was wat doof en had altijd een kapertje op. Zij was een lief, klein, breed uitgebouwd mens. Jan werkte bij Wiepke Metz op de werf en hield zich veel bezig met pek en teer. Jan was altijd vroeg op en miste zijn werk op de zondag, dus kwam hij voor kerktijd op visite bij zijn collega Jan Flip. Jan had altijd wat te vertellen en sprak nogal luid en daarbij ook nog nat. Een keer heeft mijn moeder ander brood moeten snijden omdat Jan door zijn natte spraak de boterhammen besprenkeld had. Later bedekte zij het brood met een theedoek als Jan zich aandiende. Overigens, de echte naam waaronder hij bij de burgerlijke stand stond ingeschreven was Jan Leeuwerik. In het huis van Jan en Koosje zijn later Riekelt van Nel en Bonne hun huwelijk begonnen. Tegen het huis van Jan en Koosje was een huis aangebouwd, waarvan de ingang op het smalle ginkien uitkwam. Ook waren de ramen hierop gericht. In dat huis was het altijd vroeg donker, want de afstand naar de westgevel van huize Ras was misschien twee en een halve meter. De bewoners voordat de familie Post daar zijn intrek nam zijn mij onbekend. Jan (Poetjen) Post en Aaltje hadden eerst gewoond op het later genoemde Harmen Visserplein in een piepklein huisje met een vervallen smederijtje daarnaast. Mijn schoolvriend Gerrit kon zich in dat donkere huis wel tevreden voelen, hij had daar meer ruimte op zolder. Na de familie Post kwam er weer een Jan Poet in dat huis wonen. Jan Kramer was getrouwd met Janne van Piet Koffeman en Klaasje de hulleplooister naast Wijk 6 nummer 23.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Wie jongstleden maandag naar het programma ‘Tussen kunst en kitsch’ van de AVRO heeft gekeken, zal ongetwijfeld dat schilderij van Willy Sluiter hebben gezien van de Urker man op deze locatie. In de Urker Courant van 11 mei 1912 wordt het bezoek van deze bekende Nederlandse kunstschilder met een Engelse collega vermeld. Niet alleen Sluiter vond dit buurtje karakteristiek. Bij ons thuis hangt een aquarel van het huis van Jelle Nentjes, de smid (Wijk 1 nummer 74) met uitzicht over haven en zee van de hand van Wout Keizer en de amateurschilder C.J. Kuyper was ook al gecharmeerd van dit hoekje op de haven. De foto heeft dan ook wel iets, mogen we zeggen, enig Anton Pieck gehalte met die beluikte vensters, de verweerde muur met de ijzeren muurankers, de geknotte bomen en het houten hekwerk. Het plein voor het huis had ooit een naam: Plein 1890. Waarom heette dit plein zo? We deden navraag, maar niemand kon ons tot nu toe uit de droom helpen. Het jaar 1890 was een uitstekend ansjovisjaar en bovendien bekend om zijn barre winter, maar dat lijkt ons geen reden om een plein te benoemen. Meer voor de hand liggend lijkt ons het feit dat in genoemd jaar de stoombootverbinding tot stand kwam met Kampen en Enkhuizen, maar zekerheid daarover hebben we dus niet. Van het plein valt nog wel wat meer te vertellen. In de oorlog groeven de Duitse militairen een schuilkelder, meer een overdekte loopgraaf, voor hotel Woudenberg, waar zij ingekwartierd waren, tegen eventuele beschietingen. Na de bevrijding was dat een geliefde speelplaats voor kinderen, maar niet voor lang, want er kwam een houten muziektent op het plein voor het hotel waar op zomeravonden concerten werden gegeven. Tjalling Ruiten hield er een mooie jeugdherinnering aan over, die hij beschreef in ‘Het hart in de keel’, pagina 117/118. In onze jeugdjaren had buurman Luut Kamper een vrachtboot die de ‘IJsselstroom’ heette, waarmee hij een beurtdienst onderhield op Lemmer. De boot meerde aan de kade voor het hotel. het was fascinerend om te zien hoe het Friese slachtvee uit het ruim van de boot getakeld werd. Dat gaf spanning en sensatie. Van de Urker boten hebben wij voldoende fotomateriaal en ook van de ‘Eben Haëzer’, het beurtschip van de gebroeders Romkes hebben we afbeeldingen. Maar de ‘IJsselstroom’ verdween in de nevels van de tijd. Misschien dat een van onze lezers nog een kiekje van het schip heeft liggen. Graag reactie!

    Het laatste jaar (13)

    Dezer dagen is in een straat te Deventer een brandend vliegtuig gevallen. De straat in brand; 61 dooden en vele gewonden. Dezer dagen twee rieven, een van mej. A. Knegtmann d.d. 19 Januari en een van C.J. Borghoudt d.d. 5 Januari. Beide dringend verzoek om per pakje levensmiddelen te zenden. Maar hier is ook al niet meer te koopen. Er was een paar dagen tevoren een V 1 (raket, red.) gevallen bij het kerkhof Eik en Duinen, 6 huizen in elkaar gestort, 27 dooden, een massa gewonden en in vele straten alle ruiten stuk, en dat met die felle koude en sneeuw, en glas is niet meer te bekomen. Uit Walcheren hebben ze nog niets gehoord. B. had vernomen dat te M. het water tot half de Langev. stond.

    Wordt vervolgd

  • 4 april 2002

    Oenze eagen Urker taol

    t Kan verkeren
    Ze eawen nou een oop lef, in toe ie trouwen mós ad ie angeref imd in een beffe mit leuzen. De innen liepen after ’m an, want ze atten daor elke dag van die gekope rees, in in de wienter adden ze gien kaaw. Maar zo gat ’t, as niet komt tot iet… Zeg dat wel. IJ èt er angers z’n gat maar mooi in edreid. Er was mitien wat t’ ùrven, toe z’n skoonvaor kwam te stùrven. In dat zo skielik. In toe was ie boven jan. In ze was ienigste dochter, dat er kwam ok varders gien mins an te rukken. Dat was bij m’n neve Steven wel wat angers. Toe die stùrf kwammen ze as sparkerijers anvliegen. Maar dat angetrouwde nichien ad de beat al nor d’r toe aold. ’t Et er gien weeneieren elegd dat ze ’m wel d’rs een pannetjen soep brocht. Dat worde vanzelf grote arrie. Wie zalig wil stùrven, moet aarlijk ùrven, zegt ’t spreekwoord. Maar ik bin bange dat ’t bij z’n bruur Knieles net zo gat. Je zullen d’r nog van koemen oren. De baotjes zullen d’r nog eut moeten. As ze maar niet vor de fokke lopen. Knieles was ok niet van gisteren. Maar nou je ’t over ùrven eawen, ik dink dat m’n neve Klaos wel gaaw dood zal goon. Vroeger docht ik: Die gat niet vor elven, maar nou èt ie een vlieg’ aand. Kiek ers, wat ik van ’m krieg. Ik stoon ’t maar alf. Nou, nou, dat mag in de kraant.

    angeref imd – anderhalf hemd.
    een beffe mit leuzen – veel ongedierte; de beffe is de halsboord van het rode hemd.
    innen – hennen, kippen.
    rees – rijst.
    er z’n gat indreien – een voordelig plekje weten te krijgen, door een huwelijk bijvoorbeeld.
    skielik – snel, onverwacht.
    boven jan zijn – de (financiële) moeilijkheden te boven zijn.
    sparkerijers – spreeuwen.
    de beat – de buit.
    weeneieren – windeieren.
    de baotjes moeten eut – als ergens om gevochten moet worden; baotje – baattije.
    vor de fokke lopen – stuk lopen, opstropen.
    die gat niet vor elven – die kleedt zich niet uit voor hij naar bed gaat, die erft bij zijn leven niet af.
    een vlieg’ aand – een gulle, vrijgevige hand.
    ik stoon ’t maar alf – ik vertrouw ’t niet goed.

    Het laatste jaar (10)

    18 December. Luut Kamper zal aardappelen uit den polder brengen naar Den Haag. Zijn boot zal gaan via Haarlem en Leidschendam. Een mooie gelegenheid om de grote brieven van Chr(istien) en mij mee te geven, ook een doos met gemalen tarwe. Onze wens is dat Johan met de zijnen deze week naar hier komt, nu ook in Den Haag de hongersnood dreigt. De ‘IJsselstroom’ (de vrachtboot van Luut Kamper, red.) voor donker vertrokken. 19 December. Van Johan en Lies en kinderen brieven voor 14 December. Ze hebben nog voor hoogstens een maand en dan is alles op. Brood, paar sneedjes per dag. Aardappelen bijna op. Geschreven 3 December. Ze betalen al 200 gulden, in Den Haag zelfs f. 250,0 en meer. Boonen en erwten zijn niet te bekomen. Melk nu en dan. Tot 6 uur bleven ze in ’t donker, dan een kaarsje op en 8.30 naar bed. Om 4 uur oude salamander (kachel, red.) aan om eten te koken en dan weer zonder vuur. Heden huiszoeking bij Hulsman en Jan F. Post. Veel in beslag genomen. 23 December. Luut Kamper, j.l. Maandag van hier vertrokken, is zeker al in Den Haag aangekomen. 28 December. In den afgelopen nacht om half drie is Johan met de zijnen bij ons thuis gekomen, na j.l. Maandagmiddag 25 December ’s middags plm. 5 uur van de sluis te Leidschendam weggevaren te zijn. Het vroor toen al flink en op de Kagerplas veel ijs, bovendien op deze terugreis dikke mist. Een aantal menschen meegekomen. Ook bij Johan was maar weinig brandstof en aardappelen. 3 Januari 1945. Met de boot van Kampen zijn hedenavond teruggekomen de predikanten Spijker en Pietersma. 31 Januari. Deze maand met ijs en vaak sneeuw weinig gebeurd om te vermelden. Zelfs dagen zonder luchtalarm. Heden is ’t weer omgeslagen en flink gaan dooien. L. Kamper’s boot door ’t polderkanaal naar Lemmer om slachtvee en melk. Boter is al een paar weken niet te bekomen, evenmin jam, stroop, suiker, zout, lucifers. Per omroeper is bekend gemaakt dat vanavond het elektrisch licht voor het laatst zal branden. Geen kolen, althans niet genoeg om heel Urk van licht te voorzien. Een klein aantal ambtenaren en anderen als dokters, de zusters en vroedvrouw, wethouder de Wit en dan de D(uitsers) in pastorie en hotel Woudenberg, behouden licht, ook wij. Van Piet deze maand nog geen brief gehad, maar in een brief van Joeke Stevens aan Lies schreef ze Piet in Gouda te hebben gesproken. Misschien ligt in Enkhuizen nog een brief van hem, de boot is al dagen lang niet naar Enkhuizen geweest. De politie te Voorburg heeft het raadhuis opgebeld om Johan te zeggen dat zijn school te V. 5 Februari weer aanvangt. Wij eten al enige dagen droog brood, waarop een warm prikje van de stamppot. 10 Februari. Via de Voorburgsche politie is aan Johan gemeld dat zijn school eerst 1 Maart zal aanvangen. Hij en Lies kunnen dus nog vooreerst nog blijven, en we hebben gelukkig nog te eten en brandstof. Ons lichtrantsoen is slechts 4 K.W. In onze woonkamer hebben we thans een lampje van 17 kaars.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    Op onze wandeling over de havenkant zijn we nu op de boothaven aangekomen. Dit havengedeelte werd als open haven aangelegd in 1819, de oudste haven van Urk. De oostelijke havenkom werd in 1834 afgesloten met een dam. In 1878 werd de haven uitgediept tot twee meter onder volzee. De komst van de bootdienst in 1890 maakte de bouw van een aanlegsteiger noodzakelijk. Ook verrees toen naast de werfboet van Roos een eenvoudig kantoorgebouwtje, op Urk bekend als ‘’t boot-ussien’. Het gebouwtje staat er nog steeds en herbergt nu een grillroom met de exotische naam ‘Hawaii’, net niet op de foto te zien. Hier gaan we van start en als we de hoogte oversteken zien we eerst een statig winkelpand oprijzen. ‘Kruidenierswaren en Aanverwante Artikelen’ staat er op het gevelbord te lezen. De weduwe Alb. Brouwer dreef er een winkel. Later kwamen daar pensiongasten bij en nog weer later werd er in de kelder onder het huis de grondslag gelegd voor de limonadefabriek Brouwer. Ooit was de folklorist Cruys Voorbergh hier te gast. Hij at er zijn lievelingstoetjes, griesmeelpudding met abrikozen. Nu serveert restaurant ‘Mes Amis’ er culinaire hoogstandjes. De huizen ernaast zijn inmiddels afgebroken en op die plek staat nu restaurant ‘De Zeebodem’. Het gebouw uiterst rechts op de foto was een van de weinige hotels op het eiland. Eerst zwaaide Hein van Woudenberg er de scepter, daarna nam Klaas Schraal het hotel over, samen met zijn vrouw Dirkje Ras. De naam veranderde: ‘Hotel Café Restaurant De Verwachting’. Zoon Meindert Schraal en zijn vrouw Geertje Korf zetten de zaak voort. Nu is het een Chinees restaurant: ‘Hai-Li’. Op het pleintje voor deze huizen en gebouwen verzamelde zich vroeger het publiek om de aankomst van de boten gade te slaan. Zij stelden zich dan op achter de zogenaamde ‘witte lijn’ om de bootreizigers een ordelijke doortocht te verlenen, al of niet afgedwongen van de toezichthoudende veldwachter. Met de komst van de vaste wegverbinding door de Noordoostpolder begonnen de horecabedrijven hun hotelfunctie te verliezen. De handelsreizigers kwamen per auto naar het voormalige eiland en hoefden niet op Urk te overnachten. Maar nog altijd vormt dit havenbuurtje met zijn gezellige terrasjes en zitbanken een levendig ontmoetingspunt van toeristen en plaatsgenoten, al meren er al lang geen boten meer uit Kampen en Enkhuizen.