Categorie: De Kleine Courant

  • 14 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    ONLEE
    Ik zag je gister mit een doekien vor je moend. Ei je onlee?
    Och, ik eaw zo’n last van m’n aorentanen. Ze mozzen d’r nodig eut, maar ik zien d’r arg tugen an. Koem er effien in, maar strukel niet over m’n ouwe stroffelmatte, in kiek maar niet nor de rommel. Je zullen wel dinken dat ik de eek in de surep lot lopen, want ik moet de kamer nog opredderen. Wat aol je dan eut?
    Mins, ik eaw wat lekkers! Flerik kwam mit een smerig katjen in eus, in daor bin ik mitien maar an begonnen. Er komt zo juur of, in er was gien groend in te kregen. IJ legt vor de walle in ij adde de poorten van de metor skoon emaakt, dat je kunen dinken. Ik eaw erop moeten buuken, op ’t goed bedoel ik, dat ik ad een koud eppien. In drogen dut ’t niet, dat ik ad een lintjen eskeuren van ’t skot nor ’t raam in terogge. Lot nou de leen after de kachelpeep bleven zitten, in die kwam omleages mit een bult smeerlapperije.
    In kiek m’n love, in ik eaw eerst een duuntjen ekrieten. In ik adde Marretjen ok niet in eus, die is nou flarkien bij m’n zuster die in de kraam legt. Ik eaw de es in ’t roet al weg ewarkt, maar ’t is nog een zeutjen. M’n gerdintjes ongen nog op de nijerdom. Z’ adden nog gien zunde edoon, in kiek nou er’s. Ik moet de kamer nou maar eutaolen.

    onlee – onheil, moeite.
    aorentanen – verstandskiezen.
    strukelen – struikelen.
    stroffelmatte – deurmat.
    eek – azijn.
    surep – stroop.
    de eek in de surep lotten lopen – er een janboel van maken.
    ik eaw wat lekkers! – dat is ook wat moois!
    een smerig katjen – erg vuile kleren.
    juur – erg vies waswater.
    er was gien groend in te kregen – het vuil wou er maar niet uit.
    de poorten van de metor – de cilinders van de motor.
    buuken – zwaar wassen, o.m. met een stamper.
    een koud eppien – een koud karweitje (hapje).
    een lintjen eskeuren – een waslijn gespannen.
    omleages – naar beneden.
    love – moe.
    een duuntjen kreten – een huilbui hebben.
    een flarkien – een jong, nog ongeoefend hulpje in de huishouding.
    de es – de as.
    een zeutjen – een troep, een zootje.
    ’t ad nog gien zunde edoon – er mankeerde nog niets aan.
    eut aolen – schoonmaken (in het najaar).

    Bij een oude foto

    De oprichting van de visafslag in 1905 getuigde van durf en doorzettingsvermogen. Niet alleen de viskopers van buiten Urk, maar ook de vissers zelf hadden op de vestiging van de afslag aangedrongen. Gerrit Westerneng, de bekende poolvaarder en -vorser, afkomstig uit Durgerdam maar met een Urker getrouwd, had 47 vissers voor zijn request pro-afslag weten te strikken. Dat gaf uiteindelijk de doorslag. In de zouterij van Jacob ten Napel (uiterst rechts op de foto) kreeg de eerste Urker visafslag een onderkomen. Op de nok van de zuidgevel werd een bel gehangen in een miniem torentje. Een kwestie van durf, schreven we. Vijftien jaar eerder, in 1890, was er een recordvangst van ansjovis geweest, maar sindsdien was het kwakkelen geblazen. Veel vissers hadden hun heil ergens gezocht: Den Helder, IJmuiden, de Zaanstreek, waar Urker kolonies ontstonden. Anderen, soms bedroeg hun aantal meer dan honderd, monsterden op de loggervloot. Er waren in het jaar van oprichting weer ,,onderscheidende vaartuigen naar elders verkocht.” Links van het afslaggebouw zien we de ‘hange’ van vishandel Bakker en Gerssen. Daarboven zien we het oude torentje van de Bethelkerk (die toen nog niet zo heette). Dat torentje vormt een mooi ijkpunt voor het dateren van oude foto’s, want het werd in 1910 vervangen door de huidige spits. Deze foto dateert waarschijnlijk van het jaar 1900. Aan de overkant van het ‘glop’ dat toegang gaf tot het gebouw ‘Hulp en Steun’ bevond zich het logement ‘Zeezicht’ met daarnaast de visserswoning Wijk 1-42. Daar woonde Inte van Trui en dus niet in ‘Zeezicht’, zoals we vorige keer abusievelijk vermeldden. Rechts op de foto zien we de werf van Roos met enkele vletten. In de daarnaast gelegen werfboet werden botters gebouwd. Aan de kade ligt een schuit gemeerd, te herkennen aan de rechte afhellende voorsteven. De schuiten hebben lange tijd het havenbeeld gedomineerd totdat ze door de botters werden verdrongen. Van het oude havenfront bleef vrijwel niets bewaard. De afslag verhuisde via via uiteindelijk naar een locatie onder de zeespiegel, iets wat de bewoners anno 1900 met ongeloof zou hebben vervuld, om nog maar te zwijgen van de turbulente ontwikkeling van de techniek. De houtwerf verdween om plaats te maken voor een parkeerterrein. Daarnaast verrees het bedrijfspand (eigenlijk moeten we meervoud gebruiken) en de woning van Piet Brouwer elektro. Wij hopen u terug te zien bij ‘Hulp en Steun’. Tot volgende week!

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (slot)
    Ik kreeg de gelegenheid om te vertellen wat of er was voorgevallen, maar de commandant zag geen reden om clementie te verlenen. ,,Met uw verlof, commandant”, zei Kroon, ,,ik zeg ook niet dat soldaat de Boer geen schuld heeft, maar de manier waarop de man van boord is gehaald is tegen de grondregels van het recht. Het moet u toch bekend zijn, dat ik als kapitein van de postboot tevens hulpofficier van justitie ben en alle passagiers dus onder mijn jurisprudentie vallen. Vandaar dat uw luitenant een onrechtmatige daad deed door een van mijn passagiers van boord te halen.”
    De commandant lachte fijntjes. ,,U komt wel voor uw passagiers op.” ,,Een oud-marineman, tevens commandant, draagt de verantwoording voor zijn ondergeschikten”, antwoordde Kroon. ,,Marineman?” vroeg de commandant. ,,Ja kapitein”, en Kroon wees op het wapen van mijn witte pet. ,,Ziet u dit wapen, dit sierde mijn pet als schipper bij de Koninklijke Marine tijdens de mobilisatie van 1914-1918.” ,,Zo zo, dus u bent een oud-marineman, wij zijn dus collega’s.” De kapitein werd vriendelijker. Kroon benutte de gelegenheid en zei: ,,U weet dat tijd geld is en daarom wou ik u voorstellen om soldaat de Boer weer onder mijn gezag te stellen en dit incident als geëindigd te beschouwen.” Het was even stil. De commandant vroeg: ,,En als wij dat nu eens niet doen?” ,,Dan zou ik mij zeer in u vergissen, terwijl u toch in de gelegenheid bent om de Boer via zijn commandant van de kunstwacht in Den Helder ter verantwoording te roepen.” De kapitein ging staan en zei, terwijl hij de groet bracht: ,,Schipper, wat moet uw commandant trots geweest zijn om zulke mannen onder zijn bevel te hebben, uw man komt vrij.” Het gezicht van Willen Kroon klaarde helemaal op en plooide zich tot een lach. Ook hij salueerde en zei: ,,Commandant, hartelijk bedankt voor uw oordeel.”
    Wij weer naar boord. Even later kwam Willem de Boer, een van de dertien kinderen van Meindert de Boer, terug aan boord. ,,Touwen los, we gaan!” Even later stoomde de Insula in het Krabbersgat, met uit de stoomuitlaat, zo noemden we dat, de witte vlag, omdat de ketel op de rooie stond. Later vroeg ik aan Willem Kroon waarom of hij zo’n drukte gemaakt had om Willem de Boer. ,,Hoor eens Janneman, Urkers moeten ’nkanger niet in de steek loaten in een voegel as Willem kuun je niet in een kooitjen ouwen. Ei-je em vroeger wel d’rs zien skoasen, toe was ie ok niet te ouwen op de korte boon.” In gedachten sprak ik op zijn Fries: ,,Willem et keliek.”

    JtN

  • 7 maart 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Een visserman èt altees wat
    Eawen je jonges nog wat verdiend van de week? Nou, ze eawen d’rluiers part, maar maar ok niet. Eawen ze ok op de legge evist? Daor binnen mooie skolletjes evongen, oor ik daor. Nee ze eawen de iele week in de steanen eklaawd. Daor wil nog wel d’rs wat tonge zitten, maar je kunen d’rs ok gemakkelik je teug weg bringen. Ze adden gelokkig niet vuul averije. Maar d’rluiers maot, die bij ’rlui in de buurt viste, verspuulde nog een nije ongerzede, dat beabe Jan kan wier een paor poendjes gaoren verbreien. Ja, as er niet eskeurd worde kon Klaos van Tuus wel op z’n rogge goon leggen, in z’n bruur Indrik erbij. In zo et ’t altees al ewest: d’ îene z’n dood is d’ anger z’n brood. De zealemakers moeten ok leven. Een visserman trekt angers altesen an ’t kortste eande. Kiek maar nor de koeboeren. Klagen gien gebrek, maar ze goon je maar doen ene. Ei je ’t duur? Een visserman is altoos vor een anger in de weer. Een kellefien wort een koetjen, maar een zeltjen wort een dweltjen. Zou je dan mit je neve Flerik realen willen? Vor gien goud! Die zit onger de plak van z’n vrouwe, in ik eaw een vrij leven. Fim is blede as ik teus koem in blede as ik wier voort goon. In al is ’t dan gien vetpot, we eawen de vrede. Nou, wat kuun je nog maar begeren?

    jonges – zoons (die op het schip van vader varen)
    maar – 1. maar, 2. meer
    de legge – een zekere visplek
    in de stienen – een steenachtige visplaats
    klaawen – modderen; moeizaam werken
    ’t teug weg bringen – ’t viswant verspelen
    ongerzede – onderkant van kor of kuil
    op z’n rogge goon leggen – geen werk meer hebben met alle gevolgen van dien
    eande – eind
    ei je ’t duur? – snap je ’t?
    een zeltjen wort een dweltjen – een zeil wordt al gauw een ‘dweil’ (dus waardeloos)
    realen – ruilen

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (3)
    ,,Wacht effen Jan, ik loop mit je mie nor de boot.” ,,Da’s goed Willem” zei ik, “jie eawen wel gaauw verlof.” ,,Dat komt”, zei Willem, ,,de kapitein zeen, goon jie maar zo lange nor eus tot we beter goed vor je eawen. Zo kan een mins z’n vaderland toch niet dienen.” Wij liepen gezamenlijk het perron af op weg naar de boot. Ineens, buiten gekomen, sloeg Willem met zijn rechterhand naar zijn hoofddeksel en bracht de militaire groet. Er passeerde ons een met goudgalon versierde persoon, die ons geen blik waardig keurde. Willem zei: ,,barst vint!” toen hij niet terug gegroet werd. ,,Maar Willem, dat was geen marineman, maar de kapitein van de Staverse boot, die heeft ook drie gouwen banden met een krul om zijn mouwen.” We liepen langs de haven en onder de ,,Dromedaris” door naar de boot. In het straatje net voor het cafe van Moleman kwam ons een Sandeman sherry-figuur tegen, we liepen hem gewoon voorbij. Even later hoorden we een stem die riep: ,,Hee soldaat, kun je niet groeten?” Ons omdraaiende zagen we dat de cape opengeslagen was en daaronder een marine-uniform. ,,Als je me niet kent, zeg je maar u tegen me”, riep Willem terug. ,,Kom aan, we gaan naar de boot, ik wil naar Urk.” We versnelden de pas, maar de cape met de man er in kwam ons achterna en ging op het marineschip om even later terug te keren met twee gewapende matrozen. Die liepen dwars over naar de ‘Insula’, gingen de salon binnen en zochten Willem. Even later werd Willem tussen de gewapende matrozen afgevoerd naar de oorlogsbodem. Het gaf natuurlijk een ontzettende consternatie aan boord, een Urker soldaat opgebracht door de marine. Willem Kroon, de kapitein, kwam boven en zei: ,,Alles klaar mensen? dan gaan we.” ,,As we nog effien wachten dan oalen ze alle passagiers van de boot of”, zei Lub van Mina. ,,Wat is er loos dan”, zei Kroon, ,,ik wiet niks”. Ik vertelde Willem Kroon mijn ervaringen met Willem de Boer en over het groeten van de kapitein van de Staverse boot en het niet groeten van het jonge luitenantje en de toestand er na. Willem keek langs mij heen in de verte en dacht diep na. ,,Janneman”, dat zei Kroon altijd als we heel vertrouwelijk met elkaar waren, ,,Janneman, we laten onze passagiers niet van boord halen, haal je witte pet met het marinewapen er op, dan gaan we onze passagier ophalen.” Even later gingen we op weg naar de oorlogsbodem. Tegen de schildwacht zei Willem Kroon: ,,De kapitein van de postboot meldt zich voor een gesprek met uw commandant.” Na veel vieren en vijven stonden we tegenover de commandant van de oorlogsbodem. Drie gouden banden met een krul om zijn mouwen, dus de rang van kapitein ter zee. Kroon kende de rangen, want hij was zelf in de vorige oorlog, 1914-1918, schipper bij de marine geweest. ,,Mag ik weten”, vroeg de commandant, ,,wat de reden is dat u mij wilt spreken?” ,,De reden is nogal ernstig”, antwoordde Kroon, “door twee miliciens is in opdracht van een van uw luitenants ene passagier van de postboot, die onder mijn commando staat, gehaald, en hiertegen moet ik fel protesteren.” ,,Toch geloof ik dat uw protest niet op zijn plaats is, want die passagier van u, een soldaat, heeft niet aan de groetplicht voldaan en een order van een meerdere niet opgevolgd.” ,,Misschien”, antwoordde Kroon, ,,kan mijn hofmeester beter de toedracht vertellen die tot het incident heeft geleid.”

    Slot volgt, JtN

    Bij een oude foto

    Het lijkt wel, beste lezers, of de havenkant uitgekamd wordt. Een soort vreedzame razzia op zoek naar het verleden van gebouwen en huizen. En in zekere zin is dat ook zo, de komende weken blijven we op en rond de haven ronddolen, bij leven en gezondheid. Wat zien we op deze foto? We zien een viertal panden op de Westhaven. We beginnen bij het pand links op de foto. Dat was de schuur van Klaas Romkes, op Wijk 1-33. Het markante pand daarnaast behoorde aan de op Urk welbekende vishandelaar Albert Hakvoort (Albert van Inte). Let op de gemetselde sierbogen, die, voorzover onze herinnering reikt, bekroond werden door chromaattegels. Nu wonen op dit adres, Wijk 1-34, Lub en Marieke Kramer. Die vreemde uitbouw was het portaal, dat toegang gaf tot de bovenwoning. Vijf stenen pinakels bekronen de eindgevel, heel ongewoon op het eiland Urk. Dan krijgen we het bedrijfsgebouw van de vishandelaar Jan Brouwer met de zogenaamde ‘kraak’, hier nog van hout. De woning op en onder de kraak werden ooit bewoond onder andere door Jacob van Slooten (UK 26), Jakke Ras, de vishandelaar, Willem Kramer (UK 84) en Jan Brouwer (UK 134). De lijst is niet volledig. Later werd de schuur een opslagplaats van oliehandel de Boer en nog weer later had Andries Hakvoort, de scheepstimmerman, er zijn bedrijf. In het verbouwde pand zijn de vier leeuwtjes uit de oorspronkelijke gevel weer ingemetseld, tezamen met (vermoedelijk) een jaartalsteen. De schuur is nu in gebruik bij sleepbedrijf Kapitein en Auke en Co Kapitein wonen nu in de riante bovenwoning met een schitterend uitzicht over zee en havens. Over de ‘Urker Stores’ van Douwe Gnodde schreven we reeds eerder. Als aanvulling mogen dienen dat de winkel ooit gedreven werd door Jan Brouwer, in scheepsbehoeften.
    Op de voorgrond zien we de houten beschoeiing van de Westhaven, die naar het oosten en westen doorliep tot de werven van Metz en Hakvoort met een onderbreking door de werf van Roos. De haven was toen een rijkshaven en is dat nog lang gebleven. En, o ja, we weten nu hoe de hoogte vanaf de Bethelkerk naar de Westhaven in de volksmond genoemd werd. Volgens Alie Post-Romkes was dit het ‘Wagenpad’. En dat sluit dan weer mooi aan op wat we daar eerder over schreven. Tot ziens op de haven!

  • 28 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    DALJE
    Ongerlestet krieg ik een emailtjen van een goeie bekinde. IJ was terogge ekeumen van z’n wientersportvakantie. Al z’n liedemaoten wazzen nog in de ongebruken toestand gelokkig. Een ongelok legt in bar klean oekien, zoas we wieten. Z’n eerste vraag was of ik ok al terogge was van de wientersport. Nou kreeg je mij gien barg op, lot stoon òf op twie plinkies.’r Is vor mij maar iene Barg in dat is de Barg in die makt diel eut van Urk. Oge in mooi genoeg vor mij. Nou skenen ze nao dat geskie, as ze goed rozerig binnen van de snijacht in de beutenlocht, onger et genot van een glaosien glühwein nog effen bij eenkanger te zitten. In dan moet je et toch arges over eawen nietwaor? Dus waoromme niet over et Urker dialect. Nou ad iene van de gasten een Urker oren zeggen, dat ie em ers effies dalje zou gieven! Wat zou dat nou vor en woord wezen. Waor zou dat vandoon koemen? Daor ku’je al nippend uren over memeren, voral as je et niet wieten. Dus krieg ik dat as twiede vrage in et emailtjen op m’n burdjen: Klaos waor komt dat woord dalje vandeen in wat beteaket et? Nou zwigt de woordenliest van Meertens & Kaiser ’r over. In ok in et boekien van Tromp de Vries ‘Leven in taal van het eiland Urk’ stot niks over dit woord. Toch is et gien nijd woord. Et woord et ouwe papieren. Maar is gewoen niet mie eneumen of over et oofd ezien. Dat kan gebeuren. Dalje is een Westfriesch woord. In worde daor gebrukt in eutdrokkigen die wat mit stievig, flink of geducht te maken eawen. Een vuurbieldjen: ‘De lucht is dik, er zel dalje komen’. Dalje beteaket in dat geval ievige neerslag. Regen of snijacht. Maar ok ‘dalje kriigen’ – een stievig pak slaag kregen. Et woord ‘daljen’ of ‘doljen’ komt varders ok vuur in et Friesch in daor dan in de beteakenisse van sloon of ranselen. De beteakenisse is dus: arges stievig tugenan goon! Over stievig ’r tugenan goon espmken. De dialectkring zal op 14 maart 2002 een dialect-aved organisieren in et Juugd. Over winkelen vroeger in tegenwoordig. Mit veraolen, een kwis in wellicht ienige zang. Inlichtingen in kaorten bij et Juugd. Iederiene kan koemen tot de kaorten op binnen. Wij zullen em dalje gieven!

    Duur K.J. Romkes

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon (2)
    Op een van onze reizen van Enkhuizen naar Urk had ik een interessante ontmoeting met een hoge militair. Toen ik hem het bestelde kopje koffie bracht vroeg hij mij waar hij zou kunnen slapen op Urk. Ik vroeg me verwonderd af wat zo’n hoge militair op Urk moest doen. Of hij mijn gedachten raadde zei hij: “Jij denkt zeker: wat moet zo’n man nu op Urk doen. Dat zal ik je zeggen. Ik heb daar een gedeelte van mijn jeugd doorgebracht. Mijn vader was daar dokter. Heb je wel eens van dokter brouwer gehoord?” Ik beaamde dit en toen volgde een gesprek met de man van achter in de veertig, dat ik me nog goed kan herinneren. We leunden met onze armen over de railing en keken de zee op, die door de bewegingen van de boot dan weer dichtbij en dan weer verder van ons af was. “Ben je voor de dienst afgekeurd”, vroeg hij. “Nee, ik ben buitengewoon dienstplichtige gemaakt.” “Dat zal zo lang niet meer duren”, zei hij. “We zijn bezig de oudjes naar huis te sturen en de vrijgestelden toch maar te laten opkomen.” “Dus ik word ook de pineut”, zei ik. “Wat zou ik er voor willen geven als mijn zoon de pineut was geworden”, zei de man. “Is hij dan afgekeurd?” “Nee, voor de keuring is hij al gestorven.” En hij vervolgde: “Ik vlucht in het verleden. Mijn dochters studeren en hebben hun eigen besognes. De kazerne is mijn thuis, want als ik in mijn eigen huis kom, is daar niemand… mijn vrouw is ook overleden.” Ik zag het verdriet en de eenzaamheid van de man ondanks zijn mooie buiten model uniform. “Ja!” – en de man draaide zich om, “waarom vertel ik je dit allemaal?” “Och een mens wil zijn hart wel eens luchten”, opperde ik, “als je alles opkropt is het ook niet goed.” Ja, wat moet je anders zeggen. Ik kreeg een klap op mijn schouder bij het passeren van de lichtboei. “Breng mijn nog maar een kop koffie.” Dit was de ontmoeting met de zoon van een oud-Urker dokter die zijn verleden aan het zoeken was. Zo voeren we maar voort naar Kampen, Enkhuizen en af en toe naar Lemmer met arbeiders van de Zuiderzeewerken. Dit laatste hield in dat je ook de zondag in Lemmer door moest brengen. Ging je ’s middags naar Enkhuizen, was je ’s avonds thuis. Van Enkhuizen kwamen de avondbladen, de Amsterdammer en de Standaard, maar ook de laatste post die in de postwagen tussen Amsterdam via Stavoren werd gesorteerd. De P.T.T. van Enkhuizen zorgde dat de post voor Urk per bakfiets of transportfiets op de boot gebracht werd. De kranten moesten we zelf halen en dat was een hele sjouw. Ik zou die avond de kranten halen. De boot uit Stavoren liep binnen en ook de diesel uit Zaandam kwam het station binnen. Gauw de twee stapels kranten pakken en bij de Enkhuizer P.T.T. brengen, zodat die de reis naar de Insula per bakfiets kunnen beginnen. De laatste passagiers gaan uit de trein naar de treinboot naar Stavoren. Urkers zag ik niet, of toch? Daar kwam nog een militair die ik meende te herkennen. De boord van zijn uniformjas stond open en het jasje bolde rond zijn welgedane body. Ook de broek was strak om de bibs gespannen. Willem, want die was het, Willem van Meindert van Okke Meindert, was best gegroeid sinds hij voor zijn nummer had gediend.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    In de ‘Kleine Courant’ van 7 februari jongstleden schreven wij over de uitleg van de haven in westelijke richting in 1878 en de daarmee gepaard gaande komst van diverse bedrijven en bedrijfsgebouwen. We blijven ook deze week nog even in de havenbuurt. Beschreven we in het vorige nummer de taanhoogte, nu richten we onze aandacht op de nabij gelegen woningen en bedrijven. Ze stonden onderaan de hoogte die in de volksmond ‘spekhoogte’ werd genoemd. De zeilmakerij van Lucas Snijder was nog niet verbouwd, er zou later een verdieping op komen met ramen die uitzicht gaven op de haven. Over het tanen schreven we eerder. De zeilmakerij had niet alleen een ambachtelijke functie, maar eveneens een sociale. Oud-vissers en landlui van uiteenlopende pluimage kwamen hier graag om de dingen van de dag te bespreken. ,,hier kwamen de zonen des volks bijeen en zaten op de gladde houten balken, glad door het schuren van hun pilobroeken. Hier waren ze onder huns gelijke. En daarom ontplooiden de schuchteren hier gaven van hoofd en hart, welke onontdekt gebleven zouden zijn, indien niet de ‘winkel’ tot activiteit had genood. Hier sleep en polijstte men elkaars gevoelens” schreef Mariap van Urk in Urker ambachten en bedrijven (1955). Mooi gezegd. Het hoge huis op de achtergrond werd ooit bewoond door Inte van Trui, die er een koffiehuis annex winkel dreef. De Volendammer vissers, voor wie zij een moeder was, kwamen er graag. Sommige van hen kwamen ook op haar begrafenis. Later dreven Klaas Jelle Koffeman en zijn vrouw Jannetje er een ‘logement’. Ooit moet het een dokterswoning zijn geweest, die van de chirurgijn Leendert Hoefnagel. De visserswoning ernaast behoorde aan Riekelt de Vries. Vanuit deze woning begon Piet Brouwer zijn elektrotechnische installatiebedrijf op te bouwen, dat vorige jaar zijn voorlopige bekroning kreeg met een aan alle eisen des tijds voldoend modern bedrijfspand op het industrieterrein. De bedrijfspanden rechts op de foto behoorden ooit aan de vishandelaar Jan Brouwer. De vaten rechts zullen het zilver van de Zuiderzee bevat hebben, de gezouten ansjovis, die plaatselijke handelaren beurtelings rijk of arm maakte, naar materiële maatstaven gerekend dan. Later had Douwe Gnodde hier een vis verwerkend bedrijf en een winkel, die toen al een vooruitstrevende naam kreeg: ‘Urker Stores.’ Wie wonen er nu? Op de plek van het hoge huis Gerrit en Heiltje Koffeman. Daarnaast Henk en Connie Brouwer en rechts Hendrik en Marretje Koffeman.

  • 21 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen (slot)

    Zo kaol as een leus (zo kaal als een luis).
    Zo grees as een deuve (zo grijs als een duif).
    Zo doof as een kwartel.
    Zo ziek as een krabbe.
    Zo misselijk as een katte.
    Zo zwart as een todde.
    Zo mager as een roek.
    Zo mager as een spiering.
    Zo koud as een kommetjen.
    Zo vet as modder.
    Zo mager as een skram.
    Zo geel as een darg.
    Zo geel as saffroon.
    Zo wit as pisse.
    Zo rood as een kraol.
    Zo wiek as snot (wiek is week).
    Zo zuur as eek (eek is azijn).
    Zo dunne as een stopnaolde.
    Zo vast as een eus (eus is huis).
    Zo mistig as een gat.
    Zo blede as blik (erg blij).
    Zo lek as een maande.
    Zo lek as een wiege.
    Zo dronken as een punter, as een kenon, as een toeter.
    Zo ard as een spikker (spijker).
    Zo slop as een vaotdoek.
    Zo skoon as zulver.
    Zo skoon as een wintjen.
    Zo zaft as zede (zo zacht als zijde).
    Zo gaor as botter.
    Zo glad as een bel.
    Zo steef as een dol (erg stijf).
    Zo skeaf as een drol (erg scheef).
    Zo lank as de dag.
    Zo zwart as aarde, as de nacht, as kool teer, as een dier.
    Zo gek as een uie.

    Brief uit Gouda

    Willem Kroon
    Binnenkort gedenken wij dat de Tweede Wereldoorlog ook Nederland niet voorbij ging. Tien mei was de overval op ons kleine landje aan de zee. Dit is nu 62 jaar geleden. Op zondag 3 september 1939 verklaarde Engeland zich in de oorlog met Duitsland. Dit laatste gaf ook voor Nederland problemen. Wij wilden neutraal blijven en om die neutraliteit te beschermen werd de mobilisatie afgekondigd. Ik was toen in dienst van de E.U.S.M. Leeftijdgenoten waarmee ik voor de dienst gekeurd had, waren al in dienst opgeroepen. Ik was tot buitengewoon dienstplichtige gebombardeerd, maar later kreeg ik toch bericht dat ik in juni 1940 op moest komen bij de luchtdoelartillerie. Dit laatste is natuurlijk niet doorgegaan. Veel, in mijn ogen oude Urkers, moesten hun soldatenkloffie aantrekken. Soms paste het niet meer en ook was het lichaam niet meer in die positie om frank en vrij het vaderland te dienen.
    Dit laatste was het geval met Riekelt (Verkos) Pasterkamp. Deze toenmalige stencil- en drukwerkverzorger groeide door een of andere oorzaak steeds meer met zijn neus naar de grond. Toen hij in matrozenuniform met de boot meeging om zich te melden, zei hij tegen mij: ,,Nou Jan, ik ben vanavond wel weer terug uit Den Helder, wat moeten ze nou met mij doen?” Maar hij was ’s avonds niet terug. Zij hielden hem vast om het vaderland te dienen. Toen hij met zijn eerste verlof kwam, zag hij er een stuk beter uit. Zelf opperde hij ,,dat hij door een heel goede dokter behandeld werd en dat die hem beloofd had dat er een heel andere Riekelt zou afzwaaien. ,,Dit laatste is ook gebeurd. Hij werd gekneed en gevormd zodat het voor ons een wonder leek. De oude Riekelt was een heel nieuwe soldaat geworden van de kustwacht. Ik trof natuurlijk op de boot veel verlofgangers die hun wederwaardigheden vertelden. Zo was Jo Gerssen, de manufactier, kok in Kampen bij de troepen. Gezellige avonden aan boord in Kampen met als traktatie een stuk worst waar Jo voor zorgde. In Enkhuizen waren ook oorlogsbodems gestationeerd met daarbij gevorderde sleepboten van de Zuiderzeewerken. Ze lagen tegenover de Harlinger steiger in het Krabbersgat. In de haven lag een oorlogsbodem die wij ‘strijkijzer’ noemden. Het was een oud beestje, want alles was uit de figuurlijke mottenballen gehaald. Ik had een goede ingang bij de opvarenden van deze oorlogsbodem. In het begin was het een beetje chaotisch, maar later liep alles volgens goede marine-tradities.
    Zo was op een mooie septemberdag de kok aan het piepers jassen, heerlijk in de zon aan dek. De man was een kunstenaar, want van de grote aardappels maakte hij koppen van grote politieke figuren zoals Hitler, Musolini, lord Eden, Churchill enzovoorts. Later hoorde ik dat deze man in het dagelijks leven beeldhouwer was, ja zelfs een hele goeie.
    Voor een karig loon moesten de medewerkers van de E.U.S.M. lange dagen maken omdat er boten gevorderd waren ten behoeve van het evacueren van bewoners die in het gebied van de Waterlinie woonden. Deze boten moesten altijd bemand wezen en onder stoom liggen. Deze boten lagen ergens in de rietlanden bij Amsterdam. Mijn eigenlijke werk, dat van hofmeester, werd mede hierdoor ook verzwaard, daar ook nog andere taken op mijn schouders werden gelegd. In die tijd voelde ik het bekende gezegde van Gerrit Snoek: ,,Help effien, je lopen doar toch”, in variatie op mij toegepast.

    Wordt vervolgd, JtN·

    Bij een oude foto

    We staan hier voor een tweesprong die vanwege de hoogteverschillen op Urk een ‘vork’ genoemd wordt. Die vork wordt bepaald door de veestallen van Jelle en Meindert Hakvoort. Rechts zien we nog net een gedeelte van de Bethelkerk. Links zien we de voor die tijd moderne woning van Hendrik Romkes, ooit kapitein van een der boten van de E.U.S.M. Zoon Klaas koos een ander beroep, dat van grossier in kruidenierswaren. Als we goed zijn ingelicht heette een van zijn producten Ralazijn. ‘Ral’ was de afkorting van ‘Romkes Als Leverancier’. Stenen huizen met een puntdak kwamen op Urk maar weinig voor. Het afhellende veldje tussen de Bethelkerk en de haven was vroeger in gebruik als taanhek. Om de netten van de vissers te verduurzamen moesten ze van tijd tot tijd worden getaand. Dat tanen (of toonen zoals het op Urk werd genoemd) gebeurde in een taanketel, die eerst gevuld werd met water. Onder de ketel werd een vuur gestookt. Als het water heet genoeg was, werd er eikebast of cachou aan toegevoegd. Cachou (eigenlijk caoutchouc) is een extract van de Indiase acaciaboom. Gedurende de Eerste Wereldoorlog moest men bij gebrek aan cachou een vervanger zoeken. Dat was eek, getrokken van de eikenschors. Het werd uit Brabant aangevoerd. Naast de taanketel stond meestal een eenvoudige hijsinstallatie, bijvoorbeeld een mast met een laadboom, waarmee de netten en het touwwerk naar boven werden getakeld. De netten werden na het tanen per kruiwagen naar de botters en schuiten vervoerd. Het proces van het tanen verspreidde een penetrante geur, die zich hechtte aan de kleren. In alle Zuiderzeevissersplaatsen waren wel taanketels te vinden. In Vollenhove werd het tanen door de vissers zelf gedaan. De taanketels werden dan wel verhuurd aan collega’s. Met de komst van het nylon en andere synthetische vezels werd het tanen overbodig en verdween een oeroud ambacht langs de boorden van de Zuiderzee. Daarmee verloor ook de taanhoogte zijn functie. We weten dus wanneer het ophield, niet wanneer het begon.
    Op een kaart van het eiland Urk uit de Napoleontische tijd staat al een ‘taanhuys’ of ‘taanderij’ vermeld, ongeveer op de plek van de ‘oude’ scheepswerf Metz. Op de voormalige taanhoogte werden nieuwe huizen gebouwd, nu bewoond door Willem Kramer en zijn vrouw Mina (van Sijtje) en Peter Venema en zijn vrouw Jannie Kramer. Ook op de ‘vork’ verrees een nieuwe woning die wordt bewoond door Meindert en Nellie Kramer.

  • 12 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen
    ’t Is zo dunne as een lovertjen.
    IJ beangelt (behandelt) m’n as z’n voetvege.
    IJ maakte as de duvel dat ie voort kwam.
    IJ is zo gek as een bos bieten.
    IJ is zo ol as een biet.
    IJ is ommekeerd as een blad van een boom.
    Z’adde een kleur as een roze.
    Ze verteert as de milden op ’t veld.
    Ze lachte as een vallen duvel.
    IJ was zo vrindelik as er iene.
    IJ lopt as malle jan in ’t oenderd.
    ’t Glimt as een keersemakersgat in de moneskeen (maneschijn).
    Ik bin zo love as een meier (zo moe als een maaier).
    IJ et ’t zo drok as een skeerbaos mit îene klaant.
    IJ et ’t nog drokker as een klean baosien.
    Ij was er zo groos op as de duvel op een nije zunde.
    IJ kîek m’n an as de klinkklaore boze.
    IJ is zo bretaol as ie groot is.
    Ze kan warken as een dartien (ze is een goede werkster).
    Ze is zo lank as de vuurmiddeg.
    IJ lag op de groend zo lank as ie ewossen (gegroeid) was.
    Ze is zo slecht as ’t waoter diep is.
    ’t Vreur dat ’t knïep (kneep).
    Ik bin as een zak zo love.
    Ik bin ’t love as gespuugen spek (ik ben het zat).
    De locht stat of ie katten spegen (spuwen) wil.
    Ij et een ge-ugen as een ezeren pot (hij heeft een geheugen als een ijzeren pot, d.w.z. een sterk geheugen).
    Ik bin zo of as een matten zak.
    Ze gîeven geld eut as zaand, as waoter.
    Die dingetjes binnen zo licht as de ijdeleid.
    ’t Vul m’n as koud waoter op m’n leef (lijf).
    Ij add‘ een gank as de rook (ze was heel boos en schold erg).
    Ze gebrukken Gods naam of ’t een lepeltjen zout is.

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (6)
    Van de dokter krijgt hij heel goede brandewijn mee op zijn tochten. “Denk er om Jan”, zegt de dokter, “voordat je de bussen opent eerst een slok brandewijn in je mond en met lysol je handen beschermen.” Zo roeit Jan en zo helpt hij de epidemie te bestrijden. Hij is ambtenaar, dat wil zeggen dienaar in de juiste zin van het woord. Jarenlang zag ik Jan ons huis passeren met in zijn hand een in een theedoek gebonden schaaltje met eten. Elke dag weer, ’s zondags en in de week. Dat eten was bestemd voor twee vrijgezellen, familie van hem, die in de straat achter Fokke de scheerbaas woonden. Het waren wat wonderlijke mensen die nooit buiten kwamen. Met mijn vader kwam ik er veel want ze waren meesters in het netten boeten. Veel mensen waren bang voor ze. Als trouw kerklid van de Hervormde kerk heeft hij jarenlang de kinderen van de Hervormde zondagschool verteld uit de Bijbel samen met zijn zwager Freek Brouwer. Jan deed dat op zijn eenvoudige kinderlijke manier. Met kerstfeest was de viering in de kerk, waar altijd een mooie kerstboom stond. Veel mensen kwamen dan luisteren naar de vertelling. Soms ging hij wel wat te ver, naar onze mening, in het aanduiden van de toestand in de stal. Zo vertelde hij eens dat Maria niet eens luiers bij zich had en toen maar “haar snotdoek om et keend z’n getjen ding.” Gelach op de galerij. Jan draaide zich om en zei tegen ons: “Ik vertel et vor de kiengeren, niet vor jului, grote vullemen!” Ik schaamde mij wel een beetje, want hij had gelijk. Zwager Freek deed de vrije vertelling over het boek ‘Peerke en zijn kameraden’. Ja, zo leefden wij die tijd op dat kleine eilandje midden in de zee. Klaas de baron is niet zo oud geworden. Op een vroege nieuwjaarsmorgen werden wij opgeschrikt door drukte op de Zegenaarshoogte. Wat bleek? Klaas was die nacht niet thuis gekomen. Later hoorden wij de toedracht van de zaak. Klaas had met vrienden de jaarovergang in een botter op de haven gevierd. Na de klok van twaalf ging onze Klaas nog even wat halen om de gezelligheid te bestendigen. Bij het overstappen van de botter op de wal raakte hij te water. Heel Urk leefde mee met dit tragisch ongeluk in de eerste uren van het nieuwe jaar. Jan Kroeze moest toch weer een secondant hebben op de kar. Er waren veel en goede sollicitanten, want het was een fel begeerd baantje, vooral ook omdat het toen nog in zwang zijnde ludieke nieuwjaarzeggen door de karrelieden een profijtelijke wrochting was. Het werd Jelle Romkes. Of het een rol speelde dat hij een buurman van de burgemeester was, durven wij niet te zeggen. De Zeeman (Kees Kroon) werd niet benoemd, ondanks het feit dat hij uitstekend met paarden wist om te gaan. Maar deze Kees kwam toch later in dienst van de gemeente toen Jan Kroeze de harp aan de wilgen hing. Aan een zeer werkzaam leven in dienst van de burgers van Urk kwam een einde. Samen met zijn vrouw mocht hij nog enige jaren van zijn pensioen genieten. Hij was nadrukkelijk aanwezig onder ons, door zijn werk, maar hij stelde zich nooit op de voorgrond. Er kwamen grote veranderingen. De kar ging weg, de stier ging weg, de zwarte, het paard werd verkocht. Er kwam een auto. De ene verandering buitelde over de andere verandering heen. Jan bleef nog lange tijd zijn familie het eten brengen dat Bape gekookt had. Er kwamen jongere onderwijzers voor de zondagschool, daar stopte Jan dus mee. “Et is zo kiengeren”, zei Jan wel eens, “as je ouwer worren, brikt alles bij je anen of.” Een waar woord, maar dat deze mens, deze eenvoudige man, een sterke indruk heeft achtergelaten, bewijst, dat ik nu, op 73-jarige leeftijd hem in gedachten nog zie lopen, de rug wat gebogen. En ik hoor hem nog praten tegen zijn paard: “Goon je gank maar zwarte, wij binnen ier kloar…”

    J. ten Napel

    Bij een oude foto

    We blijven dicht in de buurt van de vorige locatie, maar nu gezien van de noordzijde. De foto is genomen in 1959 en we kijken recht op de woning Wijk 1 nr. 31. Hier woonde, volgens de ons verstrekte gegevens, in de jaren 1925 – 1930 Albert Hakvoort, een visverkoper die ‘Abbesien’ werd genoemd. Later heeft zijn zoon Klaas het bedrijf voortgezet. In een van de vooroorlogse jaren betrokken Gerrit Korf en Jannetje Post de zuidzijde van de woning, met een riant uitzicht op de Westhaven en het IJsselmeer. Zij kregen drie zonen en een dochter: Louwe, Cornelis, Alie en Albert. Vader Gerrit werd de trotse eigenaar van de nieuwe ijzeren botter, de UK 83. In het oorlogsjaar 1941 liep het schip op een mijn en verging met de hele bemanning en een Duitse soldaat die als bewaker aan boord was. Op maandag 10 maart 1941 is de UK 83 vanuit IJmuiden naar zee vertrokken en niet meer binnengekomen. Met de schipper kwamen de beide zoons van Brechtje van den Berg-Bakker, Jurie en Sjoerd, om het leven. De naam van de Duitse soldaat is ons niet bekend. Het gezin Korf werd wel zwaar beproefd. In de nacht van 7 oktober 1954 verging in een vliegende storm de UK 174 met haar bemanning, waaronder zoon Cornelis (Kees). De noordzijde van de woning werd geruime tijd bewoond door het gezin van Riekelt Bakker (UK 48) en Hiske Woord. Zij kregen vijf dochters en drie zonen: Griet, Jacob (overl.), Trien, Fokke, Klaasje Maria (Kaat, overl.), Hiltje, Jelle en Luutje. Het gezin Bakker verhuisde later naar een der eerste nieuwbouwwijken in Wijk 7. Rechts op de foto zien we de zeilmakerij van Jelle Hakvoort, in de volksmond Jelle van Evertjen. Links zien we de woning van Klaas Romkes, de smid. Ongeveer op dezelfde locatie wonen nu Hendrik de Wit en Annemarie van Slooten. Het doorkijkje op het IJsselmeer is helaas verdwenen. Tuinen waren in de jaren dat de bovenste foto werd genomen een grote luxe. De ‘tuin’ van Klaas de smid zal, schatten wij, nauwelijks tien vierkante meter hebben beslagen. Toch is het lapje afgehekt met een smeedijzeren sierhek. Even terug naar de vorige aflevering. De veronderstelling dat de hoogte boven dit buurtje zou zijn ontstaan ten behoeve van het vervoer met karren en wagens bleek juist te zijn. Allen, niet in de negentiende eeuw kwam deze hoogte tot stand, maar in de twintigste, zo berichtte telefonisch neef Jan uit Gouda, die daartoe een kort onderzoek verrichtte. Waarvan acte.

  • 7 februari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Ai!
    Ongerlestet krieg ik een tillefoontjen van Henk Bode, Urker in de verstrooiing, woenachtig in Leeuwarden.
    In zoas miestal et geval is mit tillefoontjes van ‘lnkien’ was et niet kort in add’t een aangenaam karakter. Over et algemien binnen we et ok nogal iens (,,wij verstoon eenkanger”, zegt Ink dan) in dat bevordert de goeie verstandouding ok natuurlijk.
    Mar disse reaze add’ie een klacht. Over de skreefweze van et Urkers. In wat ik daorvan voen, wou ie van m’n wieten.
    Z’n klacht ging over et vervagen van de eldere Urker ‘ij’. ,,Vroeger”, zeen Ink, ,,worden wij op skoel duur oenze Urker ongerwezers daor op ewiezen. Je zenen niet ,,Ai et m’n esloegen” maar ,,íj et m’n esloegen”. In niet ‘wai’ maar,,wij”. Et is dus niks nijs, dit verskeensel. Maar oud nijs. ,,Et likt wel of we et poldernederlands as vuurbield goon gebrukken.”
    Henk Bode wies m’n ok op de koppen in kraanten die et eawen over ,,Nais op Urk”. Verskrikkelijk vint ie dat. IJ ad Meester De Vries er op nao esloegen in z’n boekien over taol in leven van et eiland Urk in die an z’n zede evoenden.
    ,,Doen jie d’r ok wat an”, gafie opdracht. Maar wat kan ik maar doen dan een stukkien skreven. As zelfs oenze eagen Urker kraant an dit soort verskeensel miedut in ‘nais’ skrift. Et likt narges nor. Trouwes ik bin er wel een artelijk vuurstaander van dat we een uniforme skreefweze gebrukken. Ik eaw dat al maar ezegd in eskrieven.
    De Redactie van et Urkerlaand eaw ik al d’rs anebeun om alle Urker teksten in de Urker kraant in overienstimming te bringen mit de spelling, die de Urker dialectkring gebrukt. Mar we leven in de teed van de richteren, want iederiene dut wat goed is in eagen ogen. In ok daor gonen ze eurluiers eagen gank.
    Zoas in elke taol, eaw je ok in dialect verskillen bij de sprekers. In geskrieven taol is toch wat angers dan gespruken taol. Dat geldt ok vor et Urkers. Et gat niet an om maar te skeven wat ie dinken, dat je oren.
    De geinteressierde lezer wees ik mit genugen nog op oenze vernijde home-pagina van de dialectkring: www.dialectkring.opurk.nl Daor binnen alle Urker klinkers mit skreefweze op te venen. Ln je kunen et ok nog oren as je willen. De nije digitale techniek stot narges vor.
    Marriap ku’je ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’ oren vuurlezen in we eawen ’r ok een paor omroepies van de Urker omroepers op stoon. Van jaoren gelien. Je wieten niet wat je oren! Eutgestald Aardewark Bij Jaauwekien Van EaIt. Echo’s eut et verlieden. In van nog langer gelien dan de veefintwietig jaor gelien waor Henk Bode mie biezig is in disse kraant.

    K.J. Romkes

    Bij een oude foto

    In 1878 werd de bestaande haven naar het westen uitgelegd. Toen werd ook de scheepswerf van Hakvoort uitgegraven. De vissersvloot groeide gestaag. In 1887 werden 262 scheepjes geteld, tezamen metende 5609 ton. Over de groei van de nevenbedrijven zijn minder exacte gegevens bekend. Vast staat dat in de loop van de tijd bedrijfsgebouwen aan de Westhaven verrezen. De eerste visafslag kreeg er een onderkomen naast de werf van Roos, met aan de andere kant de grote schuur van Bakker en Gerssen. Uit onze jeugd herinneren wij ons de winkel van Douwe Gnodde, de ‘hange’ van Albert Hakvoort, de smederij van Klaas Romkes, de zeilmakerij van Jelle Hakvoort en de machinewerkplaats van de Hoekmannen. Kortom, de Westhaven was een plaats van grote maritieme bedrijvigheid. Vroeger was de locatie van deze foto niet bebouwd. Er is een oude foto bekend waar op deze plek in de openlucht ansjovis werd verwerkt. Dat gebeurde door vrouwen en meisjes. Eind jaren ’40 werden er de zogenaamde ‘knalpotten’ gedumpt. Wat dat precies waren weten we nu niet zo goed meer, maar het had iets te maken met de gasgeneratoren die in de oorlog werden gebruikt. De zeilmakerij van Hakvoort had toen nog vrij uitzicht over de haven en de zee. Daaraan kwam een einde toen enige vissers omstreeks 1950 besloten hier een boxgebouw te plaatsen. De meeste vissers woonden toen nog in de oude dorpskern, waar geen ruimte meer was om een schuur of werkplaats neer te zetten. De nieuwbouw was nog maar nauwelijks op gang gekomen. Het eerste boxgebouw op Urk, want zo mogen we dit gebouw toch wel noemen, telde acht compartimenten van 4 x 4 meter met een bovenverdieping. Vergelijk dat eens met de omvang van de huidige vissersboxen op de diverse industrieterreinen! De vissersschepen en de vistuigen werden groter en dat vroeg ook om betere faciliteiten aan de wal. De boxen, op de foto nog in bedrijf, werden te klein en kregen na verloop van tijd een andere bestemming. Inmiddels had zich een nieuw fenomeen aangediend, de watersport en -recreatie. De visserszoon Albert Post zag wel wat in deze ontwikkeling en stichtte het eerste Urker watersportbedrijf dat nu op deze plek gevestigd is met nevenliggende panden. De rechterkant van het pand is nu het onderkomen van de ‘Porceleinkast’, de cadeauwinkel van Henny van der Meer-Bos, dochter van Rein en Grietje Bos.

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (5)
    Eerst nog even een kleine sfeertekening uit die tijd. Urk, een klein eiland midden in de Zuiderzee die nog niet was afgesloten. Eb en vloed overheersten nog. Het hoge gedeelte van het eiland was bebouwd, het lage gedeelte was grasland, dat steevast een of twee keer per jaar onderwater liep bij een noordwesterstorm. De Urker boeren werden toen met een deftige naam veehouders genoemd. Net als nu was er toen al een mestprobleem op Urk. De mest van het gestalde vee moest vervoerd worden en daar had Jan een aandeel in. Verder moest hij met zijn hulp het karrepaard verzorgen. Als gemeente-ambtenaar was hem de zorg voor de gemeentestier op zijn rug gelegd. Voor het vermenigvuldigen en het op peil houden van ons melkvee had de gemeente Urk een dekstier. De veehouders moesten dus met Jan in contact treden om de dekkingsriten met hun tochtige koe te laten volbrengen. Vorstverlet en regenverlet waren er voor de mannen van de gemeentereiniging toen nog niet bij. Het waren lange dagen die zij toen moesten maken. Het was een drukke tijd in de winter, mest van de stalkoeren en het afval van de burgers moesten ondanks sneeuw of gladheid worden opgehaald en gelost. Ook op de zondag was Jan in de weer, want de stier (‘bul’) en het paard moesten dan ook eten en drinken. Dan was er nog een taak voor Jan. Hij was assistent van de dokter. We gaan even terug naar de droge tijd in de zomer. Het drinkwater is schaars en ineens slaat het noodlot toe. Er breekt een epidemie uit, de typhus grijpt om zich heen. Het gonst op Urk rond: ,,Heb je het al gehoord, die en die heeft het ook te pakken.” Zuster de Wit werkt onder hoogspanning. Er is nog maar één dokter op Urk, die doet wat hij kan in samenwerking met de gemeente-ambtenaren. Voor verschillende huizen is zand gestrooid, zo’n tien centimeter dik. Dit dient om het geluid te dempen om de zieken de broodnodige rust te geven. Op de woning van de zieken is op de voordeur een aankondiging geplakt dat hier een besmettelijke ziekte heerst. Ook bij de school voor het huis van Trui van Inte ligt zand. De jongste, Flerik, is ernstig ziek. Flerik strijdt met de dood. Elke dag is er wel een begrafenis. Jan Kroeze doet zijn werk, want ’s avonds moet hij met een roeiboot een stuk buiten Urk varen met een bijzondere last aan boord. Het zijn stalen gamellen van het Witte Kruis met de faecaliën (ontlasting) van de zieke mensen, Deze stoffen mogen niet met de kar mee en ook niet in het riool gegooid. Jan roeit zo een stuk buiten Urk en gooit ze daar in de zoute zee, als de eb loopt, leeg. Hij boent ze met veel lysol schoon. Hij is nu in dienst van dokter Vonk en deze zorgt dat Jan geen besmetting oploopt.

    Slot volgt, JtN

  • 31 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Vergelikkingen
    Zwîeten as een otter.
    Zeupen as een kaoter.
    Lopen as een kieft (kievit).
    Zwimmen as een eandepiel (eendekuiken).
    Vechten as armeluien (hermelijnen).
    Skreawen as een mager varken.
    Bloen as een reager (bloeden als een reiger).
    Eten as een dikkert.
    Eten as een ouwe soldaot.
    Vloeken as een ketelboeier (ketelboender).
    Warken as een knuut (hard werken).
    Janken as de pest.
    Stelen as de raven.

    Je maken je zo smerigs een dier.
    IJ zit er bij as een vink die niet kwinkt.
    Ze lopt as een inne (kip) die z’n ei niet kweet kan.
    Ze zicht er eut as een verzuupen kaoter.
    Ze lopt ermie te togen as een rotte (rat) mit z’n jongen.
    ’t Zit zo vast as een oend (hond) in z’n ouwe moer.
    ’t Lot ’m zo koud as een oendesnuut.
    IJ vligt vor m’n as een oendjen.
    IJ kîek m’n an as een groot ’oend.
    IJ lopt zo arde as een leus op een terig outjen (een geteerd houtje).
    Ik eaw een dorst as een paard.
    Je eawen een baord as een bok.
    IJ gaf zuchten as paardeskieten.
    IJ lopt net of ie de pappegaoi de kop of eskeuten et.
    Ze et de terige as een paard.
    Ze gingen je rossen as ouwe paarden.
    IJ is zo dom as ’t aftereande (achtereind) van een koe.

    Uit: Leven en taal van het eiland Urk

    TdV

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (4.)
    De meerdere taken van Jan
    In de dertiger jaren was er al wel riolering op Urk, ook hadden we waterleiding. Het water kon getapt worden uit standpompen die op verschillende plaatsen in het dorp stonden. Er waren echter maar weinig toiletten op deze riolering aangesloten. Water om te drinken werd uit de regenwaterbakken gehaald. Het leidingwater smaakte niet lekker. Ook voor de fijne was was dit leidingwater niet geschikt, het kostte te veel zeep om het water zachter te maken. Voor het spoelen van de zware baasien kleding werd het wel gebruikt en natuurlijk voor het vrijdagse straat-schrobgeweld.
    Vrijdags werden er geen praatjes gemaakt, dan was het de wekelijkse grote boen- en schrobdag. Zo was de maandag de grote wasdag.
    Een droge zomer was een ramp. De kerkenbakken werden dan geopend en voor twee centen kon je dan een ‘gank’ (twee emmers) water kopen. Je moest ze zelf putten met een akertje. Het gebeurde wel dat de gemoederen zo heet gebakerd waren, dat sommige schedels op hardheid werden beproefd door er met een emmer op te slaan en voor de afkoeling zorgde dan weer een akertje met water dat over de ruziemakers werd gegooid. Boezels werden afgerukt en hullen sneuvelden ook wel. Ondanks het feit dat het hemelwater via het dak van de gereformeerde of hervormde kerk in de bak was gevloeid, was dit geen verzekering dat de waterbevoorrading in pais en vree geschiedde. Als de kerkenbakken ook leeg raakten, werd er water met de postboot aangevoerd. De ballasttanks werden dan vol water geschept, zo uit de IJssel even buiten Kampen. Ook van hieruit werd het water per ‘gank’ verkocht. De bemanning zorgde voor de goede orde. Een spreekwoord, dat door oudere mensen op Urk nog wel eens wordt gebruikt, stamt uit die tijd. Het was een droge tijd, de kerkenbakken waren leeg en van de verschillende regenwaterbakken waren de laatste beetjes ook opgebruikt. Een lid van de Hervormde kerk had niets meer in voorraad in de bak, maar hij wilde toch graag een lekker ‘bekkien’ zetten. ,,Ik weet wat ik ga doen”, zei hij, ,,ik ga naar de Hervormde pastorie en vraag daar om een emmertje water.” Zo gezegd, zo gedaan. Hij op weg naar de pastorie. Deze werd bewoond door dominee Lingbeek. Bij de pastorie aangekomen trok onze vriend opgewekt aan de bel, gedachtig aan het lekkere water uit de pastoriebak. De eerwaarde deed zelf open. ,,Goeienavond dominee, mijn regenwaterbak is leeg en ook de kerkenbak is leeg, zou ik misschien dit kleine emmertje met drinkwater uit uw bak kunnen krijgen?” ,,Het spijt me beste man”, antwoordde de dominee, ,,dit doen wij niet!” De waterhaler gloeide van verontwaardiging en zei: “dan hoop ik dat al het water in uw bak petroleum wordt.” Kalm reageerde de eerwaarde: ,,daar heb jij je emmertje water niet mee.”
    Uit hetgeen wij hiervoor aangaven blijkt, dat het leven op Urk toen niet van een leien dakje ging. Om ziektes te voorkomen, moest soms de omroeper met een boodschap van de dokter door het dorp.
    Deze boodschap kwam dan bij de dorpeling zo over: ,,Op de fiets van de dokter moet het regenwater eerst gekookt worden voordat het wordt gedronken.” Die fiets van de dokter was natuurlijk “advies van de dokter”. Ondanks deze voorzorgen bleven de besmettelijke ziektes niet uit.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Echt steile hoogten hadden op het eiland een naam. De afhellende hoogten naar de haven heetten de Spekhoogte (bij de Bethelkerk), de hoogte van Gerrit Snoek (de middelste, genoemd naar de directeur van de E.U.S.M. die daar woonde) en de Staverse hoogte bij de Wilhelminaschool, die zijn naam dankt aan de Staverse jollen die daar in het verleden meerden. Aan de noordwestzijde van het eiland had je de Slikhoogte, die pas laat in de twintigste eeuw werd bestraat, vandaar die naam. Ook minder steile hoogten kregen soms een naam, denk bijvoorbeeld aan de hoogte van Nanning, genoemd naar de bekende groentenman Nanning Brouwer. Had de hoogte op deze foto ook een naam? Het is ons niet bekend. In 1920 moet deze foto genomen zijn. Boven de hoogte, links, woonde Jelle Hakvoort, de slager. Aan de noordzijde van de woning had hij zijn slagerij. In het midden zien we het visserslogement ‘Zeemans Welvaren’. Van 1910 tot 1931 zwaaide Jacob Nentjes hier de scepter. Daarna kwam er een Duits echtpaar in het café. Dat waren August en Ida Göwert. In 1944 werd de Rijksduitser August opgeroepen om bij de luchtwacht in IJmuiden te dienen. Na de oorlog keerde het echtpaar naar de Heimat terug. Geruime tijd dreef K.J. Coenen in het voormalige café zijn schildersbedrijf. Dat huisje rechts op de foto was bij de vissers van Stavoren, Volendam en Vollenhove (Markers en Huizers worden niet genoemd) welbekend. De vrouw des huizes, een weduwe zonder inkomsten, verkocht er een borreltje om zodoende van enige inkomsten verzekerd te zijn. Wat ouderen op deze foto zullen missen is de paardenhoefslag (‘travalje’) van Klaas de smid. Die stond onderaan de afhelling westelijk van het café. Dat duit er op dat die hoefslag pas na 1920 is geplaatst. Wie de beide foto’s met elkaar vergelijkt zal tot de conclusie komen dat er nog veel van dit karakteristieke buurtje bewaard is gebleven. We keren terug naar het begin en we fantaseren even over het ontstaan van deze hoogte, misschien in oude tijden. Immers, er waren toch al drie toegangen tot de haven? We doen een gooi. Toen Urk in de 19e eeuw een haven kreeg, deed zich een probleem voor: hoe die te bereiken, bijvoorbeeld met een kar of wagen. De bestaande hoogten waren daarvoor te steil. Het is mogelijk dat toen deze hoogte is ontstaan. Nogmaals, het is maar een veronderstelling.

  • 24 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    Cees zeulde as een volgeteugd fregatskip et kantoortjen van Jaap in. IJ plofte op een stoel neer in begon mitien. Cees mos stoom ofblaozen in dat kwam goed uut want Jaap leusterde toch niet. Die was drok doende een pampier eut de printer van z’n computertjen te aolen. In zat nou te rommelen in een laotjen van z’n bueau. “Zo Cees”, zeen ie inkelt. “Ik bin vuus te goed”, meldde Cees. “Wat je zeggen, buie”, zeen Jaap op de automaat. “Nou zit ik vor ’t blok.” “Och.” “Buurmam Willem et een oud anboutjen an z’n uusjen. Een klompenukkien, zeg maar. In dat dekkien sting te verrotten.” “Aha!” Jaap viste een doossien punaizes tevuurskeen in stak et triomfantelijk in de locht. Cees kiek verwonderd nor Jaap. “Is dat zo mooi dan?” “Nee, nee,” zeen Jaap aostig, “vertel mar varder Cees. Ik zal effen dit pampier opprikken. Goon jie moar duur!” Cees nam eerst een flinke sjoef van z’n sigaar in kiek de rookkring die ie eutbloes nao. “Nou in buurman Willem et inkeld z’n AOW-tjen. Dat toe ik tugen em zeen dat ie wat an dat dekkien mos doen, kiek ie zo ongelokkig. Toe eaw ik maar ezegd dat de jonges wel effies teed adden tussen twie klussies om ’r een nijd dekkien op te leggen. IJ oefde alliendes et materiaol te betaolen.” “Mooi”, voen Jaap in prikte z’n euteprinte pamflet an de duur van z’n kantoortjen. “Dèr. Dan ku je et lezen Cees!” “Zal ik zo doen. Mar leuster eerst varder.” Jaap striek nog effen tevreen over z’n pamflet in ging zitten mit wat maar aandacht vor Cees z’n veraol. Cees ging varder. “Nou aolden ze die ouwe troep weg, blikt er asbest onger te zitten. Nou, Jaap wij warkten door gewoen mie. Mar ja dat spul is levensgevaorlik. In nou moet milieu, gemiente, provincie in, ik wiet niet wat vor ambtenaoren erbij om dat spul door weg te aolen. Ze eawen allemaol wat te zeggen. In je wieten Jaap, as ambtenaoren ienkeer goon praoten, wieten ze niet moar wannaar ze moeten stoppen.” “Dat kost een paor cinten Cees.” “Ja oenze Jaap. In wie zal dat betalen? Maa rja wie A zegt moet ok B zeggen. Dat et moet maar.” Cees ging stoon om wier vort te goon in blief vor et pamflet van Jaap stoon om te lezen. IJ begon alf ardop vuur te lezen wat er op sting. “Bij ongevallen te bellen…, eusdokter, pliesie, alarmnommer iene, alarmnommer twie, weekenddienst…” Toe ij alles op eliezen adde, draaide ie em omme nor Jaap in zeen: “Je binnen ien riegeltjen vergeten Jaap!” “Ih?” vroeg Jaap. Cees skuddede z’n oofd: “By gien ge-oor: BEL DEL!”

    KJR

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron (3)

    Je moest niet toevallig langs de andere kant van de wagen lopen als de emmer geledigd werd, want dan had je de kans vreemde urinespatten op kleren of aangelaat te krijgen. Er was in die tijd niet zoveel afval als nu. Papier en hout werden verbrand in de kachel of het duveltjen. Koffiedik en theeblaren met daarbij wat restjes overgebleven eten en/of vigraten vormden de boventoon. Dit alles werd samen met de faecaliën der mensenkinderen in de kar geladen en naar de zogenaamde ‘stroentbult’ gereden en aldaar gelost en weer vermengd met de daar aanwezige koeienmest. De paardenmest zorgde voor een goede fermentatie, zodat een product ontstond dat gretig aftrek vond naar de dorre, droge, zanderige gebieden in Drente. Menig Drents gebied is daar tot rijpe volle wasdom gekomen dankzij de Urker compost. De mest moest ook afgevoerd worden en dat gebeurde per schip. Er liep vanaf de mestvaalt achter de oude vismeelfabriek, de elektrische centrale en de, wat we toen noemden de nieuwe zaak van Hoekman, een smalspoor naar de haven tot aan de werf van Metz. Via dit smalspoor werd de mest per kipkar, door een paard getrokken, naar de haven vervoerd. Hier werden de karren leeg gekiept en door de Urker werkers per kruiwagen in het ruim van het schip geladen. Stel je voor, mannen in Urker klederdracht die kruiwagens vol scheppen en dan deze met mest gevulde kruiwagens over een plank kruien naar het schip en dan deze kledderende kledder in het ruim storten. Om hun kleding te beschermen hadden sommige kruiers een oliebroek aan en een zuidwester op. Het transport van de kipkarren met de paarden werd eerlijk tussen de vrachtrijders op Urk verdeeld. Ieder kwam aan de beurt.

    Wordt vervolgd JtN

    Bij een oude foto

    We staan hier voor het pand Wijk 1 nr. 15 in het jaar 1965. In dit pand woonde Hessel Snoek met zijn gezin. Het huis was toen vijfenvijftig jaar oud. De eerste steen van het pand werd op 12 september 1910 gelegd door Jannetje van den Berg geboren Bakker. Diverse verbouwingen hebben de woning in de loop van de tijd veranderd. Gelukkig hebben de huidige bewoners, Gerrit en Jannie Post, de gedenksteen intact gelaten. Hessel Snoek, zijn naam wordt onder ons nog met ere genoemd. In de oorlog heeft hij velen geholpen. Bij de ramp in Zeeland in 1953 gaf hij leiding aan de Urker vissersvloot bij de reddingsoperaties aldaar. Zijn durf en initiatief dwongen respect af tot in de hoogste vaderlandse kringen. Hij was later de eerste schipper van de ‘Zeemanshoop’, de eerste Urker reddingsboot. Dat schip heeft in de meidagen van 1940 nog joden overgebracht naar Engeland. Er moest op Urk in de vooroorlogse periode met de ruimte gewoekerd worden en dat is ook op deze foto te zien. Boven het dak zien we de nok van het dak van de woning van Gerrit Snoek, de directeur van de Eerste Urker Stoomboot Maatschappij en dirigent van het plaatselijke muziekkorps. Dat huis is midden op de hoogte gebouwd. Eens trok deze woning de aandacht van de bekende dr. P.H. Ritter junior in ‘De donkere poort’. Wat was namelijk het geval? Voordat in de Eerste Wereldoorlog de interneringsbarak geplaatst werd, diende deze woning als onderkomen voor de buitenlandse geïnterneerde officieren. Het souterrain van de woning werd ingericht als wachtlokaal voor het Urker bewakingspersoneel. De commandant woonde bovenaan de hoogte in het pand Wijk 3-40 naast de ‘Willem Barendsz’, nu bewoond door Albert en Willie Kramer. P.H. Ritter vond de omstandigheden waaronder de officieren bewaakt werden beneden ieder peil en had het over een ‘atavistisch ingestelde bevolking’ of iets van die strekking. In 1918, er heerste op Urk grote voedselschaarste, was de kelder het middelpunt van het zogenaamde ‘boteroproer’. We komen daar misschien nog eens op terug, maar wie nieuwsgierig geworden is raadplege het boek van onze plaatsgenoot Tromp Korf ‘Urk uit de school geklapt’ pagina 30 e.v.

    Het laatste jaar (7)

    Heden weer drie keer luchtalarm. Vlissingen, Zoutelande moeten door de geallieerden bezet zijn. Handelsblad van 16-25 ontvangen.
    8 November weer drie keer luchtalarm. Grote formaties vliegtuigen oostwaarts. Bij Jan Hakvoort (van Rika) geweest wegens groeten van A. Langejan uit Heemstede waar van H. in het hospitaal gelegen had na een beschieting van de Insula (Witte Kruisboot daar in den omtrek). Door Chr(istien) brieven aan Piet en Johan geschreven en door mij aan Johan. Midd(elburg?) bevrijd.
    11 November. In de al kleiner geworden Oprechte Urker van heden staat de zeer beperkte dienstregeling voor 13-18 november.
    18 November. Op den brief aan Johan 19 oktober per boot van Luut Kamper meegegeven nog geen antwoord. Van familie of vrienden op Walcheren, waar door strijd of overstroming 5.000 mensen omgekomen zijn, al in langen tijd geen bericht en zal, nu Zeeland niet meer in Duitsche handen is, vooreerst wel niet te verwachten zijn.
    16 November 1944. Heden bericht dat G. Metz, S.C. Koffeman en Pietje van Dirk van Dijk uit de gevangenis van Zwolle ontslagen zijn. Ze zijn in de namiddag hier gekomen.

    Wordt vervolgd.

  • 10 januari 2002

    De gouwen ketting (vervolg)

    ,,Et lik et veraoltjen van et vrouwtjen van Stavoren wel,” riep Tiemen triomfantelijk, ,,nou eaw ik ok ’rs een gelukkien.” Garret z’n ogen worden zo skotteltjes. Z’n moend vul eupen van verbaozing. De angeren mozzen muuite doen om niet in de lach te skieten want Garret kiek zo verbaosd. ,,Dat is een mooie! Oe is et muugeluk, een ketting in een gullebuk. Dat eaw ik nog nooit mie emaakt. Ik goon een zaoterdag gelik nor Ansien van de Klokkewinkel om te vragen wat of ie waard is. Dan lot ik gelik et slutjen maken, want dat zal wel stokked wezen’ ging Tiemen duur. Opiens stotterde Garret ,,Et is ’r net zo’n iene as menen. Die et zuvenoenderd gulden ekost in die eaw ik nog van m’n mimme ad vor m’n visserijskoeldiploma. Lot ’rs effen zien.” Tiemen ul de ketting vor Garret z’n neuze in opiens zeen Garret; ,,Et likt meen ketting wel.” Gelik voelde ie in z’n aals. ,,Oe kan dat nou, meen gouwen ketting is weg.” IJ griep nor et vor z’n ogen bungelende sieraod. ,,Dat zou je wel willen,” riep Tiemen, ,,ik eaw em aarlijk evoenden. IJ is vor mij in ik gief em an oenze Gaartjen. Oe moet joen ketting trouwes in een gulle terecht koemen. Lot je nao kieken.”,,In toch is ie van mij. Ik wiet ok niet oe ie in die gulle ekeumen is. Miskien is ie wel overboord evullen of in de boks in et dat biest em toen op egeten,” riep Garret kwaod. Opiens begonnen ze allemaol te lachen want ze konnen et eurlui niet maar goed ouwen. Ze kwammen niet mar bij om die kwaoie snuut van Garret. Tiemen gaf de ketting terogge. ,,Voel effen in je euliebroek of je plaotien ’r nog is, want dat eawen we niet evoenden. Algers bin je dat wel kweet.” Z’n plaotjen was gelokkig in z’n laars evullen in dat was z’n twiede gelukkien.

    Rein

    Brief uit Gouda

    Jan en de baron

    Al weer een tijdje geleden hebben we een afvalcontainer gekegen. Het zijn van die grote bakken met twee wieltjes eronder. In de ene gaat groen en keukenafval en in de andere het normale afval dat verbrand wordt. Het blijkt dat de groene container meer afval krijgt te verstouwen dan de grijze container. Een container per week, die door een moderne vuilniswagen wordt opgehaald. Met grijparmpjes worden de containers opgepakt en door de mannen op de goede plaats gezet. De bak wordt geledigd in de buik van de vuilniswagen die bijna een half miljoen kost.
    Op dat moment verwijlden mijn gedachten naar de dagen van weleer, ze gingen jaren terug en op mijn netvlies verschenen Jan en de baron.
    Door de Urker straten rijdt een wagen. Het is een grote rechthoekige bak op een wielenstel. Voorop is een plankie wear de menner op zit en aan de achterkant kan de palfrenier staan als alles is opgeladen en de kar richting losplaats vertrekt. Met deze wagen wordt eenmaal per week het vuil opgehaald. Nu waren we toen maar met z’n vierduizend Urkers onder elkaar en we maakten niet zo veel vuil. Het waren de vaste en urinale stoffen die tijdens het voeten bedekken, ook wel de stoelgang genoemd, onze body verlieten en in de emmer terecht kwamen. Ja, wat wil je, we waren toen nog niet zo modern. De nachtspiegel (de pot) was nog in grote ere onder ons en deze werd op de put geledigd. Bij de nieuwe huisjes die toen gebouwd werden kwam ook een gemetseld ‘huisien’, waar aan de straatzijde, onderaan, een deurtje of luikje was gemaakt waardoor de emmer naar buiten kon worden gehaald ter lediging in de kar. Waar dit niet zo was en er maar een eenvoudig optrekje van hout tegen het huis was aangebouwd, kon de roep gehoord worden: “Aole, ei je de immer al beuten e-zet, de karre komt er an !” Nou nou Jan, zo kan ie wel weer. Nee, laten we de zaken eens op zijn merites bekiiken, zou Teunis Visser zeggen. Als ik zo terugdenk kan ik niet dankbaar genoeg zijn dat we nu in andere omstandigheden leven.
    Toen ons huis in 1936 op dezelfde plaats gebouwd werd, verdween het ‘huisien’ van buiten en werd er een toilet in huis geplaatst, een watertoilet. Dat wil zeggen: na de grote boodschap moest je er zelf een emmer water doorheen gooien. Dit alles ging via een beerput op of naar de al aanwezige riolering. Het was nog niet zo, zoals onze buurman Piet Ras ons zijn relaas vertelde, nadat hij op bezoek in de Zaanstreek geweest was: “Ik ging nor et uisien, gaf een trek an et touwtjen in et iele spul was toe zo in Amsterdam.”
    Nu we bij Piet beland zijn, komen we ook bii de baron. Deze was daar ter woning als broeder van de vrouw van Piet, Lebe. Er was ook nog een Jan thuis, ook weer een broeder. De naam van de baron was Klaas. In de volksmond was dit Klaas de baon. Hoe of hij aan deze naam gekomen is weet ik niet, maar ik geloof dat hij ook geparenteerd was aan het ‘vorstelijk huis’ dat wij toen op Urk bezaten. Ze woonden bij het eerste gat, waar de basaltwateverdediging overging in het paalscherm. Er is nu een parkeerterein gemaakt. Een groot hek sloot de binnenplaats af waar de familie woonde. Ook Jaaie en Marie woonden daar Jaaie Stokebrand was erkend jager, met een roeibootje zette hij zijn botnetjes uit. Willem de Boer woonde daar met twee zusters. Willem was losvaste werker in de turf, in het steenlossen en hij was bij Jan Woord op gezette tijden in het hooi en ’s winters was hij betrokken bij het legen van de groep achter de koeien. Hij minde de lekkere warmte van de stal en praatte met de koeien welke hij, volgens overlevering ook in zijn avondgebed gedacht.

    Wordt vervolgd, JtN

    Bij een oude foto

    Volgens de ons verstrekte gegevens zou deze foto omstreeks 1946 genomen zijn. Op de ‘Kamperdijk’ lagen nog tonnen en tonnen puin van Rotterdam. Dat puin werd al snel na het bombardement van die stad in de meidagen van 1940 gestort op de beide meerdijken nabij Urk en op de Rotterdamse Hoek halverwege Lemmer. Jan de Wit, nu in Canada, vond tussen dat puin een beeld, dat hij naar Urk probeerde te sjouwen. Het was natuurlijk geen doen voor de jonge Jan en hij moest het na enkele kilometers opgeven, dumpen dus. Later zagen we het beeld terug in museum Schokland met het onderschrift: ‘Romeins beeldhouwwerk, gevonden ten Oosten van Urk’. “Ze kunnen alles wel beweren”, zei Jan toen, “maar dat is meen bield in et is zeuver Rotterdams.” Op de foto is het hoogzomer, veel jeugdige badgasten zijn er op het strand te zien. In die tijd lag er een scheepswrak voor het ‘kleine strandje’, ook al een oorlogssouvenir. Naar ik meen was de naam van de klipper ‘Spes Salutis’. De kop van het schip werd als duikplank gebruikt. Het leverde Koos van Wijk later een gewonde voet op. Een sleepboot verlaat de haven met een ‘bak’ van de Zuiderzeewerken. Woonarken van opzichters en ingenieurs liggen nog in de haven, van waaruit enkele bottertjes vertrekken om hun geluk te beproeven in de hoop op enkele ‘wichies’ van die kostelijke lJsselmeerpaling. Een ‘wichien’ was meen ik honderd pond. Als je, zoals ik, de zoon was van een IJsselmeervisser, mocht je in de vakantie wel eens met vader mee, zee op. Een hele belevenis, vooral als je op ontdekkingereis zo’n mooie Staverse boot tegenkwam, sierlijke zwanen met eerste, tweede en derde klas en met een schoorsteen in dat onbestemde geel met aan de bovenkant een brede zwarte rand. Ach, die laatsten der Mohicanen. ‘C. Bosman, W.F. van der Wijck, R. van Hasselt, zo heetten ze. Prachtige boten waren dat. In de nadagen van het spoorwegveer heeft onze eigen ‘Insula’ de dienst nog gevaren, Enkhuizen – Stavoren vice versa. Dat ouwe Rijnstomertje was natuurlijk geen partij op die illustere lijn.

  • 3 januari 2002

    Oenze eagen Urker taol

    De gouwen ketting

    Garret was een beste jonge in een goeie knecht. IJ voer al jaoren bij dezelfde skipper in mit de knechsen kon ie ok goed worren. IJ ad ien klean ongelukkien, ij was een bietjen groos. Dat wisten de angeren wel in daor plaagden ze em wel durs een bietjen mie. IJ ul van mooi goed in z’n aor zat an boord ok alteed even netjes op de kam. IJ was ok net as een ekster. Een gouwen kettekkien in een oorbelletien was wel an ’m besteed. In z’n twie oren ongen een paor kotters waor Metz jeloers op zou wezen in om z’n narm een stok wekkerketting waor een Zuienaor nog wel een paor trekken mie ad willen doen. Om z’n nekke ong ok een zwaore ketting, ok van zeuver goud. Ze zeggen dat Nijediepers ok zo binnen mar daor wil ik me niet an branen, want ik wiet niet wie dit allemaol lezen. Ma goed, op een dag, midden in de week laggen ze mit mooi weer in de Slopte vor een mindjen knappe tonge in een paor mindjes skolle. Ze laggen ’r net wier an. Garret zat in et visreum de vissies van de vurige trek weg te ezen in de rest sting te strippen. Opiens riep Flerik die an et eande van de lopende baand sting: ,,Oe michteg, moet je dan nou ers kieken, dat veen ik daor zo op de groend.” lJ ul een lange gouwen ketting in de locht. Iederiene kwam om em ene stoon om te kieken. In jawel, et was een ketting van wel een alleve meter lank. ,,Dat is Garret z’n ketting,” zeen Tiemen, ,,die is zieker eknapt in eut z’n eulieias evullen.” ,,Lotten we em verstoppen in niks zeggen,” zeen er iene, ,,kieken wannaar ie et in de gaten et.” ,,Ik wiet wat beters,” kwam Grubbelt, ,,lotten we em in een tarrebot of in een gulle stoppen, dan doen we net of die ketting duur die gulle oppegeten is in dan kieken we wat of ij zegt”.,,Dan moeten we oens wel een bietjen droge ouwen angers et ie et gelik in de gaten,” zeen Tiemen. Zo ezegd, zo edoon. Ze zochten een mooi gulletjen eut de boks in Grubbelt liet de ketting in de bek van de gulle zakken. Die was et ’r niet arg mie iens, dus gaf Grubbelt em nog een klean zetjen mit z’n staoltjen zodat de gouwen ketting ielemaol in de buk van de gulle zat. Ze legden die gulle bij Tiemen neer, want die sting tugenover Garret in maakten ongerwelen erluiers wark of. Opiens ging et visreumlukkien eupen in kwam Garret nor boven in begon mie te ellepen mit wat ’r nog an vissies lag. Ongerwelen ad Tiemen de gulle opepakt in begon em eupen te snijen in aolde de inoud nor beuten. Mit ien beweging aolde ij de ketting tevuurskeen in ul em oge in de locht. ,,Moet je ier d’rs kieken wat of ik daor veen, dat zat in die gulle. As ik et goed zien is et nog een egte gouwen ok! Die is vor oenze Gaartjen.”

    Wordt vervolgdt, Rein

    Bij een oude foto

    Op de grens van het oude en het nieuwe jaar, beste lezers, komt deze aflevering tot stand. Tijd om even terug te blikken. Op 16 januari 1987 verscheen het eerste nummer van de Kleine Courant. Dat houdt in dat we binnen enkele weken de zestiende jaargang binnentreden, bij leven en gezondheid. Aan de formule van toen is eigenlijk weinig veranderd. Een beetje geschiedenis en een snufje folklore, een oude foto en soms een knipoog naar het heden. Met ingang van 2002 heeft de redactie van ‘Het Urkerland’ echter wat nieuws bedacht. Bij de oude foto wordt een tweede foto afgedrukt van de huidige situatie ter plekke. Op die manier kunnen verleden en heden met elkaar worden vergeleken. De foto van deze week voert ons naar de Staverse hoogte, zo genoemd omdat onderaan deze hoogte de jollen afmeerden van de vissers uit Staveren en Laaxum. We moeten even terug naar het laatste kwart van de 19e eeuw.

    In 1878 werd de bestaande haven naar het westen toe uitgebreid. De werf van Hakvoort moet toen met de hand zijn uitgegraven. Wanneer de noordelijke keermuur is gebouwd weten we niet precies, maar de westelijke muur, die langs de Staverse hoogte, dateert van 1917, toen Belgische en Britse militairen hem hebben opgemetseld. Die militairen waren hier geïnterneerd als gevolg van de neutraliteit van Nederland gedurende de Eerste Wereldoorlog. In feite beschikt Urk dus, als een van de weinige gemeenten in Nederland, over een heus oorlogsmonument uit de tijd van de Grote Oorlog. De laatste jaren raakte de muur steeds meer in verval, zodat de restauratie noodzakelijk werd. Dat geschiedde vorig jaar. Dat daarbij een onaanzienlijk, maar wel zeldzaam muurvarentje verloren ging, memoreerden wij eerder.

    Het laatste jaar (5)

    Voor dit gezin moest Mina H. Gerssen haar huis voorlopig ontruimen en Albert Kramer vond inwoning bij Jelle E. Hakvoort, (haven). Er zijn heden weer enige Duitsers gekomen en denkelijk zullen er nog meer volgen. De bomen in de Prins Hendrikstraat moesten heden hun kruin missen en ook die op de werf W. Metz moeten gekortwiekt. Ze belemmeren het uitzicht vanaf het platte dak van Hotel Woudenberg op polder en dijk. Albert I. Koffeman en de zijnen zijn uit Utrecht (na het bombardement) per fiets – van de banden ontdaan voor alle zekerheid – naar Kampen en per boot naar hier gekomen. Uit Voorburg nog steeds geen tijding. Van Langejan uit Heemstede een brief ontvangen verzonden negen october. Zitten daar in Heemstede al zonder licht en binnenkort zonder gas.
    19 October.
    Werd omgeroepen dat Luut Kamper vanmiddag naar Amsterdam vertrekt. Toesteming hadden de heren die in de polder (men zegt 220) bijenkorven gehad hebben voor het met die boot terugbrengen dier bijenvolken naar Haarlem. Ook verkregen enige mensen een bewijs van de commandant om te mogen meereizen o.a. iemand die commensaal is geweest bij de weduwe van Klaas Teunis Ras, die deze zomer in het ziekenhuis te Enkhuizen overleden is. De Jager heet die man, die lopende naar zijn gezin te Sliedrecht denkt te moeten terugkeren via Waddinxveen en Gouda. Toonde zich bereid een brief voor Piet mee te nemen. (Had al meer brieven voor anderen mee te nemen en beloofde die van ons in Gouda te posten). Aan Johan door mij en Christien grote brief geschreven en gebracht bij Luut Kamper. Een der heren van die bijen die na het bezorgen der bijen te Haarlem per fiets naar Den Haag moet, heeft aan L. Kamper beloofd de brief daar te posten. Vanmiddag was ’t dreunen van ramen en deuren ’t bewijs dat in de omtrek een bom is gevallen. ’t Geluid kwam uit de richting Gaasterland – Lemmer, denkelijk om de plaats van de V1 te treffen. (Bedoeld wordt hier de lanceerplaats van de V1, een soort raket, red.) 20 October. Heden een dag van angst en verschrikking voor velen geweest. Ger. Metz en Corns. I. Koffeman, gemeente-ontvanger, zijn gegrepen en naar de pastorie gebracht. Hun huis doorzocht en bij G.M. een bus suiker, boter, al z’n tabak en sigaetten, kaasen, lucifers (thans zo schaars) weggehaald. Wijl Piet en Dirk Zeeman verdwenen zijn werd hun vader, de havenmeester, meegenomen en Dirk’s verloofde, Pietje van Dijk (dochter van Dirk van Dijk). In haar tasje vonden ze, zegt men, ziekenbons waarvan ze de bestemming niet zeggen wilde. Dirk is namelijk voortvluchtig, evenals Jan Oost, wiens vrouw meegenomen, doch enige uren later vrijgelaten werd (wegens de kleine kinderen?), namelijk Marijtje H. de Boer. Reijer Kale was niet te vinden, evenmin z’n zoon Jacob, waarom z’n vrouw Jannetje E. Hakvoort bij de andere vrouwen ingesloten werd in het gevorderde huis van Alb. Kl. Kramer. Bij de huiszoeking vond men, zegt men, in Jacobs kleding verboden blaadjes. Ook Geert H. Oost is gepakt. Chr. van Beckhoven had zich bijtijds uit de voeten gemaakt. Een radiotoestel werd bij de huiszoeking aangetroffen en Mette bij de andere vrouwen gebracht, evenals haar dochter Koba, die niet zeggen kon of wilde waar haar voortvluchtige man Ide G. Koffeman thans is. Ook Geert Koffeman (zijn vader) is meegenomen, evenals Marie van Beckhoven, getrouwd met Jan van Flip ten Napel (voortvluchtig). Harmen Kramer (van Jan van Bubbe) ook gevat, doch later losgelaten. 2l October. Vanochtend zijn Ger. Metz, C. Koffeman en Pietje D. van Dijk met de boot naar Kampen weggebracht. Havenmeester Zeeman en de vrouw van Reijer Kale zijn vrijgelaten, ook Mette Koffeman, doch moet zich geregeld melden. Bij dokter Vonk moet ook huiszoeking geschied zijn, ook bij Teunis Kl. Visser, maar daar geen kwade gevolgen. 26 October. Heden drie keer luchtalarm. Naar ik van mijn zwager Kl.K. hoorde moet Chr. van Beckhoven in Dorp A (Emmeloord, red.) of althans in de polder opgepakt wezen. Ger. Metz, C. Koffeman en Pietje van Dijk in Zwolle gevangen. Eindelijk deze week eerst een brief van Piet d.d. 10 October en daarna van Johan d.d. 16 October.

    (Wordt vervolgd)