Tag: Hoogtes

  • 7 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Een visserman èt altees wat
    Eawen je jonges nog wat verdiend van de week? Nou, ze eawen d’rluiers part, maar maar ok niet. Eawen ze ok op de legge evist? Daor binnen mooie skolletjes evongen, oor ik daor. Nee ze eawen de iele week in de steanen eklaawd. Daor wil nog wel d’rs wat tonge zitten, maar je kunen d’rs ok gemakkelik je teug weg bringen. Ze adden gelokkig niet vuul averije. Maar d’rluiers maot, die bij ’rlui in de buurt viste, verspuulde nog een nije ongerzede, dat beabe Jan kan wier een paor poendjes gaoren verbreien. Ja, as er niet eskeurd worde kon Klaos van Tuus wel op z’n rogge goon leggen, in z’n bruur Indrik erbij. In zo et ’t altees al ewest: d’ îene z’n dood is d’ anger z’n brood. De zealemakers moeten ok leven. Een visserman trekt angers altesen an ’t kortste eande. Kiek maar nor de koeboeren. Klagen gien gebrek, maar ze goon je maar doen ene. Ei je ’t duur? Een visserman is altoos vor een anger in de weer. Een kellefien wort een koetjen, maar een zeltjen wort een dweltjen. Zou je dan mit je neve Flerik realen willen? Vor gien goud! Die zit onger de plak van z’n vrouwe, in ik eaw een vrij leven. Fim is blede as ik teus koem in blede as ik wier voort goon. In al is ’t dan gien vetpot, we eawen de vrede. Nou, wat kuun je nog maar begeren?

    jonges – zoons (die op het schip van vader varen)
    maar – 1. maar, 2. meer
    de legge – een zekere visplek
    in de stienen – een steenachtige visplaats
    klaawen – modderen; moeizaam werken
    ’t teug weg bringen – ’t viswant verspelen
    ongerzede – onderkant van kor of kuil
    op z’n rogge goon leggen – geen werk meer hebben met alle gevolgen van dien
    eande – eind
    ei je ’t duur? – snap je ’t?
    een zeltjen wort een dweltjen – een zeil wordt al gauw een ‘dweil’ (dus waardeloos)
    realen – ruilen

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (3)
    ,,Wacht effen Jan, ik loop mit je mie nor de boot.” ,,Da’s goed Willem” zei ik, “jie eawen wel gaauw verlof.” ,,Dat komt”, zei Willem, ,,de kapitein zeen, goon jie maar zo lange nor eus tot we beter goed vor je eawen. Zo kan een mins z’n vaderland toch niet dienen.” Wij liepen gezamenlijk het perron af op weg naar de boot. Ineens, buiten gekomen, sloeg Willem met zijn rechterhand naar zijn hoofddeksel en bracht de militaire groet. Er passeerde ons een met goudgalon versierde persoon, die ons geen blik waardig keurde. Willem zei: ,,barst vint!” toen hij niet terug gegroet werd. ,,Maar Willem, dat was geen marineman, maar de kapitein van de Staverse boot, die heeft ook drie gouwen banden met een krul om zijn mouwen.” We liepen langs de haven en onder de ,,Dromedaris” door naar de boot. In het straatje net voor het cafe van Moleman kwam ons een Sandeman sherry-figuur tegen, we liepen hem gewoon voorbij. Even later hoorden we een stem die riep: ,,Hee soldaat, kun je niet groeten?” Ons omdraaiende zagen we dat de cape opengeslagen was en daaronder een marine-uniform. ,,Als je me niet kent, zeg je maar u tegen me”, riep Willem terug. ,,Kom aan, we gaan naar de boot, ik wil naar Urk.” We versnelden de pas, maar de cape met de man er in kwam ons achterna en ging op het marineschip om even later terug te keren met twee gewapende matrozen. Die liepen dwars over naar de ‘Insula’, gingen de salon binnen en zochten Willem. Even later werd Willem tussen de gewapende matrozen afgevoerd naar de oorlogsbodem. Het gaf natuurlijk een ontzettende consternatie aan boord, een Urker soldaat opgebracht door de marine. Willem Kroon, de kapitein, kwam boven en zei: ,,Alles klaar mensen? dan gaan we.” ,,As we nog effien wachten dan oalen ze alle passagiers van de boot of”, zei Lub van Mina. ,,Wat is er loos dan”, zei Kroon, ,,ik wiet niks”. Ik vertelde Willem Kroon mijn ervaringen met Willem de Boer en over het groeten van de kapitein van de Staverse boot en het niet groeten van het jonge luitenantje en de toestand er na. Willem keek langs mij heen in de verte en dacht diep na. ,,Janneman”, dat zei Kroon altijd als we heel vertrouwelijk met elkaar waren, ,,Janneman, we laten onze passagiers niet van boord halen, haal je witte pet met het marinewapen er op, dan gaan we onze passagier ophalen.” Even later gingen we op weg naar de oorlogsbodem. Tegen de schildwacht zei Willem Kroon: ,,De kapitein van de postboot meldt zich voor een gesprek met uw commandant.” Na veel vieren en vijven stonden we tegenover de commandant van de oorlogsbodem. Drie gouden banden met een krul om zijn mouwen, dus de rang van kapitein ter zee. Kroon kende de rangen, want hij was zelf in de vorige oorlog, 1914-1918, schipper bij de marine geweest. ,,Mag ik weten”, vroeg de commandant, ,,wat de reden is dat u mij wilt spreken?” ,,De reden is nogal ernstig”, antwoordde Kroon, “door twee miliciens is in opdracht van een van uw luitenants ene passagier van de postboot, die onder mijn commando staat, gehaald, en hiertegen moet ik fel protesteren.” ,,Toch geloof ik dat uw protest niet op zijn plaats is, want die passagier van u, een soldaat, heeft niet aan de groetplicht voldaan en een order van een meerdere niet opgevolgd.” ,,Misschien”, antwoordde Kroon, ,,kan mijn hofmeester beter de toedracht vertellen die tot het incident heeft geleid.”

    Slot volgt, JtN

    Bij een oude foto

    Het lijkt wel, beste lezers, of de havenkant uitgekamd wordt. Een soort vreedzame razzia op zoek naar het verleden van gebouwen en huizen. En in zekere zin is dat ook zo, de komende weken blijven we op en rond de haven ronddolen, bij leven en gezondheid. Wat zien we op deze foto? We zien een viertal panden op de Westhaven. We beginnen bij het pand links op de foto. Dat was de schuur van Klaas Romkes, op Wijk 1-33. Het markante pand daarnaast behoorde aan de op Urk welbekende vishandelaar Albert Hakvoort (Albert van Inte). Let op de gemetselde sierbogen, die, voorzover onze herinnering reikt, bekroond werden door chromaattegels. Nu wonen op dit adres, Wijk 1-34, Lub en Marieke Kramer. Die vreemde uitbouw was het portaal, dat toegang gaf tot de bovenwoning. Vijf stenen pinakels bekronen de eindgevel, heel ongewoon op het eiland Urk. Dan krijgen we het bedrijfsgebouw van de vishandelaar Jan Brouwer met de zogenaamde ‘kraak’, hier nog van hout. De woning op en onder de kraak werden ooit bewoond onder andere door Jacob van Slooten (UK 26), Jakke Ras, de vishandelaar, Willem Kramer (UK 84) en Jan Brouwer (UK 134). De lijst is niet volledig. Later werd de schuur een opslagplaats van oliehandel de Boer en nog weer later had Andries Hakvoort, de scheepstimmerman, er zijn bedrijf. In het verbouwde pand zijn de vier leeuwtjes uit de oorspronkelijke gevel weer ingemetseld, tezamen met (vermoedelijk) een jaartalsteen. De schuur is nu in gebruik bij sleepbedrijf Kapitein en Auke en Co Kapitein wonen nu in de riante bovenwoning met een schitterend uitzicht over zee en havens. Over de ‘Urker Stores’ van Douwe Gnodde schreven we reeds eerder. Als aanvulling mogen dienen dat de winkel ooit gedreven werd door Jan Brouwer, in scheepsbehoeften.
    Op de voorgrond zien we de houten beschoeiing van de Westhaven, die naar het oosten en westen doorliep tot de werven van Metz en Hakvoort met een onderbreking door de werf van Roos. De haven was toen een rijkshaven en is dat nog lang gebleven. En, o ja, we weten nu hoe de hoogte vanaf de Bethelkerk naar de Westhaven in de volksmond genoemd werd. Volgens Alie Post-Romkes was dit het ‘Wagenpad’. En dat sluit dan weer mooi aan op wat we daar eerder over schreven. Tot ziens op de haven!

  • 21 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen (slot)

    Zo kaol as een leus (zo kaal als een luis).
    Zo grees as een deuve (zo grijs als een duif).
    Zo doof as een kwartel.
    Zo ziek as een krabbe.
    Zo misselijk as een katte.
    Zo zwart as een todde.
    Zo mager as een roek.
    Zo mager as een spiering.
    Zo koud as een kommetjen.
    Zo vet as modder.
    Zo mager as een skram.
    Zo geel as een darg.
    Zo geel as saffroon.
    Zo wit as pisse.
    Zo rood as een kraol.
    Zo wiek as snot (wiek is week).
    Zo zuur as eek (eek is azijn).
    Zo dunne as een stopnaolde.
    Zo vast as een eus (eus is huis).
    Zo mistig as een gat.
    Zo blede as blik (erg blij).
    Zo lek as een maande.
    Zo lek as een wiege.
    Zo dronken as een punter, as een kenon, as een toeter.
    Zo ard as een spikker (spijker).
    Zo slop as een vaotdoek.
    Zo skoon as zulver.
    Zo skoon as een wintjen.
    Zo zaft as zede (zo zacht als zijde).
    Zo gaor as botter.
    Zo glad as een bel.
    Zo steef as een dol (erg stijf).
    Zo skeaf as een drol (erg scheef).
    Zo lank as de dag.
    Zo zwart as aarde, as de nacht, as kool teer, as een dier.
    Zo gek as een uie.

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon
    Binnenkort gedenken wij dat de Tweede Wereldoorlog ook Nederland niet voorbij ging. Tien mei was de overval op ons kleine landje aan de zee. Dit is nu 62 jaar geleden. Op zondag 3 september 1939 verklaarde Engeland zich in de oorlog met Duitsland. Dit laatste gaf ook voor Nederland problemen. Wij wilden neutraal blijven en om die neutraliteit te beschermen werd de mobilisatie afgekondigd. Ik was toen in dienst van de E.U.S.M. Leeftijdgenoten waarmee ik voor de dienst gekeurd had, waren al in dienst opgeroepen. Ik was tot buitengewoon dienstplichtige gebombardeerd, maar later kreeg ik toch bericht dat ik in juni 1940 op moest komen bij de luchtdoelartillerie. Dit laatste is natuurlijk niet doorgegaan. Veel, in mijn ogen oude Urkers, moesten hun soldatenkloffie aantrekken. Soms paste het niet meer en ook was het lichaam niet meer in die positie om frank en vrij het vaderland te dienen.
    Dit laatste was het geval met Riekelt (Verkos) Pasterkamp. Deze toenmalige stencil- en drukwerkverzorger groeide door een of andere oorzaak steeds meer met zijn neus naar de grond. Toen hij in matrozenuniform met de boot meeging om zich te melden, zei hij tegen mij: ,,Nou Jan, ik ben vanavond wel weer terug uit Den Helder, wat moeten ze nou met mij doen?” Maar hij was ’s avonds niet terug. Zij hielden hem vast om het vaderland te dienen. Toen hij met zijn eerste verlof kwam, zag hij er een stuk beter uit. Zelf opperde hij ,,dat hij door een heel goede dokter behandeld werd en dat die hem beloofd had dat er een heel andere Riekelt zou afzwaaien. ,,Dit laatste is ook gebeurd. Hij werd gekneed en gevormd zodat het voor ons een wonder leek. De oude Riekelt was een heel nieuwe soldaat geworden van de kustwacht. Ik trof natuurlijk op de boot veel verlofgangers die hun wederwaardigheden vertelden. Zo was Jo Gerssen, de manufactier, kok in Kampen bij de troepen. Gezellige avonden aan boord in Kampen met als traktatie een stuk worst waar Jo voor zorgde. In Enkhuizen waren ook oorlogsbodems gestationeerd met daarbij gevorderde sleepboten van de Zuiderzeewerken. Ze lagen tegenover de Harlinger steiger in het Krabbersgat. In de haven lag een oorlogsbodem die wij ‘strijkijzer’ noemden. Het was een oud beestje, want alles was uit de figuurlijke mottenballen gehaald. Ik had een goede ingang bij de opvarenden van deze oorlogsbodem. In het begin was het een beetje chaotisch, maar later liep alles volgens goede marine-tradities.
    Zo was op een mooie septemberdag de kok aan het piepers jassen, heerlijk in de zon aan dek. De man was een kunstenaar, want van de grote aardappels maakte hij koppen van grote politieke figuren zoals Hitler, Musolini, lord Eden, Churchill enzovoorts. Later hoorde ik dat deze man in het dagelijks leven beeldhouwer was, ja zelfs een hele goeie.
    Voor een karig loon moesten de medewerkers van de E.U.S.M. lange dagen maken omdat er boten gevorderd waren ten behoeve van het evacueren van bewoners die in het gebied van de Waterlinie woonden. Deze boten moesten altijd bemand wezen en onder stoom liggen. Deze boten lagen ergens in de rietlanden bij Amsterdam. Mijn eigenlijke werk, dat van hofmeester, werd mede hierdoor ook verzwaard, daar ook nog andere taken op mijn schouders werden gelegd. In die tijd voelde ik het bekende gezegde van Gerrit Snoek: ,,Help effien, je lopen doar toch”, in variatie op mij toegepast.

    Wordt vervolgd, JtN·

    Bij een oude foto

    We staan hier voor een tweesprong die vanwege de hoogteverschillen op Urk een ‘vork’ genoemd wordt. Die vork wordt bepaald door de veestallen van Jelle en Meindert Hakvoort. Rechts zien we nog net een gedeelte van de Bethelkerk. Links zien we de voor die tijd moderne woning van Hendrik Romkes, ooit kapitein van een der boten van de E.U.S.M. Zoon Klaas koos een ander beroep, dat van grossier in kruidenierswaren. Als we goed zijn ingelicht heette een van zijn producten Ralazijn. ‘Ral’ was de afkorting van ‘Romkes Als Leverancier’. Stenen huizen met een puntdak kwamen op Urk maar weinig voor. Het afhellende veldje tussen de Bethelkerk en de haven was vroeger in gebruik als taanhek. Om de netten van de vissers te verduurzamen moesten ze van tijd tot tijd worden getaand. Dat tanen (of toonen zoals het op Urk werd genoemd) gebeurde in een taanketel, die eerst gevuld werd met water. Onder de ketel werd een vuur gestookt. Als het water heet genoeg was, werd er eikebast of cachou aan toegevoegd. Cachou (eigenlijk caoutchouc) is een extract van de Indiase acaciaboom. Gedurende de Eerste Wereldoorlog moest men bij gebrek aan cachou een vervanger zoeken. Dat was eek, getrokken van de eikenschors. Het werd uit Brabant aangevoerd. Naast de taanketel stond meestal een eenvoudige hijsinstallatie, bijvoorbeeld een mast met een laadboom, waarmee de netten en het touwwerk naar boven werden getakeld. De netten werden na het tanen per kruiwagen naar de botters en schuiten vervoerd. Het proces van het tanen verspreidde een penetrante geur, die zich hechtte aan de kleren. In alle Zuiderzeevissersplaatsen waren wel taanketels te vinden. In Vollenhove werd het tanen door de vissers zelf gedaan. De taanketels werden dan wel verhuurd aan collega’s. Met de komst van het nylon en andere synthetische vezels werd het tanen overbodig en verdween een oeroud ambacht langs de boorden van de Zuiderzee. Daarmee verloor ook de taanhoogte zijn functie. We weten dus wanneer het ophield, niet wanneer het begon.
    Op een kaart van het eiland Urk uit de Napoleontische tijd staat al een ‘taanhuys’ of ‘taanderij’ vermeld, ongeveer op de plek van de ‘oude’ scheepswerf Metz. Op de voormalige taanhoogte werden nieuwe huizen gebouwd, nu bewoond door Willem Kramer en zijn vrouw Mina (van Sijtje) en Peter Venema en zijn vrouw Jannie Kramer. Ook op de ‘vork’ verrees een nieuwe woning die wordt bewoond door Meindert en Nellie Kramer.

  • 12 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen
    ’t Is zo dunne as een lovertjen.
    IJ beangelt (behandelt) m’n as z’n voetvege.
    IJ maakte as de duvel dat ie voort kwam.
    IJ is zo gek as een bos bieten.
    IJ is zo ol as een biet.
    IJ is ommekeerd as een blad van een boom.
    Z’adde een kleur as een roze.
    Ze verteert as de milden op ’t veld.
    Ze lachte as een vallen duvel.
    IJ was zo vrindelik as er iene.
    IJ lopt as malle jan in ’t oenderd.
    ’t Glimt as een keersemakersgat in de moneskeen (maneschijn).
    Ik bin zo love as een meier (zo moe als een maaier).
    IJ et ’t zo drok as een skeerbaos mit îene klaant.
    IJ et ’t nog drokker as een klean baosien.
    Ij was er zo groos op as de duvel op een nije zunde.
    IJ kîek m’n an as de klinkklaore boze.
    IJ is zo bretaol as ie groot is.
    Ze kan warken as een dartien (ze is een goede werkster).
    Ze is zo lank as de vuurmiddeg.
    IJ lag op de groend zo lank as ie ewossen (gegroeid) was.
    Ze is zo slecht as ’t waoter diep is.
    ’t Vreur dat ’t knïep (kneep).
    Ik bin as een zak zo love.
    Ik bin ’t love as gespuugen spek (ik ben het zat).
    De locht stat of ie katten spegen (spuwen) wil.
    Ij et een ge-ugen as een ezeren pot (hij heeft een geheugen als een ijzeren pot, d.w.z. een sterk geheugen).
    Ik bin zo of as een matten zak.
    Ze gîeven geld eut as zaand, as waoter.
    Die dingetjes binnen zo licht as de ijdeleid.
    ’t Vul m’n as koud waoter op m’n leef (lijf).
    Ij add‘ een gank as de rook (ze was heel boos en schold erg).
    Ze gebrukken Gods naam of ’t een lepeltjen zout is.

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (6)
    Van de dokter krijgt hij heel goede brandewijn mee op zijn tochten. “Denk er om Jan”, zegt de dokter, “voordat je de bussen opent eerst een slok brandewijn in je mond en met lysol je handen beschermen.” Zo roeit Jan en zo helpt hij de epidemie te bestrijden. Hij is ambtenaar, dat wil zeggen dienaar in de juiste zin van het woord. Jarenlang zag ik Jan ons huis passeren met in zijn hand een in een theedoek gebonden schaaltje met eten. Elke dag weer, ’s zondags en in de week. Dat eten was bestemd voor twee vrijgezellen, familie van hem, die in de straat achter Fokke de scheerbaas woonden. Het waren wat wonderlijke mensen die nooit buiten kwamen. Met mijn vader kwam ik er veel want ze waren meesters in het netten boeten. Veel mensen waren bang voor ze. Als trouw kerklid van de Hervormde kerk heeft hij jarenlang de kinderen van de Hervormde zondagschool verteld uit de Bijbel samen met zijn zwager Freek Brouwer. Jan deed dat op zijn eenvoudige kinderlijke manier. Met kerstfeest was de viering in de kerk, waar altijd een mooie kerstboom stond. Veel mensen kwamen dan luisteren naar de vertelling. Soms ging hij wel wat te ver, naar onze mening, in het aanduiden van de toestand in de stal. Zo vertelde hij eens dat Maria niet eens luiers bij zich had en toen maar “haar snotdoek om et keend z’n getjen ding.” Gelach op de galerij. Jan draaide zich om en zei tegen ons: “Ik vertel et vor de kiengeren, niet vor jului, grote vullemen!” Ik schaamde mij wel een beetje, want hij had gelijk. Zwager Freek deed de vrije vertelling over het boek ‘Peerke en zijn kameraden’. Ja, zo leefden wij die tijd op dat kleine eilandje midden in de zee. Klaas de baron is niet zo oud geworden. Op een vroege nieuwjaarsmorgen werden wij opgeschrikt door drukte op de Zegenaarshoogte. Wat bleek? Klaas was die nacht niet thuis gekomen. Later hoorden wij de toedracht van de zaak. Klaas had met vrienden de jaarovergang in een botter op de haven gevierd. Na de klok van twaalf ging onze Klaas nog even wat halen om de gezelligheid te bestendigen. Bij het overstappen van de botter op de wal raakte hij te water. Heel Urk leefde mee met dit tragisch ongeluk in de eerste uren van het nieuwe jaar. Jan Kroeze moest toch weer een secondant hebben op de kar. Er waren veel en goede sollicitanten, want het was een fel begeerd baantje, vooral ook omdat het toen nog in zwang zijnde ludieke nieuwjaarzeggen door de karrelieden een profijtelijke wrochting was. Het werd Jelle Romkes. Of het een rol speelde dat hij een buurman van de burgemeester was, durven wij niet te zeggen. De Zeeman (Kees Kroon) werd niet benoemd, ondanks het feit dat hij uitstekend met paarden wist om te gaan. Maar deze Kees kwam toch later in dienst van de gemeente toen Jan Kroeze de harp aan de wilgen hing. Aan een zeer werkzaam leven in dienst van de burgers van Urk kwam een einde. Samen met zijn vrouw mocht hij nog enige jaren van zijn pensioen genieten. Hij was nadrukkelijk aanwezig onder ons, door zijn werk, maar hij stelde zich nooit op de voorgrond. Er kwamen grote veranderingen. De kar ging weg, de stier ging weg, de zwarte, het paard werd verkocht. Er kwam een auto. De ene verandering buitelde over de andere verandering heen. Jan bleef nog lange tijd zijn familie het eten brengen dat Bape gekookt had. Er kwamen jongere onderwijzers voor de zondagschool, daar stopte Jan dus mee. “Et is zo kiengeren”, zei Jan wel eens, “as je ouwer worren, brikt alles bij je anen of.” Een waar woord, maar dat deze mens, deze eenvoudige man, een sterke indruk heeft achtergelaten, bewijst, dat ik nu, op 73-jarige leeftijd hem in gedachten nog zie lopen, de rug wat gebogen. En ik hoor hem nog praten tegen zijn paard: “Goon je gank maar zwarte, wij binnen ier kloar…”

    J. ten Napel

    Bij een oude foto

    We blijven dicht in de buurt van de vorige locatie, maar nu gezien van de noordzijde. De foto is genomen in 1959 en we kijken recht op de woning Wijk 1 nr. 31. Hier woonde, volgens de ons verstrekte gegevens, in de jaren 1925 – 1930 Albert Hakvoort, een visverkoper die ‘Abbesien’ werd genoemd. Later heeft zijn zoon Klaas het bedrijf voortgezet. In een van de vooroorlogse jaren betrokken Gerrit Korf en Jannetje Post de zuidzijde van de woning, met een riant uitzicht op de Westhaven en het IJsselmeer. Zij kregen drie zonen en een dochter: Louwe, Cornelis, Alie en Albert. Vader Gerrit werd de trotse eigenaar van de nieuwe ijzeren botter, de UK 83. In het oorlogsjaar 1941 liep het schip op een mijn en verging met de hele bemanning en een Duitse soldaat die als bewaker aan boord was. Op maandag 10 maart 1941 is de UK 83 vanuit IJmuiden naar zee vertrokken en niet meer binnengekomen. Met de schipper kwamen de beide zoons van Brechtje van den Berg-Bakker, Jurie en Sjoerd, om het leven. De naam van de Duitse soldaat is ons niet bekend. Het gezin Korf werd wel zwaar beproefd. In de nacht van 7 oktober 1954 verging in een vliegende storm de UK 174 met haar bemanning, waaronder zoon Cornelis (Kees). De noordzijde van de woning werd geruime tijd bewoond door het gezin van Riekelt Bakker (UK 48) en Hiske Woord. Zij kregen vijf dochters en drie zonen: Griet, Jacob (overl.), Trien, Fokke, Klaasje Maria (Kaat, overl.), Hiltje, Jelle en Luutje. Het gezin Bakker verhuisde later naar een der eerste nieuwbouwwijken in Wijk 7. Rechts op de foto zien we de zeilmakerij van Jelle Hakvoort, in de volksmond Jelle van Evertjen. Links zien we de woning van Klaas Romkes, de smid. Ongeveer op dezelfde locatie wonen nu Hendrik de Wit en Annemarie van Slooten. Het doorkijkje op het IJsselmeer is helaas verdwenen. Tuinen waren in de jaren dat de bovenste foto werd genomen een grote luxe. De ‘tuin’ van Klaas de smid zal, schatten wij, nauwelijks tien vierkante meter hebben beslagen. Toch is het lapje afgehekt met een smeedijzeren sierhek. Even terug naar de vorige aflevering. De veronderstelling dat de hoogte boven dit buurtje zou zijn ontstaan ten behoeve van het vervoer met karren en wagens bleek juist te zijn. Allen, niet in de negentiende eeuw kwam deze hoogte tot stand, maar in de twintigste, zo berichtte telefonisch neef Jan uit Gouda, die daartoe een kort onderzoek verrichtte. Waarvan acte.

  • 31 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen
    Zwîeten as een otter.
    Zeupen as een kaoter.
    Lopen as een kieft (kievit).
    Zwimmen as een eandepiel (eendekuiken).
    Vechten as armeluien (hermelijnen).
    Skreawen as een mager varken.
    Bloen as een reager (bloeden als een reiger).
    Eten as een dikkert.
    Eten as een ouwe soldaot.
    Vloeken as een ketelboeier (ketelboender).
    Warken as een knuut (hard werken).
    Janken as de pest.
    Stelen as de raven.

    Je maken je zo smerigs een dier.
    IJ zit er bij as een vink die niet kwinkt.
    Ze lopt as een inne (kip) die z’n ei niet kweet kan.
    Ze zicht er eut as een verzuupen kaoter.
    Ze lopt ermie te togen as een rotte (rat) mit z’n jongen.
    ’t Zit zo vast as een oend (hond) in z’n ouwe moer.
    ’t Lot ’m zo koud as een oendesnuut.
    IJ vligt vor m’n as een oendjen.
    IJ kîek m’n an as een groot ’oend.
    IJ lopt zo arde as een leus op een terig outjen (een geteerd houtje).
    Ik eaw een dorst as een paard.
    Je eawen een baord as een bok.
    IJ gaf zuchten as paardeskieten.
    IJ lopt net of ie de pappegaoi de kop of eskeuten et.
    Ze et de terige as een paard.
    Ze gingen je rossen as ouwe paarden.
    IJ is zo dom as ’t aftereande (achtereind) van een koe.

    Uit: Leven en taal van het eiland Urk

    TdV

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (4.)
    De meerdere taken van Jan
    In de dertiger jaren was er al wel riolering op Urk, ook hadden we waterleiding. Het water kon getapt worden uit standpompen die op verschillende plaatsen in het dorp stonden. Er waren echter maar weinig toiletten op deze riolering aangesloten. Water om te drinken werd uit de regenwaterbakken gehaald. Het leidingwater smaakte niet lekker. Ook voor de fijne was was dit leidingwater niet geschikt, het kostte te veel zeep om het water zachter te maken. Voor het spoelen van de zware baasien kleding werd het wel gebruikt en natuurlijk voor het vrijdagse straat-schrobgeweld.
    Vrijdags werden er geen praatjes gemaakt, dan was het de wekelijkse grote boen- en schrobdag. Zo was de maandag de grote wasdag.
    Een droge zomer was een ramp. De kerkenbakken werden dan geopend en voor twee centen kon je dan een ‘gank’ (twee emmers) water kopen. Je moest ze zelf putten met een akertje. Het gebeurde wel dat de gemoederen zo heet gebakerd waren, dat sommige schedels op hardheid werden beproefd door er met een emmer op te slaan en voor de afkoeling zorgde dan weer een akertje met water dat over de ruziemakers werd gegooid. Boezels werden afgerukt en hullen sneuvelden ook wel. Ondanks het feit dat het hemelwater via het dak van de gereformeerde of hervormde kerk in de bak was gevloeid, was dit geen verzekering dat de waterbevoorrading in pais en vree geschiedde. Als de kerkenbakken ook leeg raakten, werd er water met de postboot aangevoerd. De ballasttanks werden dan vol water geschept, zo uit de IJssel even buiten Kampen. Ook van hieruit werd het water per ‘gank’ verkocht. De bemanning zorgde voor de goede orde. Een spreekwoord, dat door oudere mensen op Urk nog wel eens wordt gebruikt, stamt uit die tijd. Het was een droge tijd, de kerkenbakken waren leeg en van de verschillende regenwaterbakken waren de laatste beetjes ook opgebruikt. Een lid van de Hervormde kerk had niets meer in voorraad in de bak, maar hij wilde toch graag een lekker ‘bekkien’ zetten. ,,Ik weet wat ik ga doen”, zei hij, ,,ik ga naar de Hervormde pastorie en vraag daar om een emmertje water.” Zo gezegd, zo gedaan. Hij op weg naar de pastorie. Deze werd bewoond door dominee Lingbeek. Bij de pastorie aangekomen trok onze vriend opgewekt aan de bel, gedachtig aan het lekkere water uit de pastoriebak. De eerwaarde deed zelf open. ,,Goeienavond dominee, mijn regenwaterbak is leeg en ook de kerkenbak is leeg, zou ik misschien dit kleine emmertje met drinkwater uit uw bak kunnen krijgen?” ,,Het spijt me beste man”, antwoordde de dominee, ,,dit doen wij niet!” De waterhaler gloeide van verontwaardiging en zei: “dan hoop ik dat al het water in uw bak petroleum wordt.” Kalm reageerde de eerwaarde: ,,daar heb jij je emmertje water niet mee.”
    Uit hetgeen wij hiervoor aangaven blijkt, dat het leven op Urk toen niet van een leien dakje ging. Om ziektes te voorkomen, moest soms de omroeper met een boodschap van de dokter door het dorp.
    Deze boodschap kwam dan bij de dorpeling zo over: ,,Op de fiets van de dokter moet het regenwater eerst gekookt worden voordat het wordt gedronken.” Die fiets van de dokter was natuurlijk “advies van de dokter”. Ondanks deze voorzorgen bleven de besmettelijke ziektes niet uit.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Echt steile hoogten hadden op het eiland een naam. De afhellende hoogten naar de haven heetten de Spekhoogte (bij de Bethelkerk), de hoogte van Gerrit Snoek (de middelste, genoemd naar de directeur van de E.U.S.M. die daar woonde) en de Staverse hoogte bij de Wilhelminaschool, die zijn naam dankt aan de Staverse jollen die daar in het verleden meerden. Aan de noordwestzijde van het eiland had je de Slikhoogte, die pas laat in de twintigste eeuw werd bestraat, vandaar die naam. Ook minder steile hoogten kregen soms een naam, denk bijvoorbeeld aan de hoogte van Nanning, genoemd naar de bekende groentenman Nanning Brouwer. Had de hoogte op deze foto ook een naam? Het is ons niet bekend. In 1920 moet deze foto genomen zijn. Boven de hoogte, links, woonde Jelle Hakvoort, de slager. Aan de noordzijde van de woning had hij zijn slagerij. In het midden zien we het visserslogement ‘Zeemans Welvaren’. Van 1910 tot 1931 zwaaide Jacob Nentjes hier de scepter. Daarna kwam er een Duits echtpaar in het café. Dat waren August en Ida Göwert. In 1944 werd de Rijksduitser August opgeroepen om bij de luchtwacht in IJmuiden te dienen. Na de oorlog keerde het echtpaar naar de Heimat terug. Geruime tijd dreef K.J. Coenen in het voormalige café zijn schildersbedrijf. Dat huisje rechts op de foto was bij de vissers van Stavoren, Volendam en Vollenhove (Markers en Huizers worden niet genoemd) welbekend. De vrouw des huizes, een weduwe zonder inkomsten, verkocht er een borreltje om zodoende van enige inkomsten verzekerd te zijn. Wat ouderen op deze foto zullen missen is de paardenhoefslag (‘travalje’) van Klaas de smid. Die stond onderaan de afhelling westelijk van het café. Dat duit er op dat die hoefslag pas na 1920 is geplaatst. Wie de beide foto’s met elkaar vergelijkt zal tot de conclusie komen dat er nog veel van dit karakteristieke buurtje bewaard is gebleven. We keren terug naar het begin en we fantaseren even over het ontstaan van deze hoogte, misschien in oude tijden. Immers, er waren toch al drie toegangen tot de haven? We doen een gooi. Toen Urk in de 19e eeuw een haven kreeg, deed zich een probleem voor: hoe die te bereiken, bijvoorbeeld met een kar of wagen. De bestaande hoogten waren daarvoor te steil. Het is mogelijk dat toen deze hoogte is ontstaan. Nogmaals, het is maar een veronderstelling.

  • 3 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    De gouwen ketting

    Garret was een beste jonge in een goeie knecht. IJ voer al jaoren bij dezelfde skipper in mit de knechsen kon ie ok goed worren. IJ ad ien klean ongelukkien, ij was een bietjen groos. Dat wisten de angeren wel in daor plaagden ze em wel durs een bietjen mie. IJ ul van mooi goed in z’n aor zat an boord ok alteed even netjes op de kam. IJ was ok net as een ekster. Een gouwen kettekkien in een oorbelletien was wel an ’m besteed. In z’n twie oren ongen een paor kotters waor Metz jeloers op zou wezen in om z’n narm een stok wekkerketting waor een Zuienaor nog wel een paor trekken mie ad willen doen. Om z’n nekke ong ok een zwaore ketting, ok van zeuver goud. Ze zeggen dat Nijediepers ok zo binnen mar daor wil ik me niet an branen, want ik wiet niet wie dit allemaol lezen. Ma goed, op een dag, midden in de week laggen ze mit mooi weer in de Slopte vor een mindjen knappe tonge in een paor mindjes skolle. Ze laggen ’r net wier an. Garret zat in et visreum de vissies van de vurige trek weg te ezen in de rest sting te strippen. Opiens riep Flerik die an et eande van de lopende baand sting: ,,Oe michteg, moet je dan nou ers kieken, dat veen ik daor zo op de groend.” lJ ul een lange gouwen ketting in de locht. Iederiene kwam om em ene stoon om te kieken. In jawel, et was een ketting van wel een alleve meter lank. ,,Dat is Garret z’n ketting,” zeen Tiemen, ,,die is zieker eknapt in eut z’n eulieias evullen.” ,,Lotten we em verstoppen in niks zeggen,” zeen er iene, ,,kieken wannaar ie et in de gaten et.” ,,Ik wiet wat beters,” kwam Grubbelt, ,,lotten we em in een tarrebot of in een gulle stoppen, dan doen we net of die ketting duur die gulle oppegeten is in dan kieken we wat of ij zegt”.,,Dan moeten we oens wel een bietjen droge ouwen angers et ie et gelik in de gaten,” zeen Tiemen. Zo ezegd, zo edoon. Ze zochten een mooi gulletjen eut de boks in Grubbelt liet de ketting in de bek van de gulle zakken. Die was et ’r niet arg mie iens, dus gaf Grubbelt em nog een klean zetjen mit z’n staoltjen zodat de gouwen ketting ielemaol in de buk van de gulle zat. Ze legden die gulle bij Tiemen neer, want die sting tugenover Garret in maakten ongerwelen erluiers wark of. Opiens ging et visreumlukkien eupen in kwam Garret nor boven in begon mie te ellepen mit wat ’r nog an vissies lag. Ongerwelen ad Tiemen de gulle opepakt in begon em eupen te snijen in aolde de inoud nor beuten. Mit ien beweging aolde ij de ketting tevuurskeen in ul em oge in de locht. ,,Moet je ier d’rs kieken wat of ik daor veen, dat zat in die gulle. As ik et goed zien is et nog een egte gouwen ok! Die is vor oenze Gaartjen.”

    Wordt vervolgdt, Rein

    Bij een oude foto

    Op de grens van het oude en het nieuwe jaar, beste lezers, komt deze aflevering tot stand. Tijd om even terug te blikken. Op 16 januari 1987 verscheen het eerste nummer van de Kleine Courant. Dat houdt in dat we binnen enkele weken de zestiende jaargang binnentreden, bij leven en gezondheid. Aan de formule van toen is eigenlijk weinig veranderd. Een beetje geschiedenis en een snufje folklore, een oude foto en soms een knipoog naar het heden. Met ingang van 2002 heeft de redactie van ‘Het Urkerland’ echter wat nieuws bedacht. Bij de oude foto wordt een tweede foto afgedrukt van de huidige situatie ter plekke. Op die manier kunnen verleden en heden met elkaar worden vergeleken. De foto van deze week voert ons naar de Staverse hoogte, zo genoemd omdat onderaan deze hoogte de jollen afmeerden van de vissers uit Staveren en Laaxum. We moeten even terug naar het laatste kwart van de 19e eeuw.

    In 1878 werd de bestaande haven naar het westen toe uitgebreid. De werf van Hakvoort moet toen met de hand zijn uitgegraven. Wanneer de noordelijke keermuur is gebouwd weten we niet precies, maar de westelijke muur, die langs de Staverse hoogte, dateert van 1917, toen Belgische en Britse militairen hem hebben opgemetseld. Die militairen waren hier geïnterneerd als gevolg van de neutraliteit van Nederland gedurende de Eerste Wereldoorlog. In feite beschikt Urk dus, als een van de weinige gemeenten in Nederland, over een heus oorlogsmonument uit de tijd van de Grote Oorlog. De laatste jaren raakte de muur steeds meer in verval, zodat de restauratie noodzakelijk werd. Dat geschiedde vorig jaar. Dat daarbij een onaanzienlijk, maar wel zeldzaam muurvarentje verloren ging, memoreerden wij eerder.

    Het laatste jaar (5)

    Voor dit gezin moest Mina H. Gerssen haar huis voorlopig ontruimen en Albert Kramer vond inwoning bij Jelle E. Hakvoort, (haven). Er zijn heden weer enige Duitsers gekomen en denkelijk zullen er nog meer volgen. De bomen in de Prins Hendrikstraat moesten heden hun kruin missen en ook die op de werf W. Metz moeten gekortwiekt. Ze belemmeren het uitzicht vanaf het platte dak van Hotel Woudenberg op polder en dijk. Albert I. Koffeman en de zijnen zijn uit Utrecht (na het bombardement) per fiets – van de banden ontdaan voor alle zekerheid – naar Kampen en per boot naar hier gekomen. Uit Voorburg nog steeds geen tijding. Van Langejan uit Heemstede een brief ontvangen verzonden negen october. Zitten daar in Heemstede al zonder licht en binnenkort zonder gas.
    19 October.
    Werd omgeroepen dat Luut Kamper vanmiddag naar Amsterdam vertrekt. Toesteming hadden de heren die in de polder (men zegt 220) bijenkorven gehad hebben voor het met die boot terugbrengen dier bijenvolken naar Haarlem. Ook verkregen enige mensen een bewijs van de commandant om te mogen meereizen o.a. iemand die commensaal is geweest bij de weduwe van Klaas Teunis Ras, die deze zomer in het ziekenhuis te Enkhuizen overleden is. De Jager heet die man, die lopende naar zijn gezin te Sliedrecht denkt te moeten terugkeren via Waddinxveen en Gouda. Toonde zich bereid een brief voor Piet mee te nemen. (Had al meer brieven voor anderen mee te nemen en beloofde die van ons in Gouda te posten). Aan Johan door mij en Christien grote brief geschreven en gebracht bij Luut Kamper. Een der heren van die bijen die na het bezorgen der bijen te Haarlem per fiets naar Den Haag moet, heeft aan L. Kamper beloofd de brief daar te posten. Vanmiddag was ’t dreunen van ramen en deuren ’t bewijs dat in de omtrek een bom is gevallen. ’t Geluid kwam uit de richting Gaasterland – Lemmer, denkelijk om de plaats van de V1 te treffen. (Bedoeld wordt hier de lanceerplaats van de V1, een soort raket, red.) 20 October. Heden een dag van angst en verschrikking voor velen geweest. Ger. Metz en Corns. I. Koffeman, gemeente-ontvanger, zijn gegrepen en naar de pastorie gebracht. Hun huis doorzocht en bij G.M. een bus suiker, boter, al z’n tabak en sigaetten, kaasen, lucifers (thans zo schaars) weggehaald. Wijl Piet en Dirk Zeeman verdwenen zijn werd hun vader, de havenmeester, meegenomen en Dirk’s verloofde, Pietje van Dijk (dochter van Dirk van Dijk). In haar tasje vonden ze, zegt men, ziekenbons waarvan ze de bestemming niet zeggen wilde. Dirk is namelijk voortvluchtig, evenals Jan Oost, wiens vrouw meegenomen, doch enige uren later vrijgelaten werd (wegens de kleine kinderen?), namelijk Marijtje H. de Boer. Reijer Kale was niet te vinden, evenmin z’n zoon Jacob, waarom z’n vrouw Jannetje E. Hakvoort bij de andere vrouwen ingesloten werd in het gevorderde huis van Alb. Kl. Kramer. Bij de huiszoeking vond men, zegt men, in Jacobs kleding verboden blaadjes. Ook Geert H. Oost is gepakt. Chr. van Beckhoven had zich bijtijds uit de voeten gemaakt. Een radiotoestel werd bij de huiszoeking aangetroffen en Mette bij de andere vrouwen gebracht, evenals haar dochter Koba, die niet zeggen kon of wilde waar haar voortvluchtige man Ide G. Koffeman thans is. Ook Geert Koffeman (zijn vader) is meegenomen, evenals Marie van Beckhoven, getrouwd met Jan van Flip ten Napel (voortvluchtig). Harmen Kramer (van Jan van Bubbe) ook gevat, doch later losgelaten. 2l October. Vanochtend zijn Ger. Metz, C. Koffeman en Pietje D. van Dijk met de boot naar Kampen weggebracht. Havenmeester Zeeman en de vrouw van Reijer Kale zijn vrijgelaten, ook Mette Koffeman, doch moet zich geregeld melden. Bij dokter Vonk moet ook huiszoeking geschied zijn, ook bij Teunis Kl. Visser, maar daar geen kwade gevolgen. 26 October. Heden drie keer luchtalarm. Naar ik van mijn zwager Kl.K. hoorde moet Chr. van Beckhoven in Dorp A (Emmeloord, red.) of althans in de polder opgepakt wezen. Ger. Metz, C. Koffeman en Pietje van Dijk in Zwolle gevangen. Eindelijk deze week eerst een brief van Piet d.d. 10 October en daarna van Johan d.d. 16 October.

    (Wordt vervolgd)