Tag: Hulp en Steun

  • 21 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Onger de kost
    Mimme, ik eaw zo’n peende in m’n narm.
    Da’s de gruui. Ei je alle booskippen?
    Och eden, nou ei je d’ eek vegeten. As je gat los zat, vergat je dat nog. Nou, we kunen eten. Moet je zo an vallen? Dat eawen we je niet elaard.
    Mimme, ik lust dat gulle vet niet, in nou eaw ik ok zo’n peende op de vreve van m’n bien.
    Dat komt van de klomp. Ik zal je aans wel er’s wreven mit een bietjen zuut’ eulie, dat wil wel dr’s elpen, maar eet nou eerst je bord leeg, je zitten maar te tiezen in te kieskealen.
    Ik lust niet maar, oor.
    Lot Jan je bord dan maar leeg eten. Die èt z’n perlot al wel ad, maar die is niet te verzaodigen; of ie gien beum in z’n mage èt. Je kregen nog een buk as ’n kemiel. Je moeten maar wat minnezieren mit eten. Ei je wel d’rs oord van die man die ’m dood egeten èt?
    Nou, dat zal wel een fabeltjen wezen, as je niet eten, goon je aarder.
    Er leggen er angers maar van te vuul eten op ’t karkhof, as van te weanig eten, wiet je dat wel? In wie alles op it, zal nooiten wat worren in de warreld. Wiet je wel, dat er een skip mit zeal in treal duur een naaw keelgaotjen kan?
    Dat zou ik wel d’rs willen zien.
    Nou, daor oef je zo vaar niet vor te lopen.

    – peende in m’n narm – pijn in m’n arm.
    – da’s de gruui – dat is de groei.
    – eek – azijn.
    – zo anvallen – beginnen met eten zonder gebeden te hebben.
    – ’t gulle vet – klinkklaar niet aangelengd vet.
    – de vreve van m’n bien – de bovenkant van m’n voet.
    – zuute eulie – slaolie.
    – tiezen, kieskealen – met lange tanden eten.
    – perlot – deel.
    – beum – bodem.
    – minnezieren – minderen.
    – aarder – eerder.
    – een skip mit zeal en treal – een volledig getuigd schip.
    – ’t kan duur een naaw kealgaotjen – d.w.z.: door veel en lekker eten kan men het bedrijf ruïneren.

    Het laatste jaar (8)

    17 November. Etje meldde (telef.) dat haar man en Christiaan niet meer in de gevangenis te Leeuwarden zijn, maar overgebracht naar een dorp bij Assen (Daarloo) om daar te werken. Ze zijn daar thuis bij een Gereformeerde boer.
    18 November. Een groot aantal Duitse militairen kwam hier heden aan, waarna per omroeper bekend gemaakt werd dat alle mannen boven de zeventien jaar op de Berg tusschen school en kerkhof zich moesten melden en voorzien zijn van hun persoonsbewijs. ’t Was al vrij donker toen de menigte zich in twee groepen moest verdeelen, mannen boven de veertig jaar en daar beneden. De laatsten zag ik de schoolgang in gaan. Gisteren is een grote razzia in den polder gehouden onder de daar werkzame arbeiders en eenige honderden gevangenen, ook Urkers als Jan Vonk, Willem van buurman Jan R. Pasterkamp, Lub, Ale’s vrijer.
    19 November. Van velen die een schuilplaats in het riet gezocht hadden en er een kouden, natten, angstigen nacht doorgebracht hadden, kwamen vanmorgen Hessel D. van Urk en Gerrit F. Barends over den Dijk naar Urk. Gisteravond laat moesten velen hier inkwartiering dulden nadat die soldaten in vele huizen in Urk-oost huiszoeking hadden gedaan. Om ongeveer half elf ging gisteravond de bel van den omroeper Willem Post door de gemeente, meldend dat de huisgenoten van hen, die om tien uur nog niet uit de school teruggekeerd waren, aan de hunnen boterhammen, een deken en een overjas konden bezorgen. Hedenmorgen zijn die menschen, ik hoorde van A. 98 personen, weggevoerd, o.a. de predikanten Spijker en Pietersma, de onderw. Laferte en Lub M. Kramer, de groenteh. Jelle L. Kramer en buurman Hein Koffeman, Jan L. van Dalfsen enz. Buurman Abraham A. Ras, Jac. L. Loosman en anderen op de verklaring van de geneesheeren weer vrijgelaten.
    22 November. Al die menschen zijn, na eerst bij Vollenhove verbleven te zijn, thans naar Meppel vertrokken. Ds. Doorenbos is nog te V(ollenhove) bij zijn zoon geweest. In Kampen moeten duizenden gebracht zijn en zeer vele zieken in hotels, gehoorzaal enz. zijn. Heden vier keer luchtalarm, even zonneschijn.
    26 November. Bij den aanvang van de dienst in de kerk zei me dokter Vonk, dat dokter Andriessen (die naar Meppel was gegaan, men zegt om ds. Spijker een pakje te brangen) daar insgelijks is vastgehouden. Voor het eind der godsdienstoefening luchtalarm, dus met allen in de kerk moeten blijven tot men buiten mocht. W. Metz, die leeskerk gehouden had, liet enkele psalmverzen zingen en toen het orgel de wijs van ‘Een vaste Burcht’ begon, werd al gauw het eerste en tweede vers meegezongen. Daarna ‘Als g’ in nood gezeten.’ Voor het tweede vers nog werd luchtalarm afgeblazen.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    We zouden, zoals beloofd, terugkeren naar de Westhavenbuurt en onze wandeling voert ons naar de achterzijde van de gebouwen die we in de vorige aflevering beschreven. Hoed af, beste lezers, want we zijn aangekomen op een wel zeer bijzondere plek, het gebouw van de vereniging ‘Hulp en Steun’ midden op de foto. Die vereniging is misschien wel de oudste vereniging die ooit op Urk heeft bestaan. Al aan het eind van de achttiende eeuw wordt gewag gemaakt van een ijsvlet met bemanning, die wordt vermist. Het Heilig Avondmaal werd onder die omstandigheden uitgesteld. En daarmee zijn we meteen bij de bestemming van het gebouw: loods van de ijsvletten, boetzaal en vergaderlokaal. Toen deze foto werd gemaakt was de ijsvlet reeds verleden tijd. Met de ontsluiting van Urk (1947 – 1948) werd de ijsvlet overbodig, evenals de bootverbinding met Kampen. De laatste vlet ging naar het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen en de boten van de Eerste Urker Stoomboot Mij. werden de een na de ander opgelegd en vervolgens verkocht. Die ijsvlet bracht in strenge winters, als de lijnboten wegens ijsgang niet konden varen, de post naar het eiland Schokland, waar ze werd overgenomen door de Kamper ijsvlet. Die laatste vlet had de post voor Urk aan boord en op Schok werd van vracht gewisseld. Ook ernstig zieken werden wel met de vlet vervoerd. Dat lijkt erg simpel, maar dat was het in de meeste gevallen helemaal niet. Het is gebeurd dat een vlet die op donderdagmorgen vertrok eerst op de late zaterdagavond terugkeerde. Er moest toen gefakkeld worden om de dodelijk vermoeide bemanning naar Urk te loodsen.
    De tijd van de ijsvlet ligt ver achter ons. Op de plek van het gebouw ‘Hulp en Steun’ staat nu een van de bedrijfsgebouwen van Piet Brouwer. Piet, de vervaardiger van ‘onze’ ijsvlet aan de dorpsingang, liet een sculptuur van zijn hand inmetselen in de zuidmuur van het gebouw.
    Bijna alle panden op deze foto zijn verdwenen. De achterkant van de oude visafslag, links op de voorgrond, was enige tijd als woonhuis in gebruik en nog weer later als kantoor van de Coöperatie. Alleen de woning van Hendrik en Ede Gerssen, onder aan de hoogte, staat er nog. Ale Keuter-Snoek, dochter van Gerrit Snoek, woonde er het laatst.

  • 14 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    ONLEE
    Ik zag je gister mit een doekien vor je moend. Ei je onlee?
    Och, ik eaw zo’n last van m’n aorentanen. Ze mozzen d’r nodig eut, maar ik zien d’r arg tugen an. Koem er effien in, maar strukel niet over m’n ouwe stroffelmatte, in kiek maar niet nor de rommel. Je zullen wel dinken dat ik de eek in de surep lot lopen, want ik moet de kamer nog opredderen. Wat aol je dan eut?
    Mins, ik eaw wat lekkers! Flerik kwam mit een smerig katjen in eus, in daor bin ik mitien maar an begonnen. Er komt zo juur of, in er was gien groend in te kregen. IJ legt vor de walle in ij adde de poorten van de metor skoon emaakt, dat je kunen dinken. Ik eaw erop moeten buuken, op ’t goed bedoel ik, dat ik ad een koud eppien. In drogen dut ’t niet, dat ik ad een lintjen eskeuren van ’t skot nor ’t raam in terogge. Lot nou de leen after de kachelpeep bleven zitten, in die kwam omleages mit een bult smeerlapperije.
    In kiek m’n love, in ik eaw eerst een duuntjen ekrieten. In ik adde Marretjen ok niet in eus, die is nou flarkien bij m’n zuster die in de kraam legt. Ik eaw de es in ’t roet al weg ewarkt, maar ’t is nog een zeutjen. M’n gerdintjes ongen nog op de nijerdom. Z’ adden nog gien zunde edoon, in kiek nou er’s. Ik moet de kamer nou maar eutaolen.

    onlee – onheil, moeite.
    aorentanen – verstandskiezen.
    strukelen – struikelen.
    stroffelmatte – deurmat.
    eek – azijn.
    surep – stroop.
    de eek in de surep lotten lopen – er een janboel van maken.
    ik eaw wat lekkers! – dat is ook wat moois!
    een smerig katjen – erg vuile kleren.
    juur – erg vies waswater.
    er was gien groend in te kregen – het vuil wou er maar niet uit.
    de poorten van de metor – de cilinders van de motor.
    buuken – zwaar wassen, o.m. met een stamper.
    een koud eppien – een koud karweitje (hapje).
    een lintjen eskeuren – een waslijn gespannen.
    omleages – naar beneden.
    love – moe.
    een duuntjen kreten – een huilbui hebben.
    een flarkien – een jong, nog ongeoefend hulpje in de huishouding.
    de es – de as.
    een zeutjen – een troep, een zootje.
    ’t ad nog gien zunde edoon – er mankeerde nog niets aan.
    eut aolen – schoonmaken (in het najaar).

    Bij een oude foto

    De oprichting van de visafslag in 1905 getuigde van durf en doorzettingsvermogen. Niet alleen de viskopers van buiten Urk, maar ook de vissers zelf hadden op de vestiging van de afslag aangedrongen. Gerrit Westerneng, de bekende poolvaarder en -vorser, afkomstig uit Durgerdam maar met een Urker getrouwd, had 47 vissers voor zijn request pro-afslag weten te strikken. Dat gaf uiteindelijk de doorslag. In de zouterij van Jacob ten Napel (uiterst rechts op de foto) kreeg de eerste Urker visafslag een onderkomen. Op de nok van de zuidgevel werd een bel gehangen in een miniem torentje. Een kwestie van durf, schreven we. Vijftien jaar eerder, in 1890, was er een recordvangst van ansjovis geweest, maar sindsdien was het kwakkelen geblazen. Veel vissers hadden hun heil ergens gezocht: Den Helder, IJmuiden, de Zaanstreek, waar Urker kolonies ontstonden. Anderen, soms bedroeg hun aantal meer dan honderd, monsterden op de loggervloot. Er waren in het jaar van oprichting weer ,,onderscheidende vaartuigen naar elders verkocht.” Links van het afslaggebouw zien we de ‘hange’ van vishandel Bakker en Gerssen. Daarboven zien we het oude torentje van de Bethelkerk (die toen nog niet zo heette). Dat torentje vormt een mooi ijkpunt voor het dateren van oude foto’s, want het werd in 1910 vervangen door de huidige spits. Deze foto dateert waarschijnlijk van het jaar 1900. Aan de overkant van het ‘glop’ dat toegang gaf tot het gebouw ‘Hulp en Steun’ bevond zich het logement ‘Zeezicht’ met daarnaast de visserswoning Wijk 1-42. Daar woonde Inte van Trui en dus niet in ‘Zeezicht’, zoals we vorige keer abusievelijk vermeldden. Rechts op de foto zien we de werf van Roos met enkele vletten. In de daarnaast gelegen werfboet werden botters gebouwd. Aan de kade ligt een schuit gemeerd, te herkennen aan de rechte afhellende voorsteven. De schuiten hebben lange tijd het havenbeeld gedomineerd totdat ze door de botters werden verdrongen. Van het oude havenfront bleef vrijwel niets bewaard. De afslag verhuisde via via uiteindelijk naar een locatie onder de zeespiegel, iets wat de bewoners anno 1900 met ongeloof zou hebben vervuld, om nog maar te zwijgen van de turbulente ontwikkeling van de techniek. De houtwerf verdween om plaats te maken voor een parkeerterrein. Daarnaast verrees het bedrijfspand (eigenlijk moeten we meervoud gebruiken) en de woning van Piet Brouwer elektro. Wij hopen u terug te zien bij ‘Hulp en Steun’. Tot volgende week!

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (slot)
    Ik kreeg de gelegenheid om te vertellen wat of er was voorgevallen, maar de commandant zag geen reden om clementie te verlenen. ,,Met uw verlof, commandant”, zei Kroon, ,,ik zeg ook niet dat soldaat de Boer geen schuld heeft, maar de manier waarop de man van boord is gehaald is tegen de grondregels van het recht. Het moet u toch bekend zijn, dat ik als kapitein van de postboot tevens hulpofficier van justitie ben en alle passagiers dus onder mijn jurisprudentie vallen. Vandaar dat uw luitenant een onrechtmatige daad deed door een van mijn passagiers van boord te halen.”
    De commandant lachte fijntjes. ,,U komt wel voor uw passagiers op.” ,,Een oud-marineman, tevens commandant, draagt de verantwoording voor zijn ondergeschikten”, antwoordde Kroon. ,,Marineman?” vroeg de commandant. ,,Ja kapitein”, en Kroon wees op het wapen van mijn witte pet. ,,Ziet u dit wapen, dit sierde mijn pet als schipper bij de Koninklijke Marine tijdens de mobilisatie van 1914-1918.” ,,Zo zo, dus u bent een oud-marineman, wij zijn dus collega’s.” De kapitein werd vriendelijker. Kroon benutte de gelegenheid en zei: ,,U weet dat tijd geld is en daarom wou ik u voorstellen om soldaat de Boer weer onder mijn gezag te stellen en dit incident als geëindigd te beschouwen.” Het was even stil. De commandant vroeg: ,,En als wij dat nu eens niet doen?” ,,Dan zou ik mij zeer in u vergissen, terwijl u toch in de gelegenheid bent om de Boer via zijn commandant van de kunstwacht in Den Helder ter verantwoording te roepen.” De kapitein ging staan en zei, terwijl hij de groet bracht: ,,Schipper, wat moet uw commandant trots geweest zijn om zulke mannen onder zijn bevel te hebben, uw man komt vrij.” Het gezicht van Willen Kroon klaarde helemaal op en plooide zich tot een lach. Ook hij salueerde en zei: ,,Commandant, hartelijk bedankt voor uw oordeel.”
    Wij weer naar boord. Even later kwam Willem de Boer, een van de dertien kinderen van Meindert de Boer, terug aan boord. ,,Touwen los, we gaan!” Even later stoomde de Insula in het Krabbersgat, met uit de stoomuitlaat, zo noemden we dat, de witte vlag, omdat de ketel op de rooie stond. Later vroeg ik aan Willem Kroon waarom of hij zo’n drukte gemaakt had om Willem de Boer. ,,Hoor eens Janneman, Urkers moeten ’nkanger niet in de steek loaten in een voegel as Willem kuun je niet in een kooitjen ouwen. Ei-je em vroeger wel d’rs zien skoasen, toe was ie ok niet te ouwen op de korte boon.” In gedachten sprak ik op zijn Fries: ,,Willem et keliek.”

    JtN