Tag: Hendrik de Wit

  • 12 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen
    ’t Is zo dunne as een lovertjen.
    IJ beangelt (behandelt) m’n as z’n voetvege.
    IJ maakte as de duvel dat ie voort kwam.
    IJ is zo gek as een bos bieten.
    IJ is zo ol as een biet.
    IJ is ommekeerd as een blad van een boom.
    Z’adde een kleur as een roze.
    Ze verteert as de milden op ’t veld.
    Ze lachte as een vallen duvel.
    IJ was zo vrindelik as er iene.
    IJ lopt as malle jan in ’t oenderd.
    ’t Glimt as een keersemakersgat in de moneskeen (maneschijn).
    Ik bin zo love as een meier (zo moe als een maaier).
    IJ et ’t zo drok as een skeerbaos mit îene klaant.
    IJ et ’t nog drokker as een klean baosien.
    Ij was er zo groos op as de duvel op een nije zunde.
    IJ kîek m’n an as de klinkklaore boze.
    IJ is zo bretaol as ie groot is.
    Ze kan warken as een dartien (ze is een goede werkster).
    Ze is zo lank as de vuurmiddeg.
    IJ lag op de groend zo lank as ie ewossen (gegroeid) was.
    Ze is zo slecht as ’t waoter diep is.
    ’t Vreur dat ’t knïep (kneep).
    Ik bin as een zak zo love.
    Ik bin ’t love as gespuugen spek (ik ben het zat).
    De locht stat of ie katten spegen (spuwen) wil.
    Ij et een ge-ugen as een ezeren pot (hij heeft een geheugen als een ijzeren pot, d.w.z. een sterk geheugen).
    Ik bin zo of as een matten zak.
    Ze gîeven geld eut as zaand, as waoter.
    Die dingetjes binnen zo licht as de ijdeleid.
    ’t Vul m’n as koud waoter op m’n leef (lijf).
    Ij add‘ een gank as de rook (ze was heel boos en schold erg).
    Ze gebrukken Gods naam of ’t een lepeltjen zout is.

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (6)
    Van de dokter krijgt hij heel goede brandewijn mee op zijn tochten. “Denk er om Jan”, zegt de dokter, “voordat je de bussen opent eerst een slok brandewijn in je mond en met lysol je handen beschermen.” Zo roeit Jan en zo helpt hij de epidemie te bestrijden. Hij is ambtenaar, dat wil zeggen dienaar in de juiste zin van het woord. Jarenlang zag ik Jan ons huis passeren met in zijn hand een in een theedoek gebonden schaaltje met eten. Elke dag weer, ’s zondags en in de week. Dat eten was bestemd voor twee vrijgezellen, familie van hem, die in de straat achter Fokke de scheerbaas woonden. Het waren wat wonderlijke mensen die nooit buiten kwamen. Met mijn vader kwam ik er veel want ze waren meesters in het netten boeten. Veel mensen waren bang voor ze. Als trouw kerklid van de Hervormde kerk heeft hij jarenlang de kinderen van de Hervormde zondagschool verteld uit de Bijbel samen met zijn zwager Freek Brouwer. Jan deed dat op zijn eenvoudige kinderlijke manier. Met kerstfeest was de viering in de kerk, waar altijd een mooie kerstboom stond. Veel mensen kwamen dan luisteren naar de vertelling. Soms ging hij wel wat te ver, naar onze mening, in het aanduiden van de toestand in de stal. Zo vertelde hij eens dat Maria niet eens luiers bij zich had en toen maar “haar snotdoek om et keend z’n getjen ding.” Gelach op de galerij. Jan draaide zich om en zei tegen ons: “Ik vertel et vor de kiengeren, niet vor jului, grote vullemen!” Ik schaamde mij wel een beetje, want hij had gelijk. Zwager Freek deed de vrije vertelling over het boek ‘Peerke en zijn kameraden’. Ja, zo leefden wij die tijd op dat kleine eilandje midden in de zee. Klaas de baron is niet zo oud geworden. Op een vroege nieuwjaarsmorgen werden wij opgeschrikt door drukte op de Zegenaarshoogte. Wat bleek? Klaas was die nacht niet thuis gekomen. Later hoorden wij de toedracht van de zaak. Klaas had met vrienden de jaarovergang in een botter op de haven gevierd. Na de klok van twaalf ging onze Klaas nog even wat halen om de gezelligheid te bestendigen. Bij het overstappen van de botter op de wal raakte hij te water. Heel Urk leefde mee met dit tragisch ongeluk in de eerste uren van het nieuwe jaar. Jan Kroeze moest toch weer een secondant hebben op de kar. Er waren veel en goede sollicitanten, want het was een fel begeerd baantje, vooral ook omdat het toen nog in zwang zijnde ludieke nieuwjaarzeggen door de karrelieden een profijtelijke wrochting was. Het werd Jelle Romkes. Of het een rol speelde dat hij een buurman van de burgemeester was, durven wij niet te zeggen. De Zeeman (Kees Kroon) werd niet benoemd, ondanks het feit dat hij uitstekend met paarden wist om te gaan. Maar deze Kees kwam toch later in dienst van de gemeente toen Jan Kroeze de harp aan de wilgen hing. Aan een zeer werkzaam leven in dienst van de burgers van Urk kwam een einde. Samen met zijn vrouw mocht hij nog enige jaren van zijn pensioen genieten. Hij was nadrukkelijk aanwezig onder ons, door zijn werk, maar hij stelde zich nooit op de voorgrond. Er kwamen grote veranderingen. De kar ging weg, de stier ging weg, de zwarte, het paard werd verkocht. Er kwam een auto. De ene verandering buitelde over de andere verandering heen. Jan bleef nog lange tijd zijn familie het eten brengen dat Bape gekookt had. Er kwamen jongere onderwijzers voor de zondagschool, daar stopte Jan dus mee. “Et is zo kiengeren”, zei Jan wel eens, “as je ouwer worren, brikt alles bij je anen of.” Een waar woord, maar dat deze mens, deze eenvoudige man, een sterke indruk heeft achtergelaten, bewijst, dat ik nu, op 73-jarige leeftijd hem in gedachten nog zie lopen, de rug wat gebogen. En ik hoor hem nog praten tegen zijn paard: “Goon je gank maar zwarte, wij binnen ier kloar…”

    J. ten Napel

    Bij een oude foto

    We blijven dicht in de buurt van de vorige locatie, maar nu gezien van de noordzijde. De foto is genomen in 1959 en we kijken recht op de woning Wijk 1 nr. 31. Hier woonde, volgens de ons verstrekte gegevens, in de jaren 1925 – 1930 Albert Hakvoort, een visverkoper die ‘Abbesien’ werd genoemd. Later heeft zijn zoon Klaas het bedrijf voortgezet. In een van de vooroorlogse jaren betrokken Gerrit Korf en Jannetje Post de zuidzijde van de woning, met een riant uitzicht op de Westhaven en het IJsselmeer. Zij kregen drie zonen en een dochter: Louwe, Cornelis, Alie en Albert. Vader Gerrit werd de trotse eigenaar van de nieuwe ijzeren botter, de UK 83. In het oorlogsjaar 1941 liep het schip op een mijn en verging met de hele bemanning en een Duitse soldaat die als bewaker aan boord was. Op maandag 10 maart 1941 is de UK 83 vanuit IJmuiden naar zee vertrokken en niet meer binnengekomen. Met de schipper kwamen de beide zoons van Brechtje van den Berg-Bakker, Jurie en Sjoerd, om het leven. De naam van de Duitse soldaat is ons niet bekend. Het gezin Korf werd wel zwaar beproefd. In de nacht van 7 oktober 1954 verging in een vliegende storm de UK 174 met haar bemanning, waaronder zoon Cornelis (Kees). De noordzijde van de woning werd geruime tijd bewoond door het gezin van Riekelt Bakker (UK 48) en Hiske Woord. Zij kregen vijf dochters en drie zonen: Griet, Jacob (overl.), Trien, Fokke, Klaasje Maria (Kaat, overl.), Hiltje, Jelle en Luutje. Het gezin Bakker verhuisde later naar een der eerste nieuwbouwwijken in Wijk 7. Rechts op de foto zien we de zeilmakerij van Jelle Hakvoort, in de volksmond Jelle van Evertjen. Links zien we de woning van Klaas Romkes, de smid. Ongeveer op dezelfde locatie wonen nu Hendrik de Wit en Annemarie van Slooten. Het doorkijkje op het IJsselmeer is helaas verdwenen. Tuinen waren in de jaren dat de bovenste foto werd genomen een grote luxe. De ‘tuin’ van Klaas de smid zal, schatten wij, nauwelijks tien vierkante meter hebben beslagen. Toch is het lapje afgehekt met een smeedijzeren sierhek. Even terug naar de vorige aflevering. De veronderstelling dat de hoogte boven dit buurtje zou zijn ontstaan ten behoeve van het vervoer met karren en wagens bleek juist te zijn. Allen, niet in de negentiende eeuw kwam deze hoogte tot stand, maar in de twintigste, zo berichtte telefonisch neef Jan uit Gouda, die daartoe een kort onderzoek verrichtte. Waarvan acte.