Tag: Hotel Woudenberg

  • 2 mei 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (4)
    Tegen het donkere huis werd een nieuw huis aangebouwd, waarin het jonge stel Willem Pasterkamp met zijn bruid, een dochter van het schoenmakertje, die tegenover het ginkien in Wijk 5 woonde hun huwelijk begon. Vanuit dit huis kon men de Kalkenstraat recht doorkijken. Waar ruimte was werd er een huis gebouwd, want er was nog geen begin gemaakt met het bouwen op de gemeentewei. Het huis van Willem en zijn gade stond achter het huis van zijn ouders, waar nog ruimte was om te bouwen. Ik geloof dat Willem Pasterkamp de eester conciërgie was van het buurthuis, waarin ruimte was gemaakt voor de burgers om weelderig in het bad te gaan en onder de douche het lijf weer schoon te spoelen. De oude Hendrik Kramer gaf zijn mening over deze badgelegenheid toen hij dit gezien had. “Man, ouw op, je stappen zo in et badwoater Siloam.” Ondertussen was Hendrik Nentjes begonnen met het stellen van de bekisting om het beton te storten. Het eerste stuk werd gemaakt vanaf het huis van Pasterkamp naar de zijstraat vanuit Wijk 6. Naast het huis van Hein Ras stond het huis van Verstelle, waarin toen vader Verstelle bij zijn dochter Christien en haar man Albert van Urk woonde of misschien ook wel andersom. Verstelle was getrouwd geweest met een Urker vrouw uit de familie Nentjes. Teunis Nentjes (de Neef) noemde Christien zijn nicht. Misschien komt daar wel de bijnaam “de Neef” vandaan. Teunis leverde brood en melk aan huize Verstelle en Christien noemde hem neef Teunis. Christien sprak geen Urks, omdat thuis altijd door meester Verstelle, hoewel hij uit Zeeland kwam, de Hollandse spraak werd gebezigd. Albert, als eerste klerk en ook nog gemeente-ontvanger met een kantoortje aan huis, sprak natuurlijk ook het beschaafde Nederlands. Verstelle had twee zonen die ik gekend heb. Ze heetten Johan en Piet. Johan was getrouwd en woonde in Rotterdam. Door de oorlog moest hij verhuizen naar Gouda. Toen wij in 1956 in Gouda kwamen wonen is hij verschillende malen bij ons in de Van der Palmstraat thuis geweest. Zijn vrouw heb ik toen nooit gezien, maar Piet stond als toeschouwer bij de avondvierdaagse omdat zijn dochter daar haar kilometers aflegde. Hij werkte bij de S.H.V. in Rotterdam en is later weer terug gegaan naar die stad. Het huis waar de familie Verstelle in Gouda heeft gewoond, heeft onze tweede zoon in 1972 gekocht en hij woont daar nog steeds. De broer van Johan, Piet, was leraar op een middelbare school in Den Haag, Voorburg. De twee broeders waren in de grote vakantie altijd enige weken op Urk om de familiebanden aan te halen en te genieten van de kookkunst van zus Christien. Albert had een broer die dominee in de Gereformeerde kerk was. In mijn Goudse tijd als ambtsdrager heb ik die dominee-broer wel eens ontmoet, want hij was beroepen naar Haastrecht. Zijn ingang en zijn uitgang waren daar van grote klasse, want door gemeenteleden, jong en oud, werd hij hogelijk gewaardeerd als herder en leraar. Een lid van het domineesgezin heeft tot zijn dood toe onder ons op Urk gewoond. Hij trouwde met Antje Metz en begon zijn electriciteitsgaven ook als koopman met behulp van zijn vrouw aan te bieden aan de Urker bevolking. Het huis waar Albert, Christien en de oude Verstelle woonden in Wijk 6 vond ik een juweeltje. In het voortuintje stonden een paar grootbladerige geleide bomen. Deze bomen gaven de daar achter liggende kamer een mysterieus licht als de zon in de zomer zijn verzengende stralen naar de aarde zond. De ingang van de woning was afgesloten door een fraaie deur, waarvan de ramen beschermd werden door siersmeedwerk. Naast de deur zat op de gevel een koperen plaat met het opschrift: ‘Kantoor van de Gemeente ontvanger’. Ik zie Albert nog op de deur toelopen en zijn grote sleutelbos uit zijn zak opdiepen en met een sleutel de deur openen. Wie in huize Verstelle iets wilde aanbieden, moest aan de koperen knop trekken om luide de bel te doen overgaan. Christien of de dienstbode deden dan de deur open. Eenmaal binnen was er een lange gang en in dei gang, direct rechts, was de deur naar het kantoor van Albert van Urk. Bij de reciteervereniging ‘Dindua’ heb ik drie voorzitters meegemaakt. Dat waren Gradus Metz, Hendrik Snijder en als laatste Albert van Urk. Albert vond het heerlijk werk en voelde zich onder Dindua’s mannen volkomen in zijn sas. Twee reizen per schuit met ‘Dindua’ waren volgens hem hoogtepunten in een korte mannen-vakantie. Zo kwam het ook dat wij in de oorlog te zijnen huize de eindvergadering hielden. Eén der leden bood aan om na het diner vrouwe Christien de helpende hand te bieden om de tafel op te ruimen met de volgende woorden: “Mevrouw, ik zal u mijn mannelijkheid tonen.” Deze uitspraak heeft dat betreffende lid jaren achtervolgd.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Ooit was er een saneringsplan. Dat was onder burgemeester Schipper in de jaren ’60. Een ingenieur, Kraayhagen (we hoorden ook: Kraayenhage) was de ontwerper van een even rigoureus als stoutmoedig plan, dat de wijken 1 tot en met 7 omvatte. Van de oude dorpskern zou vrijwel niets overblijven. De journalist Joh. G.C. Kooiman liet in het geïllustreerd christelijk weekblad ‘De Spiegel’ van die dagen voor- en tegenstanders aan het woord. Het plan verdeelde Urk in twee kampen en ging uiteindelijk niet door. Gelukkig maar ,verzuchten we nu, na vele jaren. We moeten er niet aan denken dat de oude dorpskern zou zijn weggevaagd, inclusief de Bethelkerk. Ook dit karakteristieke hoekje zou definitief verwezen zijn naar de rubriek ‘Urk in oude ansichten’. Waar bevinden we ons en wanneer zag het er zo uit? De foto is van 1928 en we zien een gedeelte van Wijk 1. Links zien we de panden Wijk 1 nr. 80 en 79. Aan de andere kant dreef Marij van Lubbertje geruime tijd haar kruidenierswinkeltje, bij velen nog in herinnering. Het was een knus winkeltje met, als wij het ons goed herinneren, koperen weegschalen. Recht voor ons, het huis met het puntdak, zien we de winkel van Harm Hendrik Gerssen en Jacobje Keuter, Wijk 1 nr. 70. Het pand, nieuw opgebouwd, draagt nu de naam ‘’t Ussien’ en wordt bewoond door de weduwe Schraal-van Hoorn. Daarnaast woont, op nummer 71, de heer Tijmen de Boer en op nummer 72 (niet zichtbaar) woont de weduwe P. Korf-Kramer. Zij en haar man, Egbert, hadden een zuivelwinkel op nummer 67. In die woning woonden vroeger twee burgemeestersdochters, de dames Kagei, van wie er één luisterde naar de voornaam Regula. Het pand grensde aan het voormalige hotel-café-restaurant Schraal, nu Chinees-Indisch restaurant ‘Hai Li’. Op de voorgrond, begrensd door schutting en ‘uffien’ zien we het erf van Hendrik Hoefnagel, ooit kapitein op één van de Urker boten. Het straatje leidt via een bocht naar hotel Van Woudenberg. We keren nog even terug naar dat saneringsplan. Het is vooral te danken aan de inspanning van wijlen Lub Kramer (Lub van Jan van Bubbe) dat de oude dorpskern bewaard is gebleven. Hij schreef een verweerschrift dat op Urk huis-aan-huis werd verspreid en omdat hij op Urk grote achting genoot kreeg hij veel medestanders. Uiteindelijk zou Urk zichzelf saneren en bleef het oorspronkelijke karakter van de bebouwing grotendeels bewaard. Gelukkig maar, zeiden we. Aan de andere kant moeten we de toenmalige burgemeester recht doen. Hij had het beste met zijn bevolking voor en de omstandigheden waarin veel bewoners toen verkeerden waren soms schrijnend te noemen.

    Het laatste jaar (14)

    Zijn zwager Van der Weel, die op de Noordweg woonde, was geëvacueerd naar Utrecht, want zijn huis was door het water onbewoonbaar geworden. Heden moesten plm. 120 mannen zich melden om in de omtrek van Zwolle voor de weermacht te werken (graafwerk). Wie nalatig was zou zich en de zijnen aan zware straffen blootstellen. Slechts 30 hebben zich aangemeld. Een vrij groot deel onzer vloot heeft vanmorgen de haven verlaten, velen zegt men zonder netten (om zich te onttrekken ?). De omroeper, ditmaal Willem L. Kramer, riep vanavond al de ontbrekenden op, dat er morgen van 9-12 nog gelegenheid open was zich te melden. Anders tot straf: hun huis in brand gestoken en als ze gevat werden naar Duitsland gevoerd.
    19 Februari. Heden de centrale keuken geopend. Al vrij druk gebruikt. Bij velen is de aardappelvoorraad al gering.

    Wordt vervolgd

  • 25 april 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (3)
    Hendrik Nentjes, die als gemeenteopzichter een grote rol speelde in dit hele gebeuren was dus een zoon van Hendrik Dubbelesz. Nentjes de postschipper. Toen ik over de Urker veehouders nadacht was het me vreemd te moede, dat Hendrik Nentjes ook een stal met een paar koeien had. Maar nuu ik de achtergrond wat uitgediept heb weet ik dat de vader van onze gemeente-opzichter nog als weduwnaar gewoond heeft naast de timmerschuur van lange Louw Nentjes, de vader van de Ober. Dat huis stond wat achteruit en de voorgevel was geheel met klimop overdekt. Tegen de voorgevel stonden altijd grote zonnebloemen á la Van Gogh. Ze stonden tussen de ramen in. Voor de rest groeide er gras in het voortuintje. De ingang bestond uit twee deuren, kort naast elkaar. Aan de eerste deur was een touw bevestigd met een ijzeren gewicht. De tweede deur was door een slot af te sluiten en had raampjes. Ik kan het me nog goed voorstellen, omdat ik met vriend Willem Nentjes wel eens eten naar de zuster van zijn vader bracht die daar haar laatste dagen doorbracht. Ook later, als knecht van Klaas Romkes, kwam ik daar aan de deur voor het bezorgen van karnemelkse pap. Aan de achterkant van dit huis, de noordgevel, was de stal gebouwd, die later eigendom werd van Hendrik Nentjes, onze opzichter. Marretje, zijn vrouw, had zich de kunst van het melken eigen gemaakt en ik heb samen met Willem wel eens de groep leeg geschept. Door Hendrik werden later de koeien afgestoten en werd deze stal met vereende krachten tot onderkomen van de toen bestaande Oranjegarde ingericht. Zonen Hendrik en Willem en de oudste dochter Jannetje behoorden tot de oprichters van deze garde, die in die tijd veel leden trok. Aan de feestdagen gaven zij enig cachet vanwege hun uniform en marsen door de straten van het dorp. De oude postschipper had dus ook een stal met een paar koeien. In die tijd was dat niet zo vreemd. Wie het doen kon hield een paar koeien om tijdens de strenge winters voorzien te zijn van melk om handel mee te drijven, want melk stond toen in hoog aanzien in de voedselketen ten opzichte van zoute bonen, wortels en aardappelen. Voordat we nu met de bewoners van de Kalkenstraat beginnen nog even dit. Jaawk van Hendrik van Dubbele kennen we nog als de eerste vader van het gereformeerde jeugdgebouw. Deze Jaawk Nentjes had een zoon, Hessel geheten, die ook bij een oom en tante werd opgevoed. Zij hadden geen kinderen en voerden een viswinkel in Nijverdal. Jaawk was weduwnaar geworden. Hessel, het jongste kind, werd in Nijverdal opgevangen en zette later de vishandel voort. Jaawk trouwde later met een weduwe, een dochter van Jaawk van Pieter de bakker, die twee dochters meebracht. Hendrik Nentjes de opzichter staat al te wachten en wij gaan vanaf Wijk 6 nummer 23 onderaan de Zegenaarshoogte in oostelijke richting naar het begin van de straat. Wij zullen proberen iets van wat wij weten van de bewoners daar te vertellen. We lopen tot aan de winkel van manke Hein en slaan dan links een ginkien in. Rechts dus de winkel in manufacturen en links een huis waar vroeger Koosje en Jan Lont woonden. Koosje was wat doof en had altijd een kapertje op. Zij was een lief, klein, breed uitgebouwd mens. Jan werkte bij Wiepke Metz op de werf en hield zich veel bezig met pek en teer. Jan was altijd vroeg op en miste zijn werk op de zondag, dus kwam hij voor kerktijd op visite bij zijn collega Jan Flip. Jan had altijd wat te vertellen en sprak nogal luid en daarbij ook nog nat. Een keer heeft mijn moeder ander brood moeten snijden omdat Jan door zijn natte spraak de boterhammen besprenkeld had. Later bedekte zij het brood met een theedoek als Jan zich aandiende. Overigens, de echte naam waaronder hij bij de burgerlijke stand stond ingeschreven was Jan Leeuwerik. In het huis van Jan en Koosje zijn later Riekelt van Nel en Bonne hun huwelijk begonnen. Tegen het huis van Jan en Koosje was een huis aangebouwd, waarvan de ingang op het smalle ginkien uitkwam. Ook waren de ramen hierop gericht. In dat huis was het altijd vroeg donker, want de afstand naar de westgevel van huize Ras was misschien twee en een halve meter. De bewoners voordat de familie Post daar zijn intrek nam zijn mij onbekend. Jan (Poetjen) Post en Aaltje hadden eerst gewoond op het later genoemde Harmen Visserplein in een piepklein huisje met een vervallen smederijtje daarnaast. Mijn schoolvriend Gerrit kon zich in dat donkere huis wel tevreden voelen, hij had daar meer ruimte op zolder. Na de familie Post kwam er weer een Jan Poet in dat huis wonen. Jan Kramer was getrouwd met Janne van Piet Koffeman en Klaasje de hulleplooister naast Wijk 6 nummer 23.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Wie jongstleden maandag naar het programma ‘Tussen kunst en kitsch’ van de AVRO heeft gekeken, zal ongetwijfeld dat schilderij van Willy Sluiter hebben gezien van de Urker man op deze locatie. In de Urker Courant van 11 mei 1912 wordt het bezoek van deze bekende Nederlandse kunstschilder met een Engelse collega vermeld. Niet alleen Sluiter vond dit buurtje karakteristiek. Bij ons thuis hangt een aquarel van het huis van Jelle Nentjes, de smid (Wijk 1 nummer 74) met uitzicht over haven en zee van de hand van Wout Keizer en de amateurschilder C.J. Kuyper was ook al gecharmeerd van dit hoekje op de haven. De foto heeft dan ook wel iets, mogen we zeggen, enig Anton Pieck gehalte met die beluikte vensters, de verweerde muur met de ijzeren muurankers, de geknotte bomen en het houten hekwerk. Het plein voor het huis had ooit een naam: Plein 1890. Waarom heette dit plein zo? We deden navraag, maar niemand kon ons tot nu toe uit de droom helpen. Het jaar 1890 was een uitstekend ansjovisjaar en bovendien bekend om zijn barre winter, maar dat lijkt ons geen reden om een plein te benoemen. Meer voor de hand liggend lijkt ons het feit dat in genoemd jaar de stoombootverbinding tot stand kwam met Kampen en Enkhuizen, maar zekerheid daarover hebben we dus niet. Van het plein valt nog wel wat meer te vertellen. In de oorlog groeven de Duitse militairen een schuilkelder, meer een overdekte loopgraaf, voor hotel Woudenberg, waar zij ingekwartierd waren, tegen eventuele beschietingen. Na de bevrijding was dat een geliefde speelplaats voor kinderen, maar niet voor lang, want er kwam een houten muziektent op het plein voor het hotel waar op zomeravonden concerten werden gegeven. Tjalling Ruiten hield er een mooie jeugdherinnering aan over, die hij beschreef in ‘Het hart in de keel’, pagina 117/118. In onze jeugdjaren had buurman Luut Kamper een vrachtboot die de ‘IJsselstroom’ heette, waarmee hij een beurtdienst onderhield op Lemmer. De boot meerde aan de kade voor het hotel. het was fascinerend om te zien hoe het Friese slachtvee uit het ruim van de boot getakeld werd. Dat gaf spanning en sensatie. Van de Urker boten hebben wij voldoende fotomateriaal en ook van de ‘Eben Haëzer’, het beurtschip van de gebroeders Romkes hebben we afbeeldingen. Maar de ‘IJsselstroom’ verdween in de nevels van de tijd. Misschien dat een van onze lezers nog een kiekje van het schip heeft liggen. Graag reactie!

    Het laatste jaar (13)

    Dezer dagen is in een straat te Deventer een brandend vliegtuig gevallen. De straat in brand; 61 dooden en vele gewonden. Dezer dagen twee rieven, een van mej. A. Knegtmann d.d. 19 Januari en een van C.J. Borghoudt d.d. 5 Januari. Beide dringend verzoek om per pakje levensmiddelen te zenden. Maar hier is ook al niet meer te koopen. Er was een paar dagen tevoren een V 1 (raket, red.) gevallen bij het kerkhof Eik en Duinen, 6 huizen in elkaar gestort, 27 dooden, een massa gewonden en in vele straten alle ruiten stuk, en dat met die felle koude en sneeuw, en glas is niet meer te bekomen. Uit Walcheren hebben ze nog niets gehoord. B. had vernomen dat te M. het water tot half de Langev. stond.

    Wordt vervolgd

  • 4 april 2002

    Oenze eagen Urker taol

    t Kan verkeren
    Ze eawen nou een oop lef, in toe ie trouwen mós ad ie angeref imd in een beffe mit leuzen. De innen liepen after ’m an, want ze atten daor elke dag van die gekope rees, in in de wienter adden ze gien kaaw. Maar zo gat ’t, as niet komt tot iet… Zeg dat wel. IJ èt er angers z’n gat maar mooi in edreid. Er was mitien wat t’ ùrven, toe z’n skoonvaor kwam te stùrven. In dat zo skielik. In toe was ie boven jan. In ze was ienigste dochter, dat er kwam ok varders gien mins an te rukken. Dat was bij m’n neve Steven wel wat angers. Toe die stùrf kwammen ze as sparkerijers anvliegen. Maar dat angetrouwde nichien ad de beat al nor d’r toe aold. ’t Et er gien weeneieren elegd dat ze ’m wel d’rs een pannetjen soep brocht. Dat worde vanzelf grote arrie. Wie zalig wil stùrven, moet aarlijk ùrven, zegt ’t spreekwoord. Maar ik bin bange dat ’t bij z’n bruur Knieles net zo gat. Je zullen d’r nog van koemen oren. De baotjes zullen d’r nog eut moeten. As ze maar niet vor de fokke lopen. Knieles was ok niet van gisteren. Maar nou je ’t over ùrven eawen, ik dink dat m’n neve Klaos wel gaaw dood zal goon. Vroeger docht ik: Die gat niet vor elven, maar nou èt ie een vlieg’ aand. Kiek ers, wat ik van ’m krieg. Ik stoon ’t maar alf. Nou, nou, dat mag in de kraant.

    angeref imd – anderhalf hemd.
    een beffe mit leuzen – veel ongedierte; de beffe is de halsboord van het rode hemd.
    innen – hennen, kippen.
    rees – rijst.
    er z’n gat indreien – een voordelig plekje weten te krijgen, door een huwelijk bijvoorbeeld.
    skielik – snel, onverwacht.
    boven jan zijn – de (financiële) moeilijkheden te boven zijn.
    sparkerijers – spreeuwen.
    de beat – de buit.
    weeneieren – windeieren.
    de baotjes moeten eut – als ergens om gevochten moet worden; baotje – baattije.
    vor de fokke lopen – stuk lopen, opstropen.
    die gat niet vor elven – die kleedt zich niet uit voor hij naar bed gaat, die erft bij zijn leven niet af.
    een vlieg’ aand – een gulle, vrijgevige hand.
    ik stoon ’t maar alf – ik vertrouw ’t niet goed.

    Het laatste jaar (10)

    18 December. Luut Kamper zal aardappelen uit den polder brengen naar Den Haag. Zijn boot zal gaan via Haarlem en Leidschendam. Een mooie gelegenheid om de grote brieven van Chr(istien) en mij mee te geven, ook een doos met gemalen tarwe. Onze wens is dat Johan met de zijnen deze week naar hier komt, nu ook in Den Haag de hongersnood dreigt. De ‘IJsselstroom’ (de vrachtboot van Luut Kamper, red.) voor donker vertrokken. 19 December. Van Johan en Lies en kinderen brieven voor 14 December. Ze hebben nog voor hoogstens een maand en dan is alles op. Brood, paar sneedjes per dag. Aardappelen bijna op. Geschreven 3 December. Ze betalen al 200 gulden, in Den Haag zelfs f. 250,0 en meer. Boonen en erwten zijn niet te bekomen. Melk nu en dan. Tot 6 uur bleven ze in ’t donker, dan een kaarsje op en 8.30 naar bed. Om 4 uur oude salamander (kachel, red.) aan om eten te koken en dan weer zonder vuur. Heden huiszoeking bij Hulsman en Jan F. Post. Veel in beslag genomen. 23 December. Luut Kamper, j.l. Maandag van hier vertrokken, is zeker al in Den Haag aangekomen. 28 December. In den afgelopen nacht om half drie is Johan met de zijnen bij ons thuis gekomen, na j.l. Maandagmiddag 25 December ’s middags plm. 5 uur van de sluis te Leidschendam weggevaren te zijn. Het vroor toen al flink en op de Kagerplas veel ijs, bovendien op deze terugreis dikke mist. Een aantal menschen meegekomen. Ook bij Johan was maar weinig brandstof en aardappelen. 3 Januari 1945. Met de boot van Kampen zijn hedenavond teruggekomen de predikanten Spijker en Pietersma. 31 Januari. Deze maand met ijs en vaak sneeuw weinig gebeurd om te vermelden. Zelfs dagen zonder luchtalarm. Heden is ’t weer omgeslagen en flink gaan dooien. L. Kamper’s boot door ’t polderkanaal naar Lemmer om slachtvee en melk. Boter is al een paar weken niet te bekomen, evenmin jam, stroop, suiker, zout, lucifers. Per omroeper is bekend gemaakt dat vanavond het elektrisch licht voor het laatst zal branden. Geen kolen, althans niet genoeg om heel Urk van licht te voorzien. Een klein aantal ambtenaren en anderen als dokters, de zusters en vroedvrouw, wethouder de Wit en dan de D(uitsers) in pastorie en hotel Woudenberg, behouden licht, ook wij. Van Piet deze maand nog geen brief gehad, maar in een brief van Joeke Stevens aan Lies schreef ze Piet in Gouda te hebben gesproken. Misschien ligt in Enkhuizen nog een brief van hem, de boot is al dagen lang niet naar Enkhuizen geweest. De politie te Voorburg heeft het raadhuis opgebeld om Johan te zeggen dat zijn school te V. 5 Februari weer aanvangt. Wij eten al enige dagen droog brood, waarop een warm prikje van de stamppot. 10 Februari. Via de Voorburgsche politie is aan Johan gemeld dat zijn school eerst 1 Maart zal aanvangen. Hij en Lies kunnen dus nog vooreerst nog blijven, en we hebben gelukkig nog te eten en brandstof. Ons lichtrantsoen is slechts 4 K.W. In onze woonkamer hebben we thans een lampje van 17 kaars.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    Op onze wandeling over de havenkant zijn we nu op de boothaven aangekomen. Dit havengedeelte werd als open haven aangelegd in 1819, de oudste haven van Urk. De oostelijke havenkom werd in 1834 afgesloten met een dam. In 1878 werd de haven uitgediept tot twee meter onder volzee. De komst van de bootdienst in 1890 maakte de bouw van een aanlegsteiger noodzakelijk. Ook verrees toen naast de werfboet van Roos een eenvoudig kantoorgebouwtje, op Urk bekend als ‘’t boot-ussien’. Het gebouwtje staat er nog steeds en herbergt nu een grillroom met de exotische naam ‘Hawaii’, net niet op de foto te zien. Hier gaan we van start en als we de hoogte oversteken zien we eerst een statig winkelpand oprijzen. ‘Kruidenierswaren en Aanverwante Artikelen’ staat er op het gevelbord te lezen. De weduwe Alb. Brouwer dreef er een winkel. Later kwamen daar pensiongasten bij en nog weer later werd er in de kelder onder het huis de grondslag gelegd voor de limonadefabriek Brouwer. Ooit was de folklorist Cruys Voorbergh hier te gast. Hij at er zijn lievelingstoetjes, griesmeelpudding met abrikozen. Nu serveert restaurant ‘Mes Amis’ er culinaire hoogstandjes. De huizen ernaast zijn inmiddels afgebroken en op die plek staat nu restaurant ‘De Zeebodem’. Het gebouw uiterst rechts op de foto was een van de weinige hotels op het eiland. Eerst zwaaide Hein van Woudenberg er de scepter, daarna nam Klaas Schraal het hotel over, samen met zijn vrouw Dirkje Ras. De naam veranderde: ‘Hotel Café Restaurant De Verwachting’. Zoon Meindert Schraal en zijn vrouw Geertje Korf zetten de zaak voort. Nu is het een Chinees restaurant: ‘Hai-Li’. Op het pleintje voor deze huizen en gebouwen verzamelde zich vroeger het publiek om de aankomst van de boten gade te slaan. Zij stelden zich dan op achter de zogenaamde ‘witte lijn’ om de bootreizigers een ordelijke doortocht te verlenen, al of niet afgedwongen van de toezichthoudende veldwachter. Met de komst van de vaste wegverbinding door de Noordoostpolder begonnen de horecabedrijven hun hotelfunctie te verliezen. De handelsreizigers kwamen per auto naar het voormalige eiland en hoefden niet op Urk te overnachten. Maar nog altijd vormt dit havenbuurtje met zijn gezellige terrasjes en zitbanken een levendig ontmoetingspunt van toeristen en plaatsgenoten, al meren er al lang geen boten meer uit Kampen en Enkhuizen.

  • 3 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    De gouwen ketting

    Garret was een beste jonge in een goeie knecht. IJ voer al jaoren bij dezelfde skipper in mit de knechsen kon ie ok goed worren. IJ ad ien klean ongelukkien, ij was een bietjen groos. Dat wisten de angeren wel in daor plaagden ze em wel durs een bietjen mie. IJ ul van mooi goed in z’n aor zat an boord ok alteed even netjes op de kam. IJ was ok net as een ekster. Een gouwen kettekkien in een oorbelletien was wel an ’m besteed. In z’n twie oren ongen een paor kotters waor Metz jeloers op zou wezen in om z’n narm een stok wekkerketting waor een Zuienaor nog wel een paor trekken mie ad willen doen. Om z’n nekke ong ok een zwaore ketting, ok van zeuver goud. Ze zeggen dat Nijediepers ok zo binnen mar daor wil ik me niet an branen, want ik wiet niet wie dit allemaol lezen. Ma goed, op een dag, midden in de week laggen ze mit mooi weer in de Slopte vor een mindjen knappe tonge in een paor mindjes skolle. Ze laggen ’r net wier an. Garret zat in et visreum de vissies van de vurige trek weg te ezen in de rest sting te strippen. Opiens riep Flerik die an et eande van de lopende baand sting: ,,Oe michteg, moet je dan nou ers kieken, dat veen ik daor zo op de groend.” lJ ul een lange gouwen ketting in de locht. Iederiene kwam om em ene stoon om te kieken. In jawel, et was een ketting van wel een alleve meter lank. ,,Dat is Garret z’n ketting,” zeen Tiemen, ,,die is zieker eknapt in eut z’n eulieias evullen.” ,,Lotten we em verstoppen in niks zeggen,” zeen er iene, ,,kieken wannaar ie et in de gaten et.” ,,Ik wiet wat beters,” kwam Grubbelt, ,,lotten we em in een tarrebot of in een gulle stoppen, dan doen we net of die ketting duur die gulle oppegeten is in dan kieken we wat of ij zegt”.,,Dan moeten we oens wel een bietjen droge ouwen angers et ie et gelik in de gaten,” zeen Tiemen. Zo ezegd, zo edoon. Ze zochten een mooi gulletjen eut de boks in Grubbelt liet de ketting in de bek van de gulle zakken. Die was et ’r niet arg mie iens, dus gaf Grubbelt em nog een klean zetjen mit z’n staoltjen zodat de gouwen ketting ielemaol in de buk van de gulle zat. Ze legden die gulle bij Tiemen neer, want die sting tugenover Garret in maakten ongerwelen erluiers wark of. Opiens ging et visreumlukkien eupen in kwam Garret nor boven in begon mie te ellepen mit wat ’r nog an vissies lag. Ongerwelen ad Tiemen de gulle opepakt in begon em eupen te snijen in aolde de inoud nor beuten. Mit ien beweging aolde ij de ketting tevuurskeen in ul em oge in de locht. ,,Moet je ier d’rs kieken wat of ik daor veen, dat zat in die gulle. As ik et goed zien is et nog een egte gouwen ok! Die is vor oenze Gaartjen.”

    Wordt vervolgdt, Rein

    Bij een oude foto

    Op de grens van het oude en het nieuwe jaar, beste lezers, komt deze aflevering tot stand. Tijd om even terug te blikken. Op 16 januari 1987 verscheen het eerste nummer van de Kleine Courant. Dat houdt in dat we binnen enkele weken de zestiende jaargang binnentreden, bij leven en gezondheid. Aan de formule van toen is eigenlijk weinig veranderd. Een beetje geschiedenis en een snufje folklore, een oude foto en soms een knipoog naar het heden. Met ingang van 2002 heeft de redactie van ‘Het Urkerland’ echter wat nieuws bedacht. Bij de oude foto wordt een tweede foto afgedrukt van de huidige situatie ter plekke. Op die manier kunnen verleden en heden met elkaar worden vergeleken. De foto van deze week voert ons naar de Staverse hoogte, zo genoemd omdat onderaan deze hoogte de jollen afmeerden van de vissers uit Staveren en Laaxum. We moeten even terug naar het laatste kwart van de 19e eeuw.

    In 1878 werd de bestaande haven naar het westen toe uitgebreid. De werf van Hakvoort moet toen met de hand zijn uitgegraven. Wanneer de noordelijke keermuur is gebouwd weten we niet precies, maar de westelijke muur, die langs de Staverse hoogte, dateert van 1917, toen Belgische en Britse militairen hem hebben opgemetseld. Die militairen waren hier geïnterneerd als gevolg van de neutraliteit van Nederland gedurende de Eerste Wereldoorlog. In feite beschikt Urk dus, als een van de weinige gemeenten in Nederland, over een heus oorlogsmonument uit de tijd van de Grote Oorlog. De laatste jaren raakte de muur steeds meer in verval, zodat de restauratie noodzakelijk werd. Dat geschiedde vorig jaar. Dat daarbij een onaanzienlijk, maar wel zeldzaam muurvarentje verloren ging, memoreerden wij eerder.

    Het laatste jaar (5)

    Voor dit gezin moest Mina H. Gerssen haar huis voorlopig ontruimen en Albert Kramer vond inwoning bij Jelle E. Hakvoort, (haven). Er zijn heden weer enige Duitsers gekomen en denkelijk zullen er nog meer volgen. De bomen in de Prins Hendrikstraat moesten heden hun kruin missen en ook die op de werf W. Metz moeten gekortwiekt. Ze belemmeren het uitzicht vanaf het platte dak van Hotel Woudenberg op polder en dijk. Albert I. Koffeman en de zijnen zijn uit Utrecht (na het bombardement) per fiets – van de banden ontdaan voor alle zekerheid – naar Kampen en per boot naar hier gekomen. Uit Voorburg nog steeds geen tijding. Van Langejan uit Heemstede een brief ontvangen verzonden negen october. Zitten daar in Heemstede al zonder licht en binnenkort zonder gas.
    19 October.
    Werd omgeroepen dat Luut Kamper vanmiddag naar Amsterdam vertrekt. Toesteming hadden de heren die in de polder (men zegt 220) bijenkorven gehad hebben voor het met die boot terugbrengen dier bijenvolken naar Haarlem. Ook verkregen enige mensen een bewijs van de commandant om te mogen meereizen o.a. iemand die commensaal is geweest bij de weduwe van Klaas Teunis Ras, die deze zomer in het ziekenhuis te Enkhuizen overleden is. De Jager heet die man, die lopende naar zijn gezin te Sliedrecht denkt te moeten terugkeren via Waddinxveen en Gouda. Toonde zich bereid een brief voor Piet mee te nemen. (Had al meer brieven voor anderen mee te nemen en beloofde die van ons in Gouda te posten). Aan Johan door mij en Christien grote brief geschreven en gebracht bij Luut Kamper. Een der heren van die bijen die na het bezorgen der bijen te Haarlem per fiets naar Den Haag moet, heeft aan L. Kamper beloofd de brief daar te posten. Vanmiddag was ’t dreunen van ramen en deuren ’t bewijs dat in de omtrek een bom is gevallen. ’t Geluid kwam uit de richting Gaasterland – Lemmer, denkelijk om de plaats van de V1 te treffen. (Bedoeld wordt hier de lanceerplaats van de V1, een soort raket, red.) 20 October. Heden een dag van angst en verschrikking voor velen geweest. Ger. Metz en Corns. I. Koffeman, gemeente-ontvanger, zijn gegrepen en naar de pastorie gebracht. Hun huis doorzocht en bij G.M. een bus suiker, boter, al z’n tabak en sigaetten, kaasen, lucifers (thans zo schaars) weggehaald. Wijl Piet en Dirk Zeeman verdwenen zijn werd hun vader, de havenmeester, meegenomen en Dirk’s verloofde, Pietje van Dijk (dochter van Dirk van Dijk). In haar tasje vonden ze, zegt men, ziekenbons waarvan ze de bestemming niet zeggen wilde. Dirk is namelijk voortvluchtig, evenals Jan Oost, wiens vrouw meegenomen, doch enige uren later vrijgelaten werd (wegens de kleine kinderen?), namelijk Marijtje H. de Boer. Reijer Kale was niet te vinden, evenmin z’n zoon Jacob, waarom z’n vrouw Jannetje E. Hakvoort bij de andere vrouwen ingesloten werd in het gevorderde huis van Alb. Kl. Kramer. Bij de huiszoeking vond men, zegt men, in Jacobs kleding verboden blaadjes. Ook Geert H. Oost is gepakt. Chr. van Beckhoven had zich bijtijds uit de voeten gemaakt. Een radiotoestel werd bij de huiszoeking aangetroffen en Mette bij de andere vrouwen gebracht, evenals haar dochter Koba, die niet zeggen kon of wilde waar haar voortvluchtige man Ide G. Koffeman thans is. Ook Geert Koffeman (zijn vader) is meegenomen, evenals Marie van Beckhoven, getrouwd met Jan van Flip ten Napel (voortvluchtig). Harmen Kramer (van Jan van Bubbe) ook gevat, doch later losgelaten. 2l October. Vanochtend zijn Ger. Metz, C. Koffeman en Pietje D. van Dijk met de boot naar Kampen weggebracht. Havenmeester Zeeman en de vrouw van Reijer Kale zijn vrijgelaten, ook Mette Koffeman, doch moet zich geregeld melden. Bij dokter Vonk moet ook huiszoeking geschied zijn, ook bij Teunis Kl. Visser, maar daar geen kwade gevolgen. 26 October. Heden drie keer luchtalarm. Naar ik van mijn zwager Kl.K. hoorde moet Chr. van Beckhoven in Dorp A (Emmeloord, red.) of althans in de polder opgepakt wezen. Ger. Metz, C. Koffeman en Pietje van Dijk in Zwolle gevangen. Eindelijk deze week eerst een brief van Piet d.d. 10 October en daarna van Johan d.d. 16 October.

    (Wordt vervolgd)