Tag: Hendrik Nentjes

  • 2 mei 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (4)
    Tegen het donkere huis werd een nieuw huis aangebouwd, waarin het jonge stel Willem Pasterkamp met zijn bruid, een dochter van het schoenmakertje, die tegenover het ginkien in Wijk 5 woonde hun huwelijk begon. Vanuit dit huis kon men de Kalkenstraat recht doorkijken. Waar ruimte was werd er een huis gebouwd, want er was nog geen begin gemaakt met het bouwen op de gemeentewei. Het huis van Willem en zijn gade stond achter het huis van zijn ouders, waar nog ruimte was om te bouwen. Ik geloof dat Willem Pasterkamp de eester conciërgie was van het buurthuis, waarin ruimte was gemaakt voor de burgers om weelderig in het bad te gaan en onder de douche het lijf weer schoon te spoelen. De oude Hendrik Kramer gaf zijn mening over deze badgelegenheid toen hij dit gezien had. “Man, ouw op, je stappen zo in et badwoater Siloam.” Ondertussen was Hendrik Nentjes begonnen met het stellen van de bekisting om het beton te storten. Het eerste stuk werd gemaakt vanaf het huis van Pasterkamp naar de zijstraat vanuit Wijk 6. Naast het huis van Hein Ras stond het huis van Verstelle, waarin toen vader Verstelle bij zijn dochter Christien en haar man Albert van Urk woonde of misschien ook wel andersom. Verstelle was getrouwd geweest met een Urker vrouw uit de familie Nentjes. Teunis Nentjes (de Neef) noemde Christien zijn nicht. Misschien komt daar wel de bijnaam “de Neef” vandaan. Teunis leverde brood en melk aan huize Verstelle en Christien noemde hem neef Teunis. Christien sprak geen Urks, omdat thuis altijd door meester Verstelle, hoewel hij uit Zeeland kwam, de Hollandse spraak werd gebezigd. Albert, als eerste klerk en ook nog gemeente-ontvanger met een kantoortje aan huis, sprak natuurlijk ook het beschaafde Nederlands. Verstelle had twee zonen die ik gekend heb. Ze heetten Johan en Piet. Johan was getrouwd en woonde in Rotterdam. Door de oorlog moest hij verhuizen naar Gouda. Toen wij in 1956 in Gouda kwamen wonen is hij verschillende malen bij ons in de Van der Palmstraat thuis geweest. Zijn vrouw heb ik toen nooit gezien, maar Piet stond als toeschouwer bij de avondvierdaagse omdat zijn dochter daar haar kilometers aflegde. Hij werkte bij de S.H.V. in Rotterdam en is later weer terug gegaan naar die stad. Het huis waar de familie Verstelle in Gouda heeft gewoond, heeft onze tweede zoon in 1972 gekocht en hij woont daar nog steeds. De broer van Johan, Piet, was leraar op een middelbare school in Den Haag, Voorburg. De twee broeders waren in de grote vakantie altijd enige weken op Urk om de familiebanden aan te halen en te genieten van de kookkunst van zus Christien. Albert had een broer die dominee in de Gereformeerde kerk was. In mijn Goudse tijd als ambtsdrager heb ik die dominee-broer wel eens ontmoet, want hij was beroepen naar Haastrecht. Zijn ingang en zijn uitgang waren daar van grote klasse, want door gemeenteleden, jong en oud, werd hij hogelijk gewaardeerd als herder en leraar. Een lid van het domineesgezin heeft tot zijn dood toe onder ons op Urk gewoond. Hij trouwde met Antje Metz en begon zijn electriciteitsgaven ook als koopman met behulp van zijn vrouw aan te bieden aan de Urker bevolking. Het huis waar Albert, Christien en de oude Verstelle woonden in Wijk 6 vond ik een juweeltje. In het voortuintje stonden een paar grootbladerige geleide bomen. Deze bomen gaven de daar achter liggende kamer een mysterieus licht als de zon in de zomer zijn verzengende stralen naar de aarde zond. De ingang van de woning was afgesloten door een fraaie deur, waarvan de ramen beschermd werden door siersmeedwerk. Naast de deur zat op de gevel een koperen plaat met het opschrift: ‘Kantoor van de Gemeente ontvanger’. Ik zie Albert nog op de deur toelopen en zijn grote sleutelbos uit zijn zak opdiepen en met een sleutel de deur openen. Wie in huize Verstelle iets wilde aanbieden, moest aan de koperen knop trekken om luide de bel te doen overgaan. Christien of de dienstbode deden dan de deur open. Eenmaal binnen was er een lange gang en in dei gang, direct rechts, was de deur naar het kantoor van Albert van Urk. Bij de reciteervereniging ‘Dindua’ heb ik drie voorzitters meegemaakt. Dat waren Gradus Metz, Hendrik Snijder en als laatste Albert van Urk. Albert vond het heerlijk werk en voelde zich onder Dindua’s mannen volkomen in zijn sas. Twee reizen per schuit met ‘Dindua’ waren volgens hem hoogtepunten in een korte mannen-vakantie. Zo kwam het ook dat wij in de oorlog te zijnen huize de eindvergadering hielden. Eén der leden bood aan om na het diner vrouwe Christien de helpende hand te bieden om de tafel op te ruimen met de volgende woorden: “Mevrouw, ik zal u mijn mannelijkheid tonen.” Deze uitspraak heeft dat betreffende lid jaren achtervolgd.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Ooit was er een saneringsplan. Dat was onder burgemeester Schipper in de jaren ’60. Een ingenieur, Kraayhagen (we hoorden ook: Kraayenhage) was de ontwerper van een even rigoureus als stoutmoedig plan, dat de wijken 1 tot en met 7 omvatte. Van de oude dorpskern zou vrijwel niets overblijven. De journalist Joh. G.C. Kooiman liet in het geïllustreerd christelijk weekblad ‘De Spiegel’ van die dagen voor- en tegenstanders aan het woord. Het plan verdeelde Urk in twee kampen en ging uiteindelijk niet door. Gelukkig maar ,verzuchten we nu, na vele jaren. We moeten er niet aan denken dat de oude dorpskern zou zijn weggevaagd, inclusief de Bethelkerk. Ook dit karakteristieke hoekje zou definitief verwezen zijn naar de rubriek ‘Urk in oude ansichten’. Waar bevinden we ons en wanneer zag het er zo uit? De foto is van 1928 en we zien een gedeelte van Wijk 1. Links zien we de panden Wijk 1 nr. 80 en 79. Aan de andere kant dreef Marij van Lubbertje geruime tijd haar kruidenierswinkeltje, bij velen nog in herinnering. Het was een knus winkeltje met, als wij het ons goed herinneren, koperen weegschalen. Recht voor ons, het huis met het puntdak, zien we de winkel van Harm Hendrik Gerssen en Jacobje Keuter, Wijk 1 nr. 70. Het pand, nieuw opgebouwd, draagt nu de naam ‘’t Ussien’ en wordt bewoond door de weduwe Schraal-van Hoorn. Daarnaast woont, op nummer 71, de heer Tijmen de Boer en op nummer 72 (niet zichtbaar) woont de weduwe P. Korf-Kramer. Zij en haar man, Egbert, hadden een zuivelwinkel op nummer 67. In die woning woonden vroeger twee burgemeestersdochters, de dames Kagei, van wie er één luisterde naar de voornaam Regula. Het pand grensde aan het voormalige hotel-café-restaurant Schraal, nu Chinees-Indisch restaurant ‘Hai Li’. Op de voorgrond, begrensd door schutting en ‘uffien’ zien we het erf van Hendrik Hoefnagel, ooit kapitein op één van de Urker boten. Het straatje leidt via een bocht naar hotel Van Woudenberg. We keren nog even terug naar dat saneringsplan. Het is vooral te danken aan de inspanning van wijlen Lub Kramer (Lub van Jan van Bubbe) dat de oude dorpskern bewaard is gebleven. Hij schreef een verweerschrift dat op Urk huis-aan-huis werd verspreid en omdat hij op Urk grote achting genoot kreeg hij veel medestanders. Uiteindelijk zou Urk zichzelf saneren en bleef het oorspronkelijke karakter van de bebouwing grotendeels bewaard. Gelukkig maar, zeiden we. Aan de andere kant moeten we de toenmalige burgemeester recht doen. Hij had het beste met zijn bevolking voor en de omstandigheden waarin veel bewoners toen verkeerden waren soms schrijnend te noemen.

    Het laatste jaar (14)

    Zijn zwager Van der Weel, die op de Noordweg woonde, was geëvacueerd naar Utrecht, want zijn huis was door het water onbewoonbaar geworden. Heden moesten plm. 120 mannen zich melden om in de omtrek van Zwolle voor de weermacht te werken (graafwerk). Wie nalatig was zou zich en de zijnen aan zware straffen blootstellen. Slechts 30 hebben zich aangemeld. Een vrij groot deel onzer vloot heeft vanmorgen de haven verlaten, velen zegt men zonder netten (om zich te onttrekken ?). De omroeper, ditmaal Willem L. Kramer, riep vanavond al de ontbrekenden op, dat er morgen van 9-12 nog gelegenheid open was zich te melden. Anders tot straf: hun huis in brand gestoken en als ze gevat werden naar Duitsland gevoerd.
    19 Februari. Heden de centrale keuken geopend. Al vrij druk gebruikt. Bij velen is de aardappelvoorraad al gering.

    Wordt vervolgd

  • 25 april 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (3)
    Hendrik Nentjes, die als gemeenteopzichter een grote rol speelde in dit hele gebeuren was dus een zoon van Hendrik Dubbelesz. Nentjes de postschipper. Toen ik over de Urker veehouders nadacht was het me vreemd te moede, dat Hendrik Nentjes ook een stal met een paar koeien had. Maar nuu ik de achtergrond wat uitgediept heb weet ik dat de vader van onze gemeente-opzichter nog als weduwnaar gewoond heeft naast de timmerschuur van lange Louw Nentjes, de vader van de Ober. Dat huis stond wat achteruit en de voorgevel was geheel met klimop overdekt. Tegen de voorgevel stonden altijd grote zonnebloemen á la Van Gogh. Ze stonden tussen de ramen in. Voor de rest groeide er gras in het voortuintje. De ingang bestond uit twee deuren, kort naast elkaar. Aan de eerste deur was een touw bevestigd met een ijzeren gewicht. De tweede deur was door een slot af te sluiten en had raampjes. Ik kan het me nog goed voorstellen, omdat ik met vriend Willem Nentjes wel eens eten naar de zuster van zijn vader bracht die daar haar laatste dagen doorbracht. Ook later, als knecht van Klaas Romkes, kwam ik daar aan de deur voor het bezorgen van karnemelkse pap. Aan de achterkant van dit huis, de noordgevel, was de stal gebouwd, die later eigendom werd van Hendrik Nentjes, onze opzichter. Marretje, zijn vrouw, had zich de kunst van het melken eigen gemaakt en ik heb samen met Willem wel eens de groep leeg geschept. Door Hendrik werden later de koeien afgestoten en werd deze stal met vereende krachten tot onderkomen van de toen bestaande Oranjegarde ingericht. Zonen Hendrik en Willem en de oudste dochter Jannetje behoorden tot de oprichters van deze garde, die in die tijd veel leden trok. Aan de feestdagen gaven zij enig cachet vanwege hun uniform en marsen door de straten van het dorp. De oude postschipper had dus ook een stal met een paar koeien. In die tijd was dat niet zo vreemd. Wie het doen kon hield een paar koeien om tijdens de strenge winters voorzien te zijn van melk om handel mee te drijven, want melk stond toen in hoog aanzien in de voedselketen ten opzichte van zoute bonen, wortels en aardappelen. Voordat we nu met de bewoners van de Kalkenstraat beginnen nog even dit. Jaawk van Hendrik van Dubbele kennen we nog als de eerste vader van het gereformeerde jeugdgebouw. Deze Jaawk Nentjes had een zoon, Hessel geheten, die ook bij een oom en tante werd opgevoed. Zij hadden geen kinderen en voerden een viswinkel in Nijverdal. Jaawk was weduwnaar geworden. Hessel, het jongste kind, werd in Nijverdal opgevangen en zette later de vishandel voort. Jaawk trouwde later met een weduwe, een dochter van Jaawk van Pieter de bakker, die twee dochters meebracht. Hendrik Nentjes de opzichter staat al te wachten en wij gaan vanaf Wijk 6 nummer 23 onderaan de Zegenaarshoogte in oostelijke richting naar het begin van de straat. Wij zullen proberen iets van wat wij weten van de bewoners daar te vertellen. We lopen tot aan de winkel van manke Hein en slaan dan links een ginkien in. Rechts dus de winkel in manufacturen en links een huis waar vroeger Koosje en Jan Lont woonden. Koosje was wat doof en had altijd een kapertje op. Zij was een lief, klein, breed uitgebouwd mens. Jan werkte bij Wiepke Metz op de werf en hield zich veel bezig met pek en teer. Jan was altijd vroeg op en miste zijn werk op de zondag, dus kwam hij voor kerktijd op visite bij zijn collega Jan Flip. Jan had altijd wat te vertellen en sprak nogal luid en daarbij ook nog nat. Een keer heeft mijn moeder ander brood moeten snijden omdat Jan door zijn natte spraak de boterhammen besprenkeld had. Later bedekte zij het brood met een theedoek als Jan zich aandiende. Overigens, de echte naam waaronder hij bij de burgerlijke stand stond ingeschreven was Jan Leeuwerik. In het huis van Jan en Koosje zijn later Riekelt van Nel en Bonne hun huwelijk begonnen. Tegen het huis van Jan en Koosje was een huis aangebouwd, waarvan de ingang op het smalle ginkien uitkwam. Ook waren de ramen hierop gericht. In dat huis was het altijd vroeg donker, want de afstand naar de westgevel van huize Ras was misschien twee en een halve meter. De bewoners voordat de familie Post daar zijn intrek nam zijn mij onbekend. Jan (Poetjen) Post en Aaltje hadden eerst gewoond op het later genoemde Harmen Visserplein in een piepklein huisje met een vervallen smederijtje daarnaast. Mijn schoolvriend Gerrit kon zich in dat donkere huis wel tevreden voelen, hij had daar meer ruimte op zolder. Na de familie Post kwam er weer een Jan Poet in dat huis wonen. Jan Kramer was getrouwd met Janne van Piet Koffeman en Klaasje de hulleplooister naast Wijk 6 nummer 23.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Wie jongstleden maandag naar het programma ‘Tussen kunst en kitsch’ van de AVRO heeft gekeken, zal ongetwijfeld dat schilderij van Willy Sluiter hebben gezien van de Urker man op deze locatie. In de Urker Courant van 11 mei 1912 wordt het bezoek van deze bekende Nederlandse kunstschilder met een Engelse collega vermeld. Niet alleen Sluiter vond dit buurtje karakteristiek. Bij ons thuis hangt een aquarel van het huis van Jelle Nentjes, de smid (Wijk 1 nummer 74) met uitzicht over haven en zee van de hand van Wout Keizer en de amateurschilder C.J. Kuyper was ook al gecharmeerd van dit hoekje op de haven. De foto heeft dan ook wel iets, mogen we zeggen, enig Anton Pieck gehalte met die beluikte vensters, de verweerde muur met de ijzeren muurankers, de geknotte bomen en het houten hekwerk. Het plein voor het huis had ooit een naam: Plein 1890. Waarom heette dit plein zo? We deden navraag, maar niemand kon ons tot nu toe uit de droom helpen. Het jaar 1890 was een uitstekend ansjovisjaar en bovendien bekend om zijn barre winter, maar dat lijkt ons geen reden om een plein te benoemen. Meer voor de hand liggend lijkt ons het feit dat in genoemd jaar de stoombootverbinding tot stand kwam met Kampen en Enkhuizen, maar zekerheid daarover hebben we dus niet. Van het plein valt nog wel wat meer te vertellen. In de oorlog groeven de Duitse militairen een schuilkelder, meer een overdekte loopgraaf, voor hotel Woudenberg, waar zij ingekwartierd waren, tegen eventuele beschietingen. Na de bevrijding was dat een geliefde speelplaats voor kinderen, maar niet voor lang, want er kwam een houten muziektent op het plein voor het hotel waar op zomeravonden concerten werden gegeven. Tjalling Ruiten hield er een mooie jeugdherinnering aan over, die hij beschreef in ‘Het hart in de keel’, pagina 117/118. In onze jeugdjaren had buurman Luut Kamper een vrachtboot die de ‘IJsselstroom’ heette, waarmee hij een beurtdienst onderhield op Lemmer. De boot meerde aan de kade voor het hotel. het was fascinerend om te zien hoe het Friese slachtvee uit het ruim van de boot getakeld werd. Dat gaf spanning en sensatie. Van de Urker boten hebben wij voldoende fotomateriaal en ook van de ‘Eben Haëzer’, het beurtschip van de gebroeders Romkes hebben we afbeeldingen. Maar de ‘IJsselstroom’ verdween in de nevels van de tijd. Misschien dat een van onze lezers nog een kiekje van het schip heeft liggen. Graag reactie!

    Het laatste jaar (13)

    Dezer dagen is in een straat te Deventer een brandend vliegtuig gevallen. De straat in brand; 61 dooden en vele gewonden. Dezer dagen twee rieven, een van mej. A. Knegtmann d.d. 19 Januari en een van C.J. Borghoudt d.d. 5 Januari. Beide dringend verzoek om per pakje levensmiddelen te zenden. Maar hier is ook al niet meer te koopen. Er was een paar dagen tevoren een V 1 (raket, red.) gevallen bij het kerkhof Eik en Duinen, 6 huizen in elkaar gestort, 27 dooden, een massa gewonden en in vele straten alle ruiten stuk, en dat met die felle koude en sneeuw, en glas is niet meer te bekomen. Uit Walcheren hebben ze nog niets gehoord. B. had vernomen dat te M. het water tot half de Langev. stond.

    Wordt vervolgd

  • 11 april 2002

    Brief uit Gouda

    De Kalkenstraat (1)
    Zo noemden wij de straat die liep vanaf de achterkant van het huis van Hein Ras, beter bekend in die tijd als manke Hein, zo naar het oosten waar hij aansloot op de samengevoegde Prins Hendrikstraat en Raadhuisstraat. Toen hij gemaakt werd was dit een levendige straat met veel vertier. Wonderlijk was het dat deze straat links en rechts langs de achterzijden van de daar gebouwde woningen liep. De naam ‘Kalkenstraat’ werd door de oudere bewoners daar ter plaatse zo gegeven, omdat de vroegere huizen ook met veel kalk en tras werden gebouwd. De jongere mensen gaven de straat een andere naam en hielden die in ere. Het plaveisel van de straat werd gemaakt van zand, fijn grind en cement. Dít mengsel van zand en cement, met wat kalk toegevoegd, werd later ook bij de bouw van de nieuwe huizen gebruikt om de muren te metselen. Zo had de straat twee namen: Kalkenstraat en Cementenstraat. Wij willen proberen om de bewoners ter weerszijden van de straat tijdens de bouw van de straat te traceren. Eén riolering in de straat kon dus de woningen aan beide zijden bedienen. Voorzover wij weten was er in die tijd geen riolering langs de noordkant van de woningen van Wijk 6, die toen de uiterste rand van het dorp vormde, voordat de woningen in Wijk 7 in de jaren tussen 1930 en 1940 werden gebouwd. Wellicht is er, eer dat de straat werd aangelegd, een riolering gemaakt. In de Oudestraat was al in mijn jeugd in de straat waar ik woonde (Wijk 6-23), een riolering aangelegd. Toen de Kalkenstraat werd aangelegd was dit een heel spektakel. Of het een werkverschaffingsproject was en er misschien wat centen overgebleven waren van de bouw van de regeringshuizen is mij niet bekend. Maar hij werd gemaakt en het was een hele verbetering. Hendrik Nentjes was in die tijd de opzichter van de gemeente. Gemeentewerken kan ik het niet noemen, want het geheel stelde toen nog niet veel voor. Veel gemeentepersoneel was er toen nog niet in dienst. Geert van Eerde was toen de timmerman in vaste dienst. Verder was daar de gemeentereiniging en die bestond uit Jan Kroeze en Klaas (de baron). Jan zorgde tevens voor het paard dat de kar trok en de zorg voor de gemeentestier was hem ook toevertrouwd. Zo had Jan ook de regie als de stier zijn plicht moest doen om nakomelingen bij de Urker koeien te verwekken. Dit laatste gebeurde altijd binnenshuis in de gemeenteboet. Omdat ik vaak bij Klaas van Urk in de stal vertoefde mocht ik een keer mee om een koe bij de stier te brengen. Toevallig waren er twee koeien die behoeftig waren naar een mannelijk koebeest. Dus de Zeeman (Cees Kroon) en ik voerden elk een koe aan het touw naar de voorstelling. Eerst mocht ik van Jan Kroeze niet naar binnen, want anders zou ik een ‘pinoge’ krijgen van de handeling. Maar Cees bracht naar voren dat de koeien op de wei ook wel eens aan het klimmen waren en dat ik daar wel aan gewend was. Zo bleef ik dus, maar ik vond het springen van de zware stier op de ranke witrug een ruwe vertoning en ik besloot om maar geen boer te worden. Dit waren dus allemaal gemeentelijke handelingen waar Hendrik Nentjes dus ook zijn bemoeiingen mee had. Hendrik Nentjes was een kort stevig mannetje met donkere priemende ogen in zijn hoofd. Vanwege zijn maatschappelijke functie droeg hij een hoed. Later, toen Geert van Eerde een wat ‘opzichterlijke’ functie kreeg, ging hij zijn pet thuislaten en kwam op het werk met een hoed, nadat hij een nieuwe zondagse hoed had aangeschaft. Hendrik Nentjes werd ‘het boasien’ genoemd of ook wel het Kampertje. Dit laatste is nog waar ook, want Hendrik is op Urk geboren, maar heeft in Kampen gewoond. Hendrik was namelijk een zoon van Hendrik Dubbelsz Nentjes, die postschipper was en getrouwd met Jannetje Jacobsd. Snoek. Zijn ouders hebben als Urkers in Kampen gewoond. Een zuster van hem, Marretje Hendriksd. Nentjes is op 26 mei 1892 op 22-jarige leeftijd getrouwd met Pieter Brouwer (Piet van Geertjen). Toen zij op Urk wilden trouwen, moest Marretje eerst uit de boeken in Kampen worden overgeschreven naar de Urker gemeentelijke boeken. Piet was vishandelaar, winkelier en koopman en hij ging in de politiek. De Nentjessen waren een ordentelijke familie in die dagen en zo werd dus de zwager van Piet Brouwer, Hendrik geheten, opzichter bij de gemeente Urk. Hendrik werd verliefd op een meisje dat Marretje de Vries genaamd was. Marretje was thuis bij Willem van Tromp en zijn vrouw. Zij hadden geen kinderen en Marretje kwam bij haar oom en tante thuis.

    Wordt vervolgd

    Bij een oude foto

    Als het kleine huisje, centraal op deze foto, kon spreken, zou het heel wat te vertellen hebben. Lange tijd was het namelijk de Urker brandweerkazerne. Ooit menen wij te hebben gelezen dat het eerste brandweerhuisje op Urk zich naast het Kerkje aan de Zee bevond. Even nazien: dat klopt, maar het was de voorganger van het huidige kerkje dat na 1714 werd gebouwd. Creutz vermeldt het in een rapport dat op 3 mei 1781 werd opgesteld voor de stad Amsterdam, toen eigenaar van het eiland. (C. de Vries, pag. 282). De ‘kazerne’ op deze foto stond op Wijk 1 nr. 58. Rechts van het gebouwtje stond het enige openbare toilet op Urk. Links van het brandweerhuisje bevond zich de woning van Jelle en Lubbetje Hakvoort, Wijk 1 nr. 59. Nu staat op dezelfde plek een nieuw gebouwtje met een aardig voorkomen, een bergruimte voor de familie Post. We gaan naar het gebouw rechts op de foto, de zeilmakerij van de gebroeders Snijder. Een steen in de noordmuur, oud en verweerd, meldt ons: ‘Eerste steen gelegt door T. Snijder, Den 27 Augustus 1852’. Over de Snijders hebben wij al het een en ander verteld. Ooit waren zij scherprechters die hun huiveringwekkend beroep uitoefenden in de goede stad Kampen. De beulszwaarden hangen nog in het voormalige middeleeuwse stadhuis van die stad. Wie, die ooit Hendrik Snijder gekend heeft, niet lopend, maar schrijdend in statige zelfverzekerdheid, zondagsschoolonderwijzer en prominent kerkenraadslid, maar vooral beschaving uitstralend, zou dat ook maar enigszins vermoeden? Hoe kwamen de Snijders op Urk? Vermoedelijk vanwege groeiende morele bezwaren tegen het vak. Cees Snijder uit het Limburgse Berg en Terblijt vond aan het begin van de achttiende eeuw een Hendrikus Snijder als wonderchirurg en mogelijk eigenaar van een zeilmakerij op het eiland Urk. Nader onderzoek deed hem in Kampen belanden, waar hij erachter kwam dat genoemde Hendrikus de zoon was van een Kamper scherprechter. Nu hebben we het nog niet gehad over het pand links op de foto. Dat was ooit de bekende ‘Bazar ’t Hoekje’ van Jantje Hulsman. Zij was getrouwd met Piet Hulsman, die later als arts afstudeerde. Het echtpaar heeft enige tijd in het toenmalige Nederlandsch Oost-Indië gewoond, waar ook dochter Augusta (‘Guus’) werd geboren. Het pand werd later een elektro-winkel en nog weer later kreeg het een horecabestemming (‘De Dichte Duur’). Nu wonen er Harmen Luut en Henny Bakker. Aan de zuidzijde van het huis is een naambord aangebracht: ‘Custos Deus’, dat was het schip van vader Jan Kramer. Tot de volgende keer.

    Het laatste jaar (11)

    Doch verreweg nog beter dan bijna overal bij onze medeburgers, die zich met een klein lichtje of ook wel zonder behelpen moeten. De boot is j.l. Donderdag voor het eerst weer gevaren naar Kampen (naar Enkhuizen al een paar weken niet) en kwam hedenmiddag in de haven, na enige uren in het ijs voor de haven te hebben gezeten, tot een sleepboot te hulp kwam. Van A. hoorden we, dat hier een 50 D(uitsers) zullen komen en daarvoor de westvleugel van de school gevorderd wordt.
    14 Februari. Heden 2e Woensdag in Februari weer Biddag en 5 keer luchtalarm, en door de Waffenbooten in de haven fel geschoten. Gisteravond door de ‘Insula’ (een van de Urker veerboten, red.), daartoe door het Roode Kruis gebruikt, 200 kinderen uit Amsterdam aangebracht en voor twee nachten in veler gezinnen opgenomen.

    Wordt vervolgd